Zaak C‑589/13

Procedure ingeleid door F. E. Familienprivatstiftung Eisenstadt

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof)

„Prejudiciële verwijzing — Vrij verkeer van kapitaal — Artikel 56 EG — Voorlopige belasting van door een nationale stichting uit de verkoop van deelnemingen behaalde kapitaalopbrengsten en inkomsten — Ontzegging van het recht om schenkingen aan niet-ingezeten begunstigden die in de lidstaat van heffing van de stichting niet belastingplichtig zijn op grond van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting, in mindering te brengen op de heffingsgrondslag”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 september 2015

Vrij verkeer van kapitaal en vrijheid van betalingsverkeer – Beperkingen – Belastingwetgeving – Inkomstenbelasting – Kapitaalopbrengsten en inkomsten die door een ingezeten particuliere stichting zijn behaald uit de verkoop van deelnemingen – Aftrekbaarheid van de schenkingen aan ingezeten begunstigden – Uitsluiting van schenkingen aan niet‑ingezeten begunstigden die op grond van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting zijn vrijgesteld van de belasting – Verschil in behandeling – Vergelijkbare situaties – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Geen

(Art. 56 EG)

Artikel 56 EG verzet zich tegen een belastingregeling van een lidstaat op grond waarvan een ingezeten particuliere stichting in het kader van de voorlopige belasting over de door haar uit de verkoop van deelnemingen behaalde kapitaalopbrengsten en inkomsten, op haar heffingsgrondslag voor een bepaald belastingjaar slechts schenkingen in mindering mag brengen die zij in hetzelfde belastingjaar heeft gedaan en waarvoor de begunstigden van die schenkingen in de lidstaat van heffing van de particuliere stichting aan belasting zijn onderworpen, maar die aftrek volgens deze nationale belastingwetgeving is uitgesloten indien de begunstigde in een andere lidstaat woont en op grond van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting in de lidstaat van heffing van de particuliere stichting is vrijgesteld van de belasting die in beginsel over schenkingen wordt geheven.

Enerzijds worden in een dergelijke regeling objectief vergelijkbare situaties verschillend behandeld.

Anderzijds kan een dergelijke beperking van het vrije verkeer van kapitaal niet worden gerechtvaardigd door de doelstelling van behoud van de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten of door de noodzaak om de samenhang van de nationale belastingregeling te behouden. Wat de eerste doelstelling betreft, kan een lidstaat die in overeenkomsten tot voorkoming van dubbele belasting afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid om belasting te heffen over schenkingen aan in andere lidstaten wonende personen, zich niet op de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid beroepen om particuliere stichtingen die schenkingen aan die personen doen, aan een bijzondere belasting te onderwerpen op grond dat die personen niet onder zijn heffingsbevoegdheid vallen. De tweede doelstelling kan niet worden aangevoerd, aangezien geen rechtstreeks verband is aangetoond tussen het betrokken fiscale voordeel en de verrekening van dat voordeel door een bepaalde belastingheffing. Van een rechtstreeks verband is geen sprake wanneer het met name om afzonderlijke belastingheffingen gaat of om de fiscale behandeling van verschillende belastingplichtigen. De aftrek van het bedrag dat overeenkomt met de schenkingen die zijn gedaan door de tot voldoening van de voorlopige belasting gehouden particuliere stichting, en de belasting over die schenkingen bij de begunstigden van die schenkingen hebben noodzakelijkerwijs betrekking op verschillende belastingplichtigen.

(cf. punten 42, 63, 71, 80, 81, 83, 85 en dictum)