|
3.8.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 226/4 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Darmstadt (Duitsland) op 28 mei 2013 — H., advocaat, als bewindvoerder voor het vermogen van G.T. GmbH, tegen H. K
(Zaak C-295/13)
(2013/C 226/07)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Darmstadt
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: H., advocaat, als bewindvoerder voor het vermogen van G.T. GmbH
Verwerende partij: H. K.
Prejudiciële vragen
over de uitlegging van artikel 1, lid 2, sub b, artikel 5, punt 1, sub a, artikel 5, punt 1, sub b, artikel 5, punt 3, van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (1), en artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures. (2)
|
1) |
Zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure voor het vermogen van de schuldenaar is ingeleid bevoegd om kennis te nemen van een vordering van de bewindvoerder tegen de beheerder van de schuldenaar ter vergoeding van betalingen die zijn gedaan nadat de onderneming insolvent is geworden of nadat is vastgesteld dat deze te hoge schulden heeft? |
|
2) |
Zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure voor het vermogen van de schuldenaar is ingeleid bevoegd om kennis te nemen van een vordering van de bewindvoerder tegen de beheerder van de schuldenaar ter vergoeding van betalingen die zijn gedaan nadat de onderneming insolvent is geworden of nadat is vastgesteld dat deze te hoge schulden heft, wanneer de bewindvoerder zijn woonplaats niet in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft, maar in staat die partij is bij het Lugano II-Verdrag? |
|
3) |
Valt de vordering als bedoeld in de eerste vraag onder artikel 3, lid 1, van de insolventieverordening? |
|
4) |
Voor het geval de in de eerste vraag bedoelde vordering niet onder artikel 3, lid 1, van de insolventieverordening valt en/of de bevoegdheid van het gerecht om er kennis van te nemen zich niet uitstrekt tot een bewindvoerder die zijn woonplaats heeft in een staat die partij is bij het Lugano II-Verdrag: Gaat het om een faillissement in de zin van artikel 1, lid 2, sub b, van het Lugano II-Verdrag? |
|
5) |
Bij een bevestigend antwoord op de vierde vraag:
|
(2) PB L 160, blz. 1