Conclusie van de advocaat generaal
1. In het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing gaat het om de uitlegging van verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van verordening (EG) nr. 1255/97.(2)
2. Dit prejudiciële verzoek vindt plaats in het kader van een geschil tussen Zuchtvieh‑Export GmbH (hierna: „Zuchtvieh‑Export”) en Stadt Kempten (Kempten, Duitsland) over de weigering van laatstgenoemde, als bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek, om een wegtransport van een partij runderen van Kempten naar Andizan (Oezbekistan) te laten vertrekken.
3. Verordening nr. 1/2005 verplicht de organisator van een lang transport om aan de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek een journaal voor te leggen, waarvan afdeling 1 een planning van het voorgenomen transport dient te bevatten. Deze planning dient onder andere rust‑ en overlaadplaatsen alsmede plaatsen van uitgang te vermelden. In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of met betrekking tot het deel van het transport dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, de organisator van dit transport wel of niet moet voldoen aan de in bijlage I, hoofdstuk V, van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften inzake de transport‑ en rusttijden.
4. In deze conclusie zal ik het Hof in overweging geven te verklaren dat verordening nr. 1/2005 aldus moet worden uitgelegd dat zij de organisator van een lang transport naar een derde land niet verplicht om in afdeling 1, punt 6, van het journaal inlichtingen op te nemen met betrekking tot transport‑ en rusttijden overeenkomstig de in bijlage I, hoofdstuk V, van deze verordening opgenomen voorschriften, dan wel overeenkomstig de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op het vervoer van dieren bedoeld in artikel 3 van deze verordening, wat het deel van het transport betreft dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming.
5. Mijns inziens volgt hieruit dat artikel 14, lid 1, onder a), ii) en c), van verordening nr. 1/2005 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de afstempeling van het journaal niet kan weigeren op grond dat de hierin opgenomen inlichtingen die betrekking hebben op het deel van het transport dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, noch aan de in bijlage I, hoofdstuk V, van deze verordening opgenomen voorschriften, noch aan de in artikel 3 van deze verordening bedoelde algemene voorwaarden die van toepassing zijn op het vervoer van dieren, voldoen.
I – Toepasselijke bepalingen
6. De voor de onderhavige prejudiciële verwijzing wezenlijke bepalingen van verordening nr. 1/2005 zijn de volgende.
7. Artikel 1, lid 1, van deze verordening omschrijft de werkingssfeer ervan als volgt:
„Deze verordening is van toepassing op het vervoer van levende gewervelde dieren binnen de Gemeenschap, alsmede op de door ambtenaren te verrichten speciale controles op partijen dieren die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten.”
8. Artikel 2 van verordening nr. 1/2005 bevat onder andere de volgende definities:
„d) ‚grensinspectiepost’: iedere inspectiepost die overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 91/496/EEG aangewezen en erkend is voor de uitvoering van de veterinaire controles op dieren die uit derde landen aan de grens van het grondgebied van de Gemeenschap aankomen;
[...]
f) ‚bevoegde autoriteit’: de centrale autoriteit van een lidstaat die bevoegd is voor de uitvoering van controles op het dierenwelzijn alsmede iedere autoriteit waaraan die bevoegdheid is overgedragen;
[...]
h) ‚controleposten’: controleposten zoals bedoeld in verordening (EG) nr. 1255/97;
i) ‚plaats van uitgang’: een grensinspectiepost of andere door een lidstaat aangewezen plaats waar dieren het douanegebied van de Gemeenschap verlaten;
j) ‚transport’: de gehele vervoersoperatie van de plaats van vertrek tot de plaats van bestemming, met inbegrip van het lossen, het stallen en het laden tijdens tussenstops;
[...]
m) ‚lang transport’: een transport van meer dan 8 uur, gerekend vanaf het tijdstip waarop het eerste dier van de partij verplaatst wordt;
[...]
s) ‚plaats van bestemming’: de plaats waar een dier uit een vervoermiddel geladen wordt en:
i) gedurende ten minste 48 uur voor het vertrek gestald wordt, of
ii) geslacht wordt;
t) ‚overlaadplaats’: elke halteplaats tijdens de reis die niet een plaats van bestemming is, met inbegrip van een plaats waar de dieren, na al dan niet gelost te zijn, op een ander vervoermiddel overgaan;
[...]
w) ‚vervoer’: de verplaatsing van dieren met behulp van een of meer vervoermiddelen en de daarmee samenhangende activiteiten, zoals laden, lossen, overladen en rusten, tot aan het moment waarop alle dieren op de plaats van bestemming zijn uitgeladen;
[...]”
9. Artikel 3 van verordening nr. 1/2005 draagt het kopje „Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren” en luidt als volgt:
„Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.
Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
a) vooraf zijn alle nodige voorzieningen getroffen om de duur van het transport tot een minimum te beperken en tijdens het transport in de behoeften van de dieren te voorzien;
b) de dieren zijn geschikt voor het voorgenomen transport;
[...]
f) het transport wordt zonder oponthoud tot de plaats van bestemming uitgevoerd, en de omstandigheden voor het welzijn van de dieren worden regelmatig gecontroleerd en naar behoren in stand gehouden;
[...]
h) de dieren krijgen op gezette tijden water, voeder en rust, in kwaliteit en in kwantiteit afgestemd op hun soort en grootte.”
10. Artikel 5 van verordening nr. 1/2005 heeft als opschrift „Verplichtingen inzake de planning van het vervoer van dieren” en bepaalt in lid 4 ervan dat „[v]oor lange transporten tussen de lidstaten en met derde landen van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, met uitzondering van geregistreerde eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens [...] de vervoerders en organisatoren [moeten] voldoen aan de in bijlage II opgenomen voorschriften inzake het journaal”.
11. Artikel 14 van verordening nr. 1/2005 heeft als opschrift „Door de bevoegde autoriteit in verband met het journaal vóór lange transporten te verrichten controles en andere te nemen maatregelen”. Lid 1 ervan luidt als volgt:
„In geval van lange transporten tussen lidstaten en met derde landen van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens dient de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek:
a) passende controles uit te voeren teneinde na te gaan of:
i) de in het journaal vermelde vervoerders in het bezit zijn van de vereiste vergunningen voor vervoerders, geldige certificaten van goedkeuring voor vervoermiddelen voor lange transporten en geldige getuigschriften van vakbekwaamheid voor bestuurders en verzorgers;
ii) het door de organisator overgelegde journaal realistisch is en blijk geeft van naleving van deze verordening;
b) indien de resultaten van de onder a) bedoelde controles niet bevredigend zijn, van de organisator te verlangen dat hij de organisatie van het voorgenomen lange transport zodanig wijzigt dat het voldoet aan deze verordening;
c) indien het resultaat van de controles volgens a bevredigend is, het journaal af te stempelen;
d) zo spoedig mogelijk de in het journaal vermelde gegevens van het voorgenomen lange transport door te sturen aan de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming, de plaats van uitgang of de controlepost via het in artikel 20 van richtlijn 90/425/EEG bedoelde systeem voor de uitwisseling van gegevens.”
12. Artikel 15 van verordening nr. 1/2005 bepaalt, onder het kopje „Door de bevoegde autoriteit in elk stadium van een lang transport te verrichten controles”, in lid 1 ervan dat „[d]e bevoegde autoriteit [...] in elk stadium van een lang transport steekproeven of gerichte controles uit[voert] om na te gaan of de opgegeven transporttijden realistisch zijn, of het transport aan deze verordening voldoet, en met name of de reis‑ en rusttijden in overeenstemming zijn met de in bijlage I, hoofdstuk V, vastgestelde limieten”.
13. Artikel 21 van verordening nr. 1/2005 heeft betrekking op „Controles op plaatsen van uitgang en grensinspectieposten” en luidt als volgt:
„1. [...] [D]e officiële dierenartsen van de lidstaten [controleren] of de dieren [die op plaatsen van uitgang of grensinspectieposten worden aangeboden] conform deze verordening worden vervoerd en met name of:
a) de vervoerder een kopie van een geldige vergunning [...] heeft overgelegd;
b) de bestuurder van een wegvoertuig dat als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens, dan wel pluimvee vervoert, en de verzorger een geldig getuigschrift van vakbekwaamheid [...] hebben overgelegd;
c) de conditie van de dieren goed genoeg is om hun reis voort te zetten;
d) het vervoermiddel waarmee de dieren hun reis zullen voortzetten, voldoet aan bijlage I, hoofdstuk II en, indien van toepassing, hoofdstuk VI;
e) in het geval van uitvoer de vervoerder heeft aangetoond dat het transport van de plaats van vertrek tot de eerste losplaats in het land van eindbestemming in overeenstemming is met de in bijlage V opgenomen internationale overeenkomsten die in de betrokken derde landen van toepassing zijn;
f) de als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens een lang transport hebben ondergaan, dan wel nog moeten ondergaan.
2. Bij lange transporten van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens verrichten de officiële dierenartsen van de plaatsen van uitgang en grensinspectieposten de in bijlage II, Journaal, afdeling 3 (‚Plaats van bestemming’) vermelde controles, en tekenen zij de resultaten daarvan op. De resultaten van die controles en van de in lid 1 bedoelde controle worden door de bevoegde autoriteit bewaard gedurende ten minste drie jaar na de datum van de controles [...].
3. Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de dieren niet in staat zijn om de reis te voltooien, moeten zij uitgeladen, gedrenkt en gevoederd worden, en rust krijgen.”
14. Bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 bevat regelingen met betrekking tot de tussenpozen voor het drenken en het voederen, alsmede transport‑ en rusttijden. Overeenkomstig de punten 1.4, onder d), en 1.5, van dit hoofdstuk moeten runderen gedurende een lang transport na een transporttijd van 14 uur ten minste 1 uur rust krijgen, waarin zij moeten worden gedrenkt en zo nodig gevoederd. Na deze rusttijd kunnen zij opnieuw gedurende ten hoogste 14 uur worden vervoerd, waarna zij moeten worden uitgeladen, gevoederd en gedrenkt, en een rusttijd van ten minste 24 uur moeten krijgen.
15. Bijlage II bij deze verordening bevat bepalingen met betrekking tot het journaal dat ingevolge artikel 5, lid 4, van de verordening voor lange transporten tussen de lidstaten en van en naar derde landen door vervoerders en organisatoren moet worden bijgehouden. Dit journaal dient vijf afdelingen te omvatten die betrekking hebben op respectievelijk de planning van het transport, de plaats van vertrek, de plaats van bestemming, de verklaring van de vervoerder met betrekking tot, in de eerste plaats, de feitelijke route, rustplaatsen, overlaadplaatsen en plaatsen van uitgang, alsmede, in de tweede plaats, het aantal verwonde of dode dieren tijdens het transport en eventuele onregelmatigheden. Deze bijlage bevat onder andere de volgende bepalingen:
– punt 3, onder e): „[D]e organisator dient [...] ervoor te zorgen dat het journaal de dieren gedurende het transport begeleidt tot aan de plaats van bestemming of, in geval van uitvoer naar een derde land, ten minste tot aan de plaats van uitgang”;
– punt 4: „De houders op de plaats van vertrek en, wanneer de plaats van bestemming op het grondgebied van de Gemeenschap is gelegen, de houders op de plaats van bestemming moeten de desbetreffende afdelingen van het journaal invullen en ondertekenen. Zij stellen de bevoegde autoriteit aan de hand van het model in afdeling [5] zo spoedig mogelijk in kennis van een eventueel voorbehoud ten aanzien van de naleving van de bepalingen van deze verordening”;
– punt 7: „Indien dieren naar een derde land worden uitgevoerd, moeten de vervoerders het journaal aan de officiële dierenarts op de plaats van uitgang overhandigen. Bij de uitvoer van levende runderen met uitvoerrestitutie, hoeft afdeling 3 van het journaal niet te worden ingevuld als de landbouwwetgeving een verslag voorschrijft”;
– punt 8: „De vervoerder die vermeld wordt in afdeling 3 van het journaal dient: a) een kopie van het journaal te bewaren; [...]. De [...] bedoelde documenten moeten binnen één maand na invulling worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit die de vervoersvergunning heeft afgegeven, en desgevraagd aan de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek, en moeten door de vervoerder tot ten minste drie jaar na de controledatum worden bewaard. Het onder a) bedoelde document wordt binnen een maand na het transport naar de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek gezonden, tenzij er gebruikgemaakt is van de in artikel 6, lid 9, bedoelde systemen. [...]”
16. Het aanhangsel bij bijlage II bij verordening nr. 1/2005 bevat telkens een model van de verschillende afdelingen van het journaal.
II – Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17. Zuchtvieh‑Export heeft twee vrachtwagens gecharterd voor een transport van 62 runderen van Kempten naar Andizan via Polen, Wit‑Rusland, Rusland en Kazachstan, een traject van zo’n 7 000 km. Dit transport zou aanvankelijk plaatsvinden van 23 april 2012 tot 2 mei 2012. Het ging hierbij om een uitvoer zonder aanvraag voor uitvoerrestitutie.
18. Het bij het verzoek tot uitklaring overgelegde journaal vermeldde in afdeling 1, punt 6, ervan als in derde landen gelegen rust‑ of overlaadplaatsen slechts de plaatsen Brest (Wit‑Rusland) en Karaganda (Kazachstan), die respectievelijk op 24 april 2012 om 13.00 uur en 30 april 2012 om 15.00 uur zouden moeten zijn bereikt, waarbij in beide plaatsen rustpauzen van 24 uur waren gepland. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat op het traject tussen Brest en Karaganda rustpauzen waren gepland waarbij de dieren water en voer zouden krijgen, maar niet zouden worden uitgeladen. Het laatste deel van het traject, tussen Karaganda en Andizan, zou nog eens 29 uur vergen.
