Zaak T‑488/13

GEA Group AG

tegen

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

„Gemeenschapsmerk — Beroepstermijn — Aanvang — Kennisgeving van de beslissing van de kamer van beroep via telefax — Ontvangst van het faxbericht — Tardiviteit — Geen toeval of overmacht — Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

Samenvatting – Beschikking van het Gerecht (Tweede kamer) van 22 januari 2015

  1. Gemeenschapsmerk – Procedurevoorschriften – Kennisgeving – Kennisgeving via telefax – Berekening van de termijnen – Datum van ontvangst

    [Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie, art. 1, regels 61, lid 2, 65, lid 1, en 70, lid 2]

  2. Procedure – Beroepstermijnen – Verval van recht – Toeval of overmacht – Begrip bestaande uit objectieve en subjectieve elementen – Grenzen

    (Statuut van het Hof van Justitie, art. 45, tweede alinea)

  3. Gerechtelijke procedure – Termijn voor overlegging van bewijzen – Artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht – Werkingssfeer – Nieuwe bewijzen aangebracht in de opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid of in de tot de ontvankelijkheidskwestie beperkte repliek – Ontvankelijkheid

    (Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 1)

  1.  Volgens regel 61, lid 2, van verordening nr. 2868/95 tot uitvoering van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk, zoals gewijzigd, kan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) zijn kennisgevingen per telefax doen. Kennisgeving per telefax is mogelijk voor elke beslissing van het Bureau en dus eveneens voor beslissingen van de kamers van beroep.

    Regel 65, lid 1, van verordening nr. 2868/95, met als opschrift „Kennisgeving per telefax en door andere technische middelen” preciseert dat „[d]e kennisgeving wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de datum waarop de mededeling door het faxapparaat van de ontvanger werd ontvangen”. Regel 70, lid 2, van die verordening, inzake de „Berekening van de termijnen”, geeft eveneens aan dat „[w]anneer de procedurele handeling een kennisgeving is, geldt, tenzij anders bepaald als relevante gebeurtenis de ontvangst van het document waarvan kennisgeving is geschied”.

    De rechtspraak maakt een onderscheid tussen de mededeling van een handeling aan zijn adressaat, die is vereist voor een regelmatige kennisgeving, en de daadwerkelijke kennis van die handeling, die niet noodzakelijk is voor de regelmatigheid van de kennisgeving. Volgens die rechtspraak vereist een geldige kennisgeving aan de adressaat geenszins dat de degene die ter zake bevoegd is krachtens de interne regels van de onderneming tot wie de beslissing is gericht, er daadwerkelijk kennis van neemt, aangezien van een beslissing regelmatig kennis is gegeven, zodra zij ter kennis is gebracht van degene tot wie zij is gericht, en deze in staat is gesteld daarvan kennis te nemen. Bij de beoordeling van de regelmatigheid van de kennisgeving wordt bijgevolg enkel rekening gehouden met het externe aspect ervan, te weten de regelmatige verzending naar de adressaat, en niet met het interne aspect ervan, dat ziet op de interne werking van de onderneming tot wie de beslissing is gericht.

    Hieruit volgt dat bij de bepaling van de datum van ontvangst van een kennisgeving enkel rekening mag worden gehouden met het externe aspect van die kennisgeving, te weten de formele en regelmatige ontvangst door de onderneming tot wie zij is gericht, ongeacht de daadwerkelijke ontvangst en kennisneming binnen die onderneming. Aan deze overweging wordt niet afgedaan door het vereiste uit de rechtspraak volgens hetwelk de kennisgeving impliceert dat de adressaat in staat moet zijn gesteld om kennis te nemen van de meegedeelde handeling. Het gaat immers om de verplichting voor de kennisgever om de voorwaarden te creëren voor een daadwerkelijke kennisneming door de adressaat, wat dus een inspanningsverplichting is (die overeenkomt met het externe aspect van de kennisgeving) en geen verplichting voor de kennisgever om zich met de interne werking van die adressaat in te laten om die kennisneming te waarborgen, wat een resultaatsverplichting is (die overeenkomt met het interne aspect van de kennisgeving).

    Zo heeft het Gerecht geoordeeld dat de overlegging door het Bureau van faxverzendingsrapporten die gegevens bevatten die daaraan bewijskracht verlenen, volstaat om te bewijzen dat de persoon voor wie het faxbericht is bestemd die fax heeft ontvangen. Faxapparaten zijn immers zo ontworpen dat zij elk verzendingsprobleem maar ook elk ontvangstprobleem signaleren door een foutmelding die de afzender precies aangeeft waarom de fax niet is ontvangen, hetgeen hem wordt meegedeeld door het faxapparaat van de persoon voor wie het faxbericht is bestemd, en dat wanneer geen dergelijk probleem wordt gemeld, een bericht van daadwerkelijke verzending wordt gegenereerd. Bijgevolg kan worden aangenomen dat de persoon voor wie het faxbericht is bestemd de verzonden fax heeft ontvangen wanneer er geen foutmelding is en er een verzendingsrapport met de melding „ok” komt.

