Zaak C‑107/13
FIRIN OOD
tegen
Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” – Veliko Tarnovo pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite
(verzoek van de Administrativen sad Veliko Tarnovo om een prejudiciële beslissing)
„Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde — Aftrek van voorbelasting — Vooruitbetalingen — Weigering om aftrek toe te staan — Fraude — Herziening van de aftrek wanneer de belastbare handeling niet wordt verricht — Voorwaarden”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 maart 2014
Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van het Hof – Grenzen – Kennelijk irrelevante vragen en hypothetische vragen gesteld in een context waarin een nuttig antwoord is uitgesloten – Vragen zonder verband met het voorwerp van het hoofdgeding
(Art. 267 VWEU)
Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Aftrek van voorbelasting – Weigering op grond van het achterwege blijven van de daadwerkelijke verrichting van de goederenlevering als gevolg van fraude en onregelmatigheden – Ontoelaatbaarheid – Grenzen – Toetsing door de nationale rechterlijke instantie
(Richtlijn 2006/112 van de Raad)
Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Aftrek van voorbelasting – Herziening van de aanvankelijk toegepaste aftrek – Doel
(Richtlijn 2006/112 van de Raad)
Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Aftrek van voorbelasting – Herziening van de aanvankelijk toegepaste aftrek – Verplichting voor de lidstaten om herziening te eisen voor een vooruitbetaling wanneer het goed niet wordt geleverd – Leverancier die de belasting moet betalen en de vooruitbetaling niet heeft terugbetaald – Geen invloed
(Richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 65, 90, lid 1, 168, sub a, 185, lid 1, en 193)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 29‑32)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 40‑46)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 50)
De artikelen 65, 90, lid 1, 168, sub a, 185, lid 1, en 193 van richtlijn 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij vereisen dat de aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde door de ontvanger van een factuur die is opgesteld met het oog op de vooruitbetaling voor de levering van goederen, wordt herzien wanneer die levering uiteindelijk niet plaatsvindt, ook al zou de leverancier die belasting nog steeds moeten betalen en de vooruitbetaling niet hebben terugbetaald.
Met betrekking tot de behandeling van belasting over de toegevoegde waarde die ten onrechte is gefactureerd omdat een belastbare handeling ontbreekt, volgt immers uit bovengenoemde richtlijn dat de twee betrokken marktdeelnemers niet noodzakelijkerwijs op dezelfde wijze worden behandeld. Enerzijds is de opsteller van een factuur de op deze factuur vermelde belasting volgens artikel 203 van die richtlijn verschuldigd, zelfs wanneer een belastbare handeling ontbreekt. Anderzijds geldt het recht op aftrek van de ontvanger van een factuur volgens de artikelen 63 en 167 van deze richtlijn uitsluitend voor belastingen die betrekking hebben op aan de die belasting onderworpen handelingen.
In dat verband wordt in een dergelijke situatie eerbiediging van het beginsel van fiscale neutraliteit gewaarborgd door de mogelijkheid, waarin de lidstaten moeten voorzien, om ten onrechte gefactureerde belasting te herzien wanneer de opsteller van de factuur het bewijs van zijn goede trouw levert of tijdig het gevaar voor verlies van belastinginkomsten geheel heeft uitgeschakeld.
In die omstandigheden, en onverminderd het recht van de belastingplichtige om met gebruikmaking van de relevante nationale rechtsmiddelen te verkrijgen dat zijn leverancier de vooruitbetaling voor de uiteindelijk niet verrichte levering van goederen terugbetaalt, is de omstandigheid dat de door die leverancier verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde zelf niet is herzien, bijgevolg niet van invloed op het recht van de belastingadministratie om de terugbetaling te eisen van voornoemde belasting welke die belastingplichtige heeft afgetrokken uit hoofde van de vooruitbetaling voor een dergelijke levering.
(cf. punten 54, 55, 57, 58 en dictum)