Zaak C‑174/14

Saudaçor – Sociedade Gestora de Recursos e Equipamentos da Saúde dos Açores SA

tegen

Fazenda Pública

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Supremo Tribunal Administrativo om een prejudiciële beslissing)

„Prejudiciële verwijzing — Belasting over de toegevoegde waarde — Richtlijn 2006/112/EG — Artikel 13, lid 1 — Behandeling als niet-belastingplichtige — Begrip ‚publiekrechtelijk lichaam’ — Naamloze vennootschap belast met het verrichten van diensten op het gebied van de planning en het beheer van de gezondheidsdiensten in de autonome regio Azoren — Bepaling van de modaliteiten van deze diensten, met inbegrip van de betaling hiervoor, in tussen die vennootschap en die regio gesloten programmaovereenkomsten”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 29 oktober 2015

  1. Harmonisatie van de belastingwetgeving — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde — Belastingplichtigen — Publiekrechtelijke lichamen — Niet-belastingplichtig voor de als overheid verrichte werkzaamheden — Uitzonderingen — Diensten die onder bezwarende titel worden verricht — Begrip

    (Richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 9 en 13)

  2. Harmonisatie van de belastingwetgeving — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde — Belastingplichtigen — Economische activiteiten — Begrip — Diensten op het gebied van de planning en het beheer van een regionale gezondheidsdienst — Daaronder begrepen

    (Richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 9, lid 1)

  3. Recht van de Europese Unie — Uitlegging — Beginselen — Autonome uitlegging — Grenzen

  4. Harmonisatie van de belastingwetgeving — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde — Belastingplichtigen — Publiekrechtelijke lichamen — Niet-belastingplichtig voor de als overheid verrichte werkzaamheden — Begrip — Diensten door een vennootschap verricht op het gebied van de planning en het beheer van een regionale gezondheidsdienst — Daaronder begrepen — Voorwaarden — Verrichting van een economische activiteit — Kwalificatie van de vennootschap als publiekrechtelijk lichaam — Autonome uitlegging

    (Richtlijn 2004/18 van het Europees Parlement en de Raad, art. 1, lid 9; richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 13, lid 1)

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 31‑33)

  2.  Artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat een activiteit waarbij een vennootschap ten behoeve van een regio diensten op het gebied van de planning en het beheer van de regionale gezondheidsdienst verricht overeenkomstig de tussen die vennootschap en die regio gesloten programmaovereenkomsten, een economische activiteit in de zin van die bepaling vormt.

    Aan het rechtstreekse verband tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie lijkt niet te kunnen worden afgedaan door het feit dat de activiteit van de dienstverrichter tot doel heeft uitvoering te geven aan een grondwettelijke verplichting die krachtens de nationale grondwet uitsluitend en rechtstreeks bij de staat berust, te weten te zorgen voor een universele en potentieel gratis, voornamelijk met openbare middelen te bekostigen nationale gezondheidsdienst. Ingevolge artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112 wordt immers als belastingplichtige beschouwd ieder die zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk en het resultaat van die activiteit.

    (cf. punten 39, 40, 42, dictum 1)

  3.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punt 52)

  4.  Artikel 13, lid 1, van richtlijn 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat een activiteit waarbij een vennootschap diensten op het gebied van de planning en het beheer van de regionale gezondheidsdienst verricht overeenkomstig de tussen die vennootschap en die regio gesloten programmaovereenkomsten, onder de in die bepaling neergelegde regel inzake behandeling als niet-belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde valt ingeval die activiteit een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, van die richtlijn vormt, indien – het is aan de nationale rechter, dit te verifiëren – kan worden geconstateerd dat die vennootschap moet worden aangemerkt als publiekrechtelijk lichaam en dat zij die activiteit verricht als overheid, mits de nationale rechter vaststelt dat door de vrijstelling van dezelfde activiteit geen mededingingsverstoringen van enige betekenis ontstaan.

    In dit verband moet bij de uitlegging van het begrip andere publiekrechtelijke lichamen in de zin van artikel 13, lid 1, van genoemde richtlijn niet de definitie van het begrip publiekrechtelijke instellingen in artikel 1, lid 9, van richtlijn 2004/18 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten in de beschouwing worden betrokken.

    (cf. punt 75, dictum 2)