Zaak C‑618/13 P
Zucchetti Rubinetteria SpA
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Belgische, Duitse, Franse, Italiaanse, Nederlandse en Oostenrijkse markt van badkamersanitair – Onderlinge afstemming van de verkoopprijzen en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie – Verordening (EG) nr. 1/2003 – Artikel 23, lid 2 – Maximum van 10 % van de omzet”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 26 januari 2017
Mededinging–Geldboeten–Bedrag–Vaststelling–Beginsel van gelijke behandeling–Inaanmerkingnemig van de verschillen en de specifieke omstandigheden van de betrokken ondernemingen
(Art. 101, lid 1, VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 20 en 21; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 3; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punten 13, 28 en 29)
Hogere voorziening–Bevoegdheid van het Hof–Betwisting, op grond van billijkheidsoverwegingen, van de door het Gerecht verrichte beoordeling van het bedrag van geldboeten die wegens schending van de mededingingsregels van het Verdrag aan ondernemingen zijn opgelegd–Daarvan uitgesloten–Ter discussie stellen van deze beoordeling op grond dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden–Toelaatbaarheid
(Art. 261 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 31)
Mededinging–Geldboeten–Bedrag–Vaststelling–Criteria–Ernst van de inbreuk–Beoordelingscriteria
(Art. 101 VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 3; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punten 19‑23 en 25)
Hogere voorziening–Middelen–Rechtsoverwegingen van een arrest waarin het Unierecht is geschonden–Dictum op andere rechtsgronden gerechtvaardigd–Afwijzing
(Art. 256, lid 1, tweede alinea, VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)
Mededinging–Geldboeten–Bedrag–Vaststelling–Vaststelling van het basisbedrag–Ernst van de inbreuk–Beoordelingscriteria–Aard van de inbreuk
(Art. 101 VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 3; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punten 19‑23 en 25)
Hogere voorziening–Middelen–Onjuiste beoordeling van de feiten–Niet-ontvankelijkheid–Toetsing door het Hof van de beoordeling van de feiten en het bewijsmateriaal–Uitgesloten, behoudens het geval van onjuiste opvatting
(Art. 256, lid 1, tweede alinea, VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)
Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete mag niet door de toepassing van verschillende berekeningsmethodes worden gediscrimineerd tussen de ondernemingen die aan een met artikel 101, lid 1, VWEU strijdige overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging hebben deelgenomen.
De differentiatie van de boetebedragen, die op grond van het beginsel van gelijke behandeling van de ondernemingen vereist is, hoeft niet noodzakelijkerwijs te worden verricht in het kader van de vaststelling van de coëfficiënten voor de „ernst van de inbreuk” en voor het „extra bedrag”, gelet op de beoordelingsmarge die de Commissie bij de boeteberekening wordt geacht te hebben. In voorkomend geval kan met de verschillen tussen de betrokken ondernemingen en hun specifieke omstandigheden ook rekening worden gehouden in een ander stadium van de boeteberekening, zoals in het kader van de aanpassing van het basisbedrag aan de hand van verzwarende of verzachtende omstandigheden op grond van de punten 28 en 29 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd, of ook in het kader van de waarde van de verkopen die in aanmerking wordt genomen om het basisbedrag van de geldboeten te berekenen, aangezien voor elke deelnemende onderneming in die waarde het belang van haar deelname aan de betrokken inbreuk tot uitdrukking komt, overeenkomstig punt 13 van de richtsnoeren van 2006. Dat laatste punt heeft immers tot doel, als uitgangspunt voor de berekening van de aan een onderneming op te leggen geldboete een bedrag te nemen dat het economische belang van de inbreuk en het relatieve aandeel van deze onderneming daarin weerspiegelt.
(zie punten 38, 56, 57)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punt 43)
Hoewel voor de beoordeling van de ernst van een inbreuk, en dus ook voor de vaststelling van het bedrag van de op te leggen geldboete, onder meer rekening kan worden gehouden met de geografische reikwijdte van die inbreuk en met het aantal producten waarop deze betrekking heeft, kan de omstandigheid dat een inbreuk een ruimere geografische reikwijdte heeft en betrekking heeft op een groter aantal producten dan een andere inbreuk, niet op zich inhouden dat de eerste inbreuk, in zijn geheel beschouwd, en met name afhankelijk van zijn aard, als ernstiger dan de tweede moet worden aangemerkt en dus rechtvaardigt dat hogere coëfficiënten voor de „ernst van de inbreuk” en het „extra bedrag” worden vastgesteld dan die waarvan is uitgegaan bij de berekening van de geldboete voor de tweede inbreuk.
(zie punt 48)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punten 49, 58, 59)
Het basisbedrag van de geldboete die voor inbreuken op de mededingingsregels wordt opgelegd, omvat het bedrag voor de ernst van de inbreuk en het extra bedrag.
Het bedrag voor de ernst van de inbreuk wordt bepaald aan de hand van een percentage dat 0 % tot 30 % van de waarde van de relevante verkopen van de betrokken onderneming in het laatste jaar van haar deelname aan de mededingingsregeling kan belopen. Deze waarde is dus eigen aan elke onderneming die aan de verweten inbreuk heeft deelgenomen.
Ten behoeve van de bepaling van de coëfficiënt voor de „ernst van de inbreuk” moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de aard van de verweten inbreuk. Een mededingingsregeling die de onderlinge afstemming van de prijzen tot doel heeft, behoort naar zijn aard tot de ernstigste mededingingsbeperkingen. Bijgevolg kan het de Commissie en het Gerecht niet worden verweten dat zij blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voor een dergelijke inbreuk een coëfficiënt voor de „ernst van de inbreuk” van 15 % te hebben vastgesteld en te hebben geoordeeld dat dit percentage met het evenredigheidsbeginsel in overeenstemming was.
(zie punten 51‑54)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punt 68)