16.11.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 381/8


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 1 oktober 2015 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — Nederland) — R. L. Trijber, handelend onder de naam Amstelboats/College van burgemeester en wethouders van Amsterdam (C-340/14), J. Harmsen/Burgemeester van Amsterdam (C-341/14)

(Gevoegde zaken C-340/14 en C-341/14) (1)

([Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 2006/123/EG - Diensten op de interne markt - Pleziervaart - Raamprostitutiebedrijven - Artikel 2, lid 2, onder d) - Werkingssfeer - Daarvan uitgesloten - Diensten op het gebied van vervoer - Vrijheid van vestiging - Machtigingsregeling - Artikel 10, lid 2, onder c) - Vergunningsvoorwaarden - Evenredigheid - Taalvereiste - Artikel 11, lid 1, onder b) - Vergunningsduur - Beperking van het aantal beschikbare vergunningen - Dwingende reden van algemeen belang])

(2015/C 381/09)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: R. L. Trijber, handelend onder de naam Amstelboats (C-340/14), J. Harmsen (C-341/14)

Verwerende partijen: College van burgemeester en wethouders van Amsterdam, Burgemeester van Amsterdam

Dictum

1)

Artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 2006/123/EG van het Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, moet aldus worden uitgelegd dat, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, een activiteit zoals die waarvoor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vergunningsaanvraag is ingediend, die erin bestaat tegen betaling passagiers diensten te verstrekken op een boot tijdens rondleidingen op de binnenwateren van een stad als partyverhuur, geen dienst „op het gebied van vervoer” in de zin van deze bepaling is die buiten de werkingssfeer van die richtlijn valt.

2)

Artikel 11, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/123 moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de bevoegde nationale instanties vergunningen voor onbepaalde tijd verlenen voor de uitoefening van een activiteit zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, terwijl het aantal door deze instanties daartoe verleende vergunningen beperkt is om dwingende redenen van algemeen belang.

3)

Artikel 10, lid 2, onder c), van richtlijn 2006/123 moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een maatregel, zoals die in het hoofdgeding, die de afgifte van een vergunning voor de uitoefening van een activiteit zoals die welke aan de orde is in zaak C-341/14, bestaande uit de exploitatie van raamprostitutiebedrijven via de verhuur van kamers in dagdelen, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de verstrekker van deze diensten zich verstaanbaar kan maken in een voor de afnemers van deze diensten — in casu prostituees — begrijpelijke taal, aangezien deze voorwaarde geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel van algemeen belang te waarborgen, namelijk te voorkomen dat aan prostitutie gelieerde strafbare feiten worden gepleegd, en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit te verifiëren.


(1)  PB C 339 van 29.9.2014.