19. Stadt Kempten heeft bij besluit van 30 januari 2012 geweigerd het rundertransport te laten vertrekken en gelast de planning ervan zo te wijzigen dat voor het vervoer door de betrokken derde landen, dat wil zeggen het traject tussen Brest en Andizan, eveneens zou worden voldaan aan de voorschriften van verordening nr. 1/2005, hetgeen blijkens de in afdeling 1 van het journaal opgenomen planning niet het geval zou zijn geweest.
20. Naast een vruchteloos gebleven kortgedingprocedure heeft Zuchtvieh‑Export een bodemprocedure ingeleid tegen het bovengenoemde besluit, waarvan het hoger beroep thans bij het Bayerische Verwaltungsgerichtshof (administratief gerechtshof van Beieren, Duitsland) aanhangig is. In het kader hiervan verzoekt Zuchtvieh‑Export met name het besluit van Stadt Kempten van 30 januari 2012 onrechtmatig te verklaren en laatstgenoemde te verplichten het litigieuze rundertransport te laten vertrekken.
21. Voor de verwijzende rechter verschillen de partijen in het hoofdgeding van mening over de vraag of, in het geval van een transport dat op het grondgebied van de Unie begint maar daarbuiten eindigt, verordening nr. 1/2005 – en in het bijzonder artikel 14, lid 1, ervan – ook van toepassing is op het deel van dit transport dat op het grondgebied van een of verschillende derde landen plaatsvindt.
22. De verwijzende rechter is van mening dat ingevolge artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1/2005 de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek het journaal bij transporten waarbij de plaats van vertrek binnen de Europese Unie maar de plaats van bestemming in een derde land ligt, slechts dan mag afstempelen wanneer uit haar controles blijkt dat ook buiten het grondgebied van de Europese Unie aan de voorschriften van de verordening wordt voldaan. In dit verband verwijst hij, in de eerste plaats, evenwel zonder verdere toelichting, naar de artikelen 1, 3, 5 en 21, lid 1, onder e), van deze verordening en, in de tweede plaats en in hoofdzaak, naar het aanhangsel bij bijlage II bij verordening nr. 1/2005, waarin het model van de verschillende afdelingen van het journaal is opgenomen, en in het bijzonder naar afdeling 1 die betrekking heeft op de planning van het transport en dienaangaande gegevens zou moeten bevatten:
– de punten 2 tot en met 4 ervan (verwachte totale duur, plaats en tijdstip van vertrek, plaats van bestemming en tijdstip van aankomst), juncto de in artikel 2, onder j), van verordening nr. 1/2005 opgenomen definitie van het begrip „transport” ingevolge waarvan voor de gehele duur van het transport gegevens zouden moeten worden verstrekt;
– de verklaring van de organisator (afdeling 1, punt 7) dat hij „gepaste maatregelen heeft genomen om gedurende het hele vervoer het welzijn van de dieren volgens de maatstaven van [deze] verordening te beschermen”.
23. De verwijzende rechter wijst er verder op dat hoewel het journaal bij uitvoer naar een derde land door de vervoerder aan de officiële dierenarts op de plaats van uitgang moet worden overhandigd (bijlage II, punt 7, bij de verordening), punt 8 van bijlage II voorschrijft dat de vervoerder een kopie van het ingevuld journaal moet bewaren en deze terug moet zenden naar de autoriteit van de plaats van vertrek.
24. De verwijzende rechter is van mening dat het door Zuchtvieh‑Export overgelegde journaal voor de delen van het traject in de derde landen geen „realistische gegevens” in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005 bevat. Op basis van de in dit journaal verstrekte gegevens zou daarom de conclusie niet kunnen luiden dat het voorgenomen transport voldoet aan de voorschriften van de verordening.
25. Dienaangaande volstaat het volgens de verwijzende rechter niet dat Zuchtvieh‑Export beweert dat voor de delen van het traject buiten de Europese Unie aan de relevante bepalingen van de derde landen waardoorheen het traject loopt en aan de in die landen geldende internationale regels is voldaan, wanneer hiervan niet op enigerlei wijze in het journaal blijk wordt gegeven. In het onderhavige geval zou een dergelijke vermelding ontbreken. Afdeling 1 van het journaal zou namelijk voor de delen van het transport dat in de derde landen plaatsvindt geen „realistische gegevens” bevatten in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005, aangezien hierin niets zou zijn opgenomen over rustplaatsen gedurende zowel het vervoer tussen Brest en Karaganda, alsook tussen de laatstgenoemde plaats en Andizan, zijnde de plaats van eindbestemming. De afstempeling van het journaal door de autoriteit van de plaats van vertrek zou voor het overige de indruk wekken dat het totale transport, dus de gehele vervoersoperatie van de plaats van vertrek tot aan de plaats van bestemming, de volledige goedkeuring van de autoriteiten heeft gekregen. Dit zou volgens de verwijzende rechter ook met het oog op de autoriteiten van de derde landen niet gepast zijn.
