Zaak C‑200/13 P
Raad van de Europese Unie
tegen
Bank Saderat Iran
„Hogere voorziening — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Bestrijding van nucleaire proliferatie — Beperkende maatregelen ten aanzien van de Islamitische Republiek Iran — Bevriezing van de tegoeden van een Iraanse bank — Motiveringsplicht — Procedure voor de vaststelling van de handeling — Kennelijk onjuiste beoordeling”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 21 april 2016
Beroep tot nietigverklaring – Voorwaarden voor ontvankelijkheid – Procesbelang – Natuurlijke personen of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Beroep tegen een handeling tot invoering van beperkende maatregelen jegens de verzoeker – Gouvernementele organisatie die zich beroept op de aan de grondrechten verbonden bescherming en waarborgen – Vraag die geen betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het middel, maar op de gegrondheid ervan
(Art. 263, vierde alinea, VWEU en 275, tweede alinea, VWEU)
Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beoordeling van de motiveringsplicht aan de hand van de omstandigheden van het geval – Noodzaak om alle relevante feitelijke en juridische elementen te vermelden – Geen
(Art. 296 VWEU)
Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beperkende maatregelen tegen Iran – Bevriezing van de tegoeden van personen, entiteiten of lichamen die zich bezighouden met of medewerking verlenen aan nucleaire proliferatie – Minimumvereisten
(Art. 296 VWEU; besluiten 2010/413/GBVB, 2010/644/GBVB en 2011/783/GBVB van de Raad; verordeningen nr. 423/2007, nr. 668/2010, nr. 961/2010, nr. 1245/2011 en nr. 267/2012 van de Raad)
Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen tegen Iran – Bevriezing van tegoeden – Vaststellingsprocedure – Verplichtingen van de Raad – Onderzoek van de door de lidstaten of de hoge vertegenwoordiger verstrekte gegevens om plaatsing op een lijst te rechtvaardigen – Geen
(Besluit 2010/413/GBVB van de Raad; verordeningen nr. 423/2007 en nr. 668/2010 van de Raad)
Europese Unie – Rechterlijk toezicht op de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen – Beperkende maatregelen tegen Iran – Omvang van het toezicht
(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47; besluiten 2010/413/GBVB, 2010/644/GBVB en 2011/783/GBVB van de Raad; verordeningen nr. 423/2007, nr. 668/2010, nr. 961/2010, nr. 1245/2011 en nr. 267/2012 van de Raad)
Hogere voorziening – Middelen – Middel dat voor het eerst wordt aangevoerd in hogere voorziening – Niet-ontvankelijkheid
Hogere voorziening – Middelen – Vordering tot vervanging van rechtsoverwegingen – Niet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 169, lid 1, en 178, lid 1)
Beroep tot nietigverklaring – Arrest houdende nietigverklaring – Gevolgen – Gedeeltelijke nietigverklaring van een verordening tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen Iran – Intreding van de nietigverklaring van de verordening vanaf het verstrijken van de termijn voor hogere voorziening of vanaf de afwijzing van de hogere voorziening
(Art. 263, vierde alinea, VWEU, 275, tweede alinea, VWEU, 280 VWEU en 288 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 60; verordening nr. 267/2012 van de Raad, art. 51, tweede alinea, en bijlage IX)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 46‑49)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 70, 71)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 72)
Wanneer op het vlak van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voor de Unierechter geen van de in artikel 263 VWEU neergelegde gronden tot nietigverklaring wordt aangetoond, geeft deze rechter blijk van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Raad bij de vaststelling van een eerste handeling tot vaststelling van beperkende maatregelen jegens vermoedelijk bij nucleaire proliferatie betrokken entiteiten de relevantie en gegrondheid moet onderzoeken van de inlichtingen en bewijzen die hem zijn verstrekt door een lidstaat of door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.
(cf. punt 84)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 98‑100)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 102)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 114, 115)
Volgens artikel 60, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie heeft het verzoek om hogere voorziening geen opschortende werking. In de tweede alinea van dit artikel is evenwel bepaald dat in afwijking van artikel 280 VWEU beslissingen van het Gerecht waarbij een verordening nietig is verklaard, eerst in werking treden na afloop van de termijn waarbinnen hogere voorziening kan worden ingesteld of, indien binnen deze termijn hogere voorziening is ingesteld, nadat deze hogere voorziening is afgewezen.
Verordeningen waarbij de bevriezing van tegoeden van op een lijst geplaatste personen en entiteiten wordt opgelegd, vertonen zowel verwantschap met handelingen van algemene strekking, voor zover zij het een categorie van bepaalde adressaten algemeen en abstract verbieden om met name tegoeden en financiële middelen ter beschikking te stellen van de personen en entiteiten die met naam worden genoemd op de lijsten in de bijlagen daarbij, als met een bundel van individuele besluiten ten aanzien van deze personen en entiteiten
De individuele aard van deze handelingen maakt voor natuurlijke personen en rechtspersonen overeenkomstig de artikelen 275, tweede alinea, VWEU en 263, vierde alinea, VWEU de weg vrij naar de Unierechter.
De omstandigheid dat de personen en entiteiten die aan de bij de litigieuze verordening opgelegde beperkende maatregelen zijn onderworpen, met naam worden genoemd, waardoor zij rechtstreeks en individueel lijken te worden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, impliceert echter niet dat deze handeling geen algemene strekking heeft in de zin van artikel 288, tweede alinea, VWEU en niet als een verordening kan worden gekwalificeerd.
Verordening nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran, bijlage IX daarbij inbegrepen, heeft de aard van een verordening, aangezien artikel 51, tweede alinea, ervan, bepaalt dat deze in al haar onderdelen verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat, hetgeen overeenstemt met de gevolgen van een verordening zoals bepaald in artikel 288 VWEU.
(cf. punten 118‑121)