ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Derde kamer)
25 september 2014
Carla Osorio e.a.
tegen
Europese Dienst voor extern optreden (EDEO)
„Openbare dienst — Bezoldiging — In een derde land tewerkgesteld personeel van EDEO — Besluit van het TABG tot wijziging van de lijst van derde landen waarvoor de levensomstandigheden gelijkwaardig zijn aan die welke gewoonlijk in de Unie heersen — Handeling van algemene strekking — Ontvankelijkheid van het beroep — Jaarlijkse evaluatie van toelage wegens bijzondere levensomstandigheden — Afschaffing”
Betreft
:
Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Osorio en de andere verzoekers wier namen zijn opgenomen in de bijlage het Gerecht vragen om nietigverklaring van het besluit van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 19 december 2012, voor zover daarbij met ingang van 1 juli 2013 de toelage wegens bijzondere levensomstandigheden wordt afgeschaft voor op Mauritius tewerkgesteld personeel.
Beslissing
:
Het beroep wordt verworpen. Osorio en de andere verzoekers wier namen zijn opgenomen in de bijlage dragen hun eigen kosten. De Europese Dienst voor extern optreden draagt zijn eigen kosten.
Samenvatting
Beroepen van ambtenaren – Bezwarend besluit – Begrip – Beroep gericht tegen een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag tot afschaffing van de toelage wegens bijzondere levensomstandigheden die aan in bepaalde derde landen tewerkgestelde ambtenaren wordt verleend – Daaronder begrepen
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91, en bijlage X, art. 10, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1023/2013)
Ambtenaren – Bezoldiging – Financiële regeling voor in een derde land tewerkgestelde ambtenaren – Toelage wegens bijzondere levensomstandigheden – Voorwaarden voor toekenning – Verplichting voor de instellingen om algemene uitvoeringsbepalingen vast te stellen – Niet-nakoming – Aanvoering door een ambtenaar die opkomt tegen de rechtmatigheid van een besluit betreffende de toekenning van de toelage – Voorwaarden
(Ambtenarenstatuut, art. 110 en bijlage X, art. 1, derde alinea, zoals gewijzigd bij verordening nr.1023/2013)
Ambtenaren – Bezoldiging – Financiële regeling voor in een derde land tewerkgestelde ambtenaren – Toelage wegens bijzondere levensomstandigheden – Voorwaarden voor toekenning – Vaststelling door een orgaan van de Unie in een tijd van aanpassing zonder vaststelling van algemene uitvoeringsbepalingen – Toelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, bijlage X, art. 10, lid 1, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1023/2013)
De ambtenaren en functionarissen hebben het recht om beroep in te stellen tegen een algemene maatregel van het tot aanstelling bevoegd gezag die voor hen bezwarend is, wanneer, ten eerste, die maatregel geen toepassingsmaatregel vereist om rechtsgevolgen te hebben of het gezag dat belast is met de uitvoering ervan over geen enkele beoordelingsmarge bij de toepassing ervan beschikt en, ten tweede, die maatregel de belangen van de ambtenaren rechtstreeks raakt doordat hun rechtspositie kenmerkend wordt gewijzigd.
Dit is het geval bij een krachtens artikel 10 van bijlage X bij het Statuut door dat gezag genomen besluit dat voor ambtenaren die zijn tewerkgesteld in bepaalde delegaties en kantoren van de Unie in derde landen leidt tot de afschaffing van de toelage wegens bijzondere levensomstandigheden. Een dergelijk besluit is voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk, zodat het geen bijzondere toepassingsmaatregel behoeft om rechtsgevolgen te hebben voor de in de betrokken derde landen tewerkgestelde ambtenaren.
Ofschoon voor de uitvoering van het besluit individuele administratieve maatregelen moeten worden genomen om die toelage stop te zetten, kan de vaststelling van dergelijke maatregelen, ten aanzien waarvan de managers over geen enkele beoordelingsmarge beschikken, zich niet ertegen verzetten dat de rechtspositie van de betrokken ambtenaren, die vanaf de datum van inwerkingtreding van het besluit noodzakelijkerwijs worden geconfronteerd met het verlies van de toelage wegens bijzondere levensomstandigheden, rechtstreeks wordt geraakt.
