Zaak C‑327/13

Burgo Group SpA

tegen

Illochroma SA

en

Jérôme Theetten

(verzoek van het Hof van Beroep te Brussel om een prejudiciële beslissing)

„Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Insolventieprocedures — Begrip ‚vestiging’ — Groep van vennootschappen — Vestiging — Recht om een secundaire insolventieprocedure te openen — Criteria — Persoon bevoegd om een secundaire insolventieprocedure aan te vragen”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 4 september 2014

  1. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Insolventieprocedures – Verordening nr. 1346/2000 – Internationale bevoegdheid om een insolventieprocedure te openen – Secundaire procedure – Schuldenaar die op het grondgebied van de staat van zijn vennootschappelijke zetel een vestiging bezit – Begrip vestiging – Vestiging met rechtspersoonlijkheid – Daaronder begrepen – Criteria

    (Verordening nr. 1346/2000 van de Raad, art. 2, sub h, en 3, lid 2)

  2. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Insolventieprocedures – Verordening nr. 1346/2000 – Internationale bevoegdheid om een insolventieprocedure te openen – Secundaire procedure – Personen bevoegd om een secundaire procedure aan te vragen – Toetsing aan het nationale recht – Beperking tot schuldeisers wier woonplaats of vennootschappelijke zetel zich bevindt in de lidstaat van de betrokken vestiging of wier schuldvordering voortvloeit uit de exploitatie van die vestiging – Ontoelaatbaarheid

    (Verordening nr. 1346/2000 van de Raad, art. 29, sub b)

  3. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Insolventieprocedures – Verordening nr. 1346/2000 – Internationale bevoegdheid om een insolventieprocedure te openen – Secundaire procedure – Opening van een secundaire procedure naast een hoofdliquidatieprocedure – Inaanmerkingneming van opportuniteitscriteria – Toepassing van het nationale recht – Voorwaarden

    (Verordening nr. 1346/2000 van de Raad)

  1.  Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures moet aldus worden uitgelegd dat bij liquidatie van een vennootschap in een andere lidstaat dan die waar zij haar vennootschappelijke zetel heeft, die vennootschap ook in de lidstaat waar zij haar vennootschappelijke zetel heeft en rechtspersoonlijkheid heeft, aan een secundaire insolventieprocedure kan worden onderworpen.

    Artikel 2, sub h, van verordening nr. 1346/2000 sluit immers niet uit dat een vestiging voor de toepassing van die bepaling rechtspersoonlijkheid kan hebben en zich kan bevinden in de lidstaat waar haar vennootschap haar statutaire zetel heeft, mits die vestiging voldoet aan de criteria van die bepaling.

    Indien het begrip vestiging aldus moest worden uitgelegd dat het niet een plaats van installatie van een schuldplichtige vennootschap kan omvatten die voldoet aan de in dat artikel 2, sub h, uitdrukkelijk genoemde criteria en zich bevindt op het grondgebied van de lidstaat waar de statutaire zetel van die vennootschap is gelegen, worden de plaatselijke belangen, waaronder met name de belangen van de in die lidstaat gevestigde schuldeisers, voorts de bescherming ontzegd waarin de verordening voorziet in de vorm van de opening van een secundaire procedure in die lidstaat. Ten slotte kan een dergelijke uitlegging ertoe leiden dat schuldeisers die zijn gevestigd in de lidstaat waar de schuldplichtige vennootschap haar vennootschappelijk zetel heeft, worden gediscrimineerd ten opzichte van met name schuldeisers die zijn gevestigd in andere lidstaten waar zich in voorkomend geval andere vestigingen van de schuldenaar bevinden.

    (cf. punten 32, 35, 38, 39, dictum 1)

  2.  Artikel 29, sub b, van verordening nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures moet aldus worden uitgelegd dat de vraag welke persoon of autoriteit bevoegd is om een secundaire insolventieprocedure aan te vragen, moet worden beantwoord op grond van het nationale recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan die procedure wordt aangevraagd. Het recht om een secundaire procedure aan te vragen mag echter niet worden beperkt tot schuldeisers wier woonplaats of vennootschappelijke zetel zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokken vestiging is gelegen of tot schuldeisers wier schuldvordering voortvloeit uit de exploitatie van die vestiging.

    Bij het vaststellen van de nationale bepalingen waarin wordt geregeld wie bevoegd is om een secundaire procedure aan te vragen, dienen de lidstaten immers het nuttige effect van de verordening te verzekeren, gelet op het voorwerp ervan. De bepalingen van de verordening inzake het recht van een schuldeiser om een secundaire procedure aan te vragen zijn met name erop gericht de gevolgen te verzachten van de universele toepassing van het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de hoofdprocedure wordt geopend, door onder bepaalde voorwaarden de opening van secundaire procedures toe te staan ter bescherming van de verschillende belangen, die andere belangen omvatten dan de plaatselijke belangen.

    Voorts wordt in de verordening een duidelijk onderscheid gemaakt tussen territoriale procedures die aan de opening van een hoofdprocedure voorafgaan, en secundaire procedures. Alleen het recht om de eerstgenoemde procedures aan te vragen is beperkt tot schuldeisers wier woonplaats, gebruikelijke verblijfplaats of zetel zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokken vestiging is gelegen, of wier schuldvordering voortvloeit uit de exploitatie van die vestiging. A contrario volgt daaruit dat die beperkingen niet voor secundaire procedures gelden.

    Ten slotte zou een eventuele beperking van het recht om een secundaire procedure aan te vragen tot de lokale schuldeisers een indirecte discriminatie op grond van de nationaliteit opleveren, die niet gerechtvaardigd is.

    (cf. punten 46‑51, dictum 2)

  3.  Verordening nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer de hoofdinsolventieprocedure een liquidatieprocedure is, de inaanmerkingneming van opportuniteitscriteria door de rechterlijke instantie waarbij een secundaire insolventieprocedure wordt aangevraagd, zaak is van het nationale recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan die procedure wordt aangevraagd. De lidstaten moeten bij de vaststelling van de voorwaarden om een secundaire procedure te openen, echter het Unierecht in acht nemen, met name de algemene beginselen daarvan en verordening nr. 1346/2000.

    Voorts moet de rechter bij wie een secundaire procedure wordt aangevraagd, bij de toepassing van zijn nationale recht rekening houden met de doelstellingen van de mogelijkheid om een dergelijke procedure te openen.

    Ten slotte moet na de opening van een secundaire procedure de rechterlijke instantie die deze procedure heeft geopend, rekening houden met de doelstellingen van de hoofdprocedure en de opzet van de verordening, met inachtneming van het beginsel van loyale samenwerking.

    (cf. punten 65‑67, dictum 3)