26. Zuchtvieh‑Export daarentegen betoogt dat de goedkeuring van de planning in het kader van de ingevolge artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1/2005 door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek uit te voeren controles enkel betrekking heeft op het deel van het transport waarop de verordening ratione loci van toepassing is. Uit verschillende bepalingen van de verordening, waaronder artikel 21, lid 1, onder e), ervan met betrekking tot controles op plaatsen van uitgang en grensinspectieposten, zou blijken dat het hiermee in het leven geroepen stelsel zich niet tot over de grenzen van de Unie uitstrekt.
27. Zuchtvieh‑Export betoogt verder dat de toepasselijkheid van de voorschriften van verordening nr. 1/2005 – in het bijzonder die van bijlage I, hoofdstuk V, met betrekking tot de tussenpozen voor het drenken en het voederen, alsmede transport‑ en rusttijden – buiten het grondgebied van de Unie niet realistisch en contraproductief zou zijn; wat de rusttijden voor de vervoerde dieren betreft zouden in derde landen nauwelijks voldoende hygiënische en technisch veilige stallen voorhanden zijn, zodat een groot gevaar bestaat voor verwonding van de dieren en verspreiding van besmettelijke ziekten. De voorschriften van de verordening zouden namelijk onlosmakelijk verbonden zijn met de kwaliteit van de infrastructuur voor diertransporten op het grondgebied van de Unie, zoals de op dit grondgebied gevestigde controleposten (die rustplaatsen zijn), waaraan artikel 36 van verordening nr. 1/2005 technische en sanitaire eisen zou stellen.
28. Bovendien zou het feit dat de voorschriften van verordening nr. 1/2005 materieel gezien niet noodzakelijkerwijs altijd en overal van toepassing zijn, blijken uit artikel 30, lid 6, ervan ingevolge waarvan voor lange transporten afwijkingen zouden worden toegestaan om rekening te houden met het feit dat bepaalde regio’s ver van het continentaal grondgebied van de Unie liggen.
29. Voorts zou uit het opschrift van punt 6 van afdeling 1 van het model van het journaal („Lijst van geplande rustplaatsen, overlaadplaatsen en plaatsen van uitgang”) blijken dat de organisator van het transport niet gehouden is om alle rustplaatsen te vermelden. Door de geografische gesteldheid van het traject zou het trouwens niet altijd mogelijk zijn om van tevoren te bepalen waar wordt gerust.
30. Voorts zouden deze voorschriften in strijd kunnen zijn met de in de betrokken derde landen geldende regels, zoals die in de Russische Federatie waar de autoriteiten het uitladen van dieren tijdens rusttijden standaard verbieden.
31. Tot slot zou het territorialiteitsbeginsel pleiten voor een beperking van de toepassing van verordening nr. 1/2005 tot het grondgebied van de Unie.
32. De verweerster in het hoofdgeding en de Landesanwaltschaft Bayern (parket van de deelstaat Beieren) brengen hiertegen in dat het ontbreken van rustplaatsen buiten het grondgebied van de Unie de vervoerders niet ontslaat van de verplichtingen die verordening nr. 1/2005 hun dienaangaande oplegt. In het bijzonder zou het feit dat de dieren gedurende de rusttijden niet worden uitgeladen ertoe leiden dat de laadruimten niet worden schoongemaakt, dat geen garantie bestaat dat alle dieren worden gedrenkt en dat niet bij alle dieren de gezondheidstoestand kan worden vastgesteld. Gelet op punt 5 van de considerans van deze verordening, waarin staat dat met het oog op het dierenwelzijn het lang vervoeren van dieren, met inbegrip van slachtdieren, zoveel mogelijk moet worden beperkt, moet daarom worden overwogen om bepaalde transporten te verbieden zolang de logistieke voorwaarden van het voorgenomen transport niet voldoen aan de geldende voorschriften.
33. In die omstandigheden heeft het Bayerische Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moet artikel 14, lid 1, van verordening [nr. 1/2005] aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek bij lang vervoer van als huisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens, waarbij de plaats van vertrek in een lidstaat [...] ligt, maar de plaats van bestemming in een derde land, het door de organisator [van het vervoer] overgelegde journaal overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder c), slechts dan moet afstempelen, wanneer het journaal voldoet aan de vereisten van artikel 14, lid 1, onder a), ii), voor het gehele traject tussen de plaats van vertrek en die van bestemming, dus ook voor de geheel buiten het grondgebied van de [...] Unie gelegen delen van het traject?