(cf. punten 14‑16)
Referentie:Hof: arresten De Dapper e.a./Parlement, 54/75, EU:C:1976:127; Diezler e.a./ESC, 146/85 en 431/85, EU:C:1987:457, punten 6 en 7, en Brown/Hof van Justitie, 125/87, EU:C:1988:136, punt 16
De algemene uitvoeringsbepalingen in de zin van artikel 110 van het Statuut hebben in de eerste plaats betrekking op uitvoeringsmaatregelen die in sommige speciale bepalingen van het Statuut uitdrukkelijk zijn voorzien en bij gebreke van een uitdrukkelijke voorschrift kan de verplichting om onder de formele voorwaarden van dat artikel uitvoeringsmaatregelen vast te stellen, slechts bij wijze van uitzondering worden erkend, namelijk wanneer de bepalingen van het Statuut zo onduidelijk en onnauwkeurig zijn dat zij niet zonder willekeur kunnen worden toegepast.
De bepalingen van artikel 1, derde alinea, van bijlage X bij het Statuut hebben een algemene strekking en de algemene uitvoeringsbepalingen die volgens dat artikel worden vastgesteld betreffen de gehele bijlage X bij het Statuut, daaronder begrepen de bepalingen voor de toekenning van de toelage wegens bijzondere levensomstandigheden. Een orgaan van de Unie dat uitvoering aan die bepalingen geeft is dus verplicht om algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 10 van bijlage X bij het Statuut vast te stellen, overeenkomstig artikel 1, derde alinea, van die bijlage.
Het ontbreken van algemene uitvoeringsbepalingen kan echter alleen met succes worden aangevoerd door een ambtenaar die opkomt tegen een besluit tot herziening van het bedrag van de toelage die aan in derde landen tewerkgestelde ambtenaren wordt betaald wanneer de gestelde onregelmatigheid hem persoonlijk kan raken. Dienaangaande zij beklemtoond dat de algemene uitvoeringsbepalingen voornamelijk strekken tot de vaststelling van criteria die de administratie kunnen leiden bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid of de omvang kunnen preciseren van statutaire bepalingen die op dat punt dermate onduidelijk en onnauwkeurig zijn dat zij niet zonder willekeur kunnen worden toegepast. Waar de onnauwkeurigheid van een bepaling op zich niet volstaat om tot een willekeurige toepassing ervan te leiden, heeft de betrokkene alleen een belang om een dergelijk middel aan te voeren indien het verzuim van de Europese Dienst voor extern optreden om algemene uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor hem persoonlijk bezwarend was doordat het tot aanstelling bevoegd gezag op vooringenomen en willekeurige wijze de bepalingen van artikel 10 van bijlage X bij het Statuut op zijn situatie diende toe te passen.
(cf. punten 21, 23, 29 en 33)
Referentie:Hof: arrest Deboeck/Commissie, 90/74, EU:C:1975:109
Gerecht van eerste aanleg: arrest Ianniello/Commissie, T‑308/04, EU:T:2007:347, punt 38
Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Behmer/Parlement, F‑47/07, EU:F:2009:103, punt 47
Wat de in bijlage X bij het Statuut bedoelde toelage wegens bijzondere levensomstandigheden betreft, heeft de wetgever van de Unie, door geen enkel criterium voor de bepaling van de gelijkwaardigheid van de levensomstandigheden tussen de landen van de Unie en derde landen te geven, het tot aanstelling bevoegd gezag in het kader van de algemene uitvoeringsbepalingen van het Statuut die het voor de toekomst moet vaststellen, een ruime beoordelingsmarge willen geven. In deze omstandigheden kon een orgaan van de Unie dat zich op de datum van vaststelling van een besluit tot herziening van het bedrag van de toelage die aan in derde landen tewerkgestelde ambtenaren wordt betaald in een periode van aanpassing bevindt, zonder onjuiste rechtsopvatting en binnen de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid rekening houden met andere criteria dan de parameters die in artikel 10, lid 1, vierde alinea, van bijlage X bij het Statuut uitdrukkelijk worden genoemd.
Het gebruik van gegevens over het niveau van de economische ontwikkeling in de betrokken derde landen en de gebruikte methode, die de voorkeur geeft aan een globale economische benadering gebaseerd op de vergelijking van de niveaus van economische ontwikkeling en rekening houdt met de analyses van andere internationale organisaties of met bepaalde omstandigheden voor hun diplomatiek personeel, om de gelijkwaardigheid te bepalen van de levensomstandigheden in de landen van de Unie en in derde landen lijken niet in strijd met artikel 10, lid 1, van bijlage X bij het Statuut.
(cf. punten 57, 58 en 60)