    Indien enkel met de kennisneming van de litigieuze fax zou kunnen worden bewezen dat de vertegenwoordiger van de verzoekende partij de fax heeft ontvangen, zou het voor het Bureau bovendien onmogelijk worden om het bewijs te leveren van de daadwerkelijke kennisgeving van een beslissing en van de datum waarop de adressaat deze beslissing heeft ontvangen, zelfs wanneer die beslissing naar behoren ter kennis is gebracht van degene tot wie zij is gericht. Het vertrekpunt van de termijn om beroep in te stellen tegen beslissingen van de kamers van beroep van het Bureau zou afhangen van toevallige omstandigheden die losstaan van de zorgvuldigheid waarmee het Bureau de beslissing ter kennis heeft gebracht, terwijl de beroepstermijnen juist zijn ingevoerd om de rechtszekerheid te waarborgen.

    (cf. punten 14, 15, 19‑22)

  2.  Beroepstermijnen zijn van openbare orde. Overeenkomstig artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kan slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen van toeval of overmacht worden afgeweken van de procestermijnen.

    De begrippen „toeval” en „overmacht” bevatten een objectief element, dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden buiten toedoen van de verzoekende partij, en een subjectief element dat betrekking heeft op de verplichting voor de verzoekende partij om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen door passende maatregelen te treffen, zonder buitensporige offers te hoeven brengen. In het bijzonder moet de verzoekende partij nauwlettend toezien op het verloop van de ingeleide procedure en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de gestelde termijnen in acht te nemen. Van overmacht is derhalve geen sprake wanneer een zorgvuldige en omzichtige persoon objectief in staat zou zijn geweest het verstrijken van een beroepstermijn te voorkomen.

    Met betrekking tot het objectieve element van toeval of overmacht zij vastgesteld dat de storing van het faxapparaat van de vertegenwoordiger van de verzoekende partij weliswaar kan worden aangemerkt als „abnormale omstandigheid” in de zin van bovenbedoelde rechtspraak, maar niet als „omstandigheid buiten toedoen” van die vertegenwoordiger.

    Het betrokken apparaat is namelijk een intern toestel van het namens de verzoekende partij optredende advocatenkantoor, waarvoor alleen dit kantoor – net als voor de daar tewerkgestelde werknemers – verantwoordelijk is. Volgens vaste rechtspraak leveren interne verzendingsproblemen van een onderneming geen toeval of overmacht op. Er is zelfs reeds geoordeeld dat de fout die toerekenbaar is aan een derde die door een advocatenkantoor was opgedragen om onder verantwoordelijkheid van dat kantoor vallende handelingen te verrichten, niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid buiten toedoen van de door dat kantoor vertegenwoordigde verzoekende partij. De storing van de informatica‑ en faxapparatuur van het namens de verzoekende partij optredende advocatenkantoor, ook al zou dit het beheer ervan hebben uitbesteed aan een externe onderneming, kan dan ook niet worden aangemerkt als een omstandigheid buiten zijn toedoen.

    De stelling dat de storing zich voor het eerst heeft voorgedaan en dus onvoorzienbaar was, volstaat niet om te gewagen van een omstandigheid buiten toedoen van de vertegenwoordiger van de verzoekende partij. Dat onvoorzienbare karakter kan hoogstens een rol spelen bij de beoordeling van de mogelijkheid voor de betrokkene om de storing van het faxapparaat te voorkomen, en dus bij de analyse van het subjectieve element van toeval of overmacht.

    (cf. punten 26, 27, 32‑34)

  3.  Het in artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht neergelegde verbod tot te late indiening van bewijzen ziet niet op de bewijzen in de opmerkingen over excepties van niet-ontvankelijkheid en evenmin op die welke zijn opgenomen in de repliek om te antwoorden op de argumenten inzake niet-ontvankelijkheid die in de memorie van antwoord zijn aangevoerd. Aangenomen kan worden dat de mogelijkheid om nieuwe bewijzen aan te brengen in de opmerkingen over excepties van niet-ontvankelijkheid inherent is aan het recht van de verzoekende partij om te antwoorden op de argumenten die de verwerende partij in haar exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft aangevoerd, aangezien geen enkele procesregel vereist dat de verzoekende partij de bewijzen inzake de ontvankelijkheid van haar beroep reeds in het stadium van het verzoekschrift aanbrengt.

    (cf. punt 30)