2) Moet artikel 14, lid 1, van verordening [nr. 1/2005] aldus worden uitgelegd dat de krachtens deze bepaling bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de organisator van het vervoer overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder b), van [deze] verordening kan verplichten om de organisatie van het lange vervoer zo te wijzigen dat de voorschriften van de verordening voor het gehele traject vanaf de plaats van vertrek tot aan de plaats van bestemming worden nageleefd, ook als bepaalde delen van het traject uitsluitend in derde landen liggen?”
III – Beoordeling
34. De verwijzende rechter wenst met zijn prejudiciële vragen in wezen te vernemen, of artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1/2005 aldus moet worden uitgelegd dat een lang transport vanuit een lidstaat naar een derde land moet voldoen aan deze verordening en in het bijzonder aan de voorschriften van bijlage I, hoofdstuk V, ervan met betrekking tot met name transport‑ en rusttijden, inclusief het deel van dit transport dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, en bijgevolg enkel kan worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek wanneer bij de planning ervan aan deze voorschriften is voldaan.
35. De verwijzende rechter werpt hiermee de vraag op, of de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek terecht de afstempeling van een journaal mag weigeren, omdat zij, gelet op de hierin opgenomen vermeldingen met betrekking tot het deel van het transport dat buiten het grondgebied van Unie plaatsvindt, van mening is dat dit journaal geen realistische gegevens in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005 bevat en dus niet voldoet aan de voorschriften van de verordening.
36. Het journaal, waarvan het model is opgenomen in bijlage II bij verordening nr. 1/2005, dient de bevoegde autoriteiten de inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn om na te gaan of voldaan is aan de voorschriften die verordening nr. 1/2005 aan lange transporten verbindt. Vóór het inladen van de dieren moet de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de in het journaal opgenomen verklaringen met betrekking tot de planning van het transport controleren en, indien het resultaat van de controles bevredigend is, het journaal afstempelen. Deze inlichtingen vormen de basis voor de officiële controles die kunnen plaatsvinden tijdens het daadwerkelijke transport, dat wil zeggen tijdens het inladen, tijdens het transport of bij aankomst op de plaats van bestemming.
37. De vóór vertrek te verrichten controles hebben betrekking op de aanwezigheid en de geldigheid van de vereiste vergunningen en certificaten (vervoerders, vervoermiddelen en bestuurders), de inachtneming van de naargelang de opgegeven diercategorie voorgeschreven minimale ruimte per dier tijdens het transport, alsmede de bijzonderheden van de geplande route, rekening houdend met de naargelang de betrokken diercategorie voorgeschreven rusttijden, de te overbruggen afstand en de waarschijnlijke duur van de activiteiten gedurende de verschillende stadia van het transport.
38. Voorts kunnen gedurende elk stadium van een lang transport controles plaatsvinden. Deze door artikel 15 van verordening nr. 1/2005 voorgeschreven controles hebben met name betrekking op de inachtneming van de in afdeling 1 van het journaal opgenomen planning.
39. De in afdeling 1 van het journaal („Planning”) opgenomen verklaringen, waar het in deze zaak om gaat, zijn bedoeld om te worden vergeleken met die in de afdelingen 2 („Plaats van vertrek”), 3 („Plaats van bestemming”), 4 („Verklaring van de vervoerder”) en, in voorkomend geval, 5 („Modelformulier voor het melden van onregelmatigheden”). De afdelingen 2 tot en met 5 van het journaal worden dus naargelang het transport vordert geleidelijk vervolledigd, waarbij een kopie van dit journaal vervolgens naar de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek wordt gezonden.
40. Er zij nu reeds op gewezen dat dierentransporten naar of vanuit derde landen aan specifieke controles worden onderworpen, respectievelijk bij de plaatsen van uitgang en de grensinspectieposten van de Unie.
41. Dit algemene controleschema dat op lange transporten van toepassing is, moet bij de behandeling van de onderhavige prejudiciële verwijzing in gedachten worden gehouden.
42. Om de vragen van de verwijzende rechter te kunnen beantwoorden, moet worden nagegaan wat de omvang is van de informatie met betrekking tot transport‑ en rusttijden die de organisator van een lang transport in het journaal moet opnemen. De bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek moet namelijk vooral in het licht van deze informatie krachtens artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005 bepalen of het overgelegde journaal al dan niet realistisch is in de zin van laatstgenoemd voorschrift en kunnen beoordelen of het transport voldoet aan deze verordening.
43. Volgens Stadt Kempten, de Landesanwaltschaft Bayern en de Republiek Litouwen moet het journaal nadere inlichtingen verschaffen over het deel van het traject tussen de plaats waarop het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, en zulks op een wijze die voldoet aan de in bijlage I, hoofdstuk V, punten 1.4, onder d), en 1.5, van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften met betrekking tot transport‑ en rusttijden. Wat de runderen betreft waar het in het litigieuze transport om gaat, betekent dit concreet dat de dieren na 14 uur te zijn vervoerd voldoende rust moeten krijgen (ten minste 1 uur), met name om ze te drenken en, indien nodig, te voeren. Na deze rusttijd kunnen zij opnieuw gedurende 14 uur worden vervoerd. Na de vastgestelde transporttijd moeten de dieren worden uitgeladen, gevoederd en gedrenkt, en moeten zij een rusttijd van ten minste 24 uur krijgen.
44. Zuchtvieh‑Export zou hebben verzuimd om met inachtneming van deze regels het deel van het traject tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van de eindbestemming te plannen.
45. Mijns inziens is dit verwijt niet gegrond.
46. Uit artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005 blijkt namelijk duidelijk dat de vóór het transport door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek uit te voeren controles betrekking hebben op de naleving van de verordening. Bijgevolg moet worden nagegaan wat de werkingssfeer van deze verordening is.
47. Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1/2005 laat dienaangaande geen ruimte voor twijfel. Uit deze bepaling blijkt duidelijk dat de verordening „van toepassing [is] op het vervoer van levende gewervelde dieren binnen de Gemeenschap , alsmede op de door ambtenaren te verrichten speciale controles op partijen dieren die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten”.(3)
48. De door de Uniewetgever gehanteerde formulering houdt mijns inziens in dat de in deze verordening opgenomen voorschriften en de hieraan verbonden controles enkel van toepassing zijn op het deel van het vervoer van dieren dat op het grondgebied van de Unie plaatsvindt. Hieronder vallen ook de specifieke controles van vrachten die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten, hetgeen logisch is in het licht van het feit dat wanneer deze controles worden uitgevoerd het dierentransport zich op het grondgebied van de Unie bevindt en dus, ongeacht de herkomst of bestemming ervan, moet voldoen aan de door verordening nr. 1/2005 vastgestelde voorschriften.
49. Gelet op de ondubbelzinnige definitie van de werkingssfeer van verordening nr. 1/2005 zoals opgenomen in artikel 1, lid 1, ervan, kan niet worden betoogd dat de door de Uniewetgever in artikel 14, lid 1, van deze verordening gehanteerde formulering ter aanduiding van lange transporten die moeten worden gecontroleerd door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek, pleit voor een verplichting van de organisator van dergelijke transporten tot naleving van de in bijlage I, hoofdstuk V, van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften met betrekking tot transport‑ en rusttijden voor het deel van het transport dat tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en een derde land plaatsvindt.
50. Ik herinner eraan dat ingevolge artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1/2005 de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek vóór het vertrek een aantal controles dient uit te voeren „[i]n geval van lange transporten tussen lidstaten en met derde landen van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens”.
51. Deze omschrijving van lange transporten, waarvan de overeenstemming met de in verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften moet worden gecontroleerd door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek, betekent niet dat, in geval van transport van dieren naar derde landen, deze controle niet alleen betrekking moet hebben op het deel van het transport binnen de Unie, maar ook op het deel van het transport dat tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van bestemming plaatsvindt.
52. Deze precisering beoogt namelijk enkel te verduidelijken dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek alle lange transporten vooraf controleert, ongeacht of deze enkel tussen de lidstaten van de Unie plaatsvinden, dan wel afkomstig zijn uit of bestemd zijn voor derde landen.(4) Een dergelijke formulering maakt het mogelijk om alle lange transporten onder de door verordening nr. 1/2005 vastgestelde voorschriften te laten vallen, los van de vraag of deze transporten geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van de Unie plaatsvinden.
53. Gelet op zowel de werkingssfeer ratione loci van verordening nr. 1/2005, zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 1, ervan, als het feit dat de door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek uit te voeren controles bedoeld zijn om na te gaan of voldaan is aan de door deze verordening vastgestelde voorschriften, kan op de grondslag van artikel 14, lid 1, onder a), ii), van deze verordening niet van de organisator worden geëist dat hij voor het deel van het lange transport dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, in het journaal inlichtingen met betrekking tot transport‑ en rusttijden opneemt die in overeenstemming zijn met de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften.
54. Anders gezegd, het zou niet logisch zijn wanneer de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de organisator zou kunnen verwijten dat hij voor het deel van het traject dat tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en een derde land ligt niet overeenkomstig de in bijlage I, hoofdstuk V, van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften in het journaal heeft vermeld waar en met welke tussenpozen de dieren rust krijgen, terwijl, in de eerste plaats, de werkingssfeer van deze verordening is beperkt tot het grondgebied van de Unie en, in de tweede plaats, met de door deze autoriteit uit te voeren controle ingevolge artikel 14, lid 1, onder a), ii), van de verordening moet worden nagegaan of aan de door deze verordening vastgestelde voorschriften is voldaan.
55. Ik leid hieruit af dat de in afdeling 1, punt 6, van het journaal op te nemen „[l]ijst van geplande rustplaatsen, overlaadplaatsen en plaatsen van uitgang” enkel de vermelding van plaatsen op het grondgebied van de Unie vereist.
56. Bijgevolg moet artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005 mijns inziens aldus worden uitgelegd, dat krachtens dit voorschrift de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek enkel voor het deel van het transport dat tussen de plaats van vertrek en de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie plaatsvindt, mag nagaan of, met name wat de in bijlage I, hoofdstuk V, van deze verordening bedoelde transport‑ en rusttijden betreft, het door de organisator overgelegde journaal realistisch is en ervan blijk geeft dat het transport voor het deel ervan dat tussen de plaats van vertrek en de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie plaatsvindt, voldoet aan deze verordening.
57. Dat de definities van de begrippen „transport” en „vervoer”, opgenomen in respectievelijk artikel 2, onder j) en w), van verordening nr. 1/2005, het volledige transport tot en met het uitladen van de dieren op de plaats van bestemming aanduiden, zonder een onderscheid te maken naargelang de vraag of deze plaats zich op het grondgebied van de Unie bevindt, dan wel op dat van een derde land, kan niet worden aangevoerd ter verruiming van de werkingssfeer ratione loci van deze verordening. Integendeel, deze definities moeten worden gelezen in het licht van artikel 1, lid 1, van de verordening, zijnde het enige artikel dat de territoriale werkingssfeer van verordening nr. 1/2005 afbakent.
58. Verder blijkt ook uit andere voorschriften van deze verordening dat, wat de in artikel 14, lid 1, onder a), ii), van de verordening bedoelde voorafgaande controles betreft, de organisator geen met de in bijlage I, hoofdstuk V, van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften overeenstemmende inlichtingen hoeft te verstrekken met betrekking tot de planning van het transport, voor zover dit tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van bestemming plaatsvindt.
59. Dienaangaande herinner ik eraan dat in geval van lange transporten naar een derde land, er naast de door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek uitgevoerde controle nog andere controles worden uitgevoerd. Hierbij gaat het om, in de eerste plaats, de in artikel 15 van verordening nr. 1/2005 bedoelde controles, die in elk stadium van een transport op het grondgebied van de Unie kunnen plaatsvinden om met name na te gaan of de reis‑ en rusttijden in overeenstemming zijn met de in bijlage I, hoofdstuk V, van de verordening vastgestelde limieten. In de tweede plaats schrijft artikel 21 van deze verordening controles voor op plaatsen van uitgang van het grondgebied van de Unie.
60. Wat deze laatstgenoemde categorie controles betreft, bepaalt artikel 21, lid 1, van verordening nr. 1/2005 dat wanneer dieren op plaatsen van uitgang of grensinspectieposten worden aangeboden, de officiële dierenartsen van de lidstaten controleren of de dieren conform deze verordening worden vervoerd. In het kader van de controles op de plaatsen van uitgang wordt ook geverifieerd of, kort gezegd, de vervoerder beschikt over een geldige vergunning; de bestuurder een geldig getuigschrift van vakbekwaamheid kan overleggen; de conditie van de dieren goed genoeg is om hun reis voort te zetten; het vervoermiddel waarmee de dieren hun reis zullen voortzetten, voldoet aan bijlage I, hoofdstuk II en, indien van toepassing, hoofdstuk VI, van verordening nr. 1/2005, en de als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens een lang transport hebben ondergaan, dan wel nog moeten ondergaan.
61. Verder bepaalt artikel 21, lid 1, onder e), van verordening nr. 1/2005 dat de officiële dierenartsen van de lidstaten moeten nagaan of „in het geval van uitvoer de vervoerder heeft aangetoond dat het transport van de plaats van vertrek tot de eerste losplaats in het land van eindbestemming in overeenstemming is met de in bijlage V opgenomen internationale overeenkomsten die in de betrokken derde landen van toepassing zijn”. Laatstgenoemde bijlage vermeldt dienaangaande de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer.(5)
62. Mijns inziens rechtvaardigt artikel 21, lid 1, onder e), van verordening nr. 1/2005 de conclusie dat, in overeenstemming met de werkingssfeer ratione loci van verordening nr. 1/2005, zoals bepaald in artikel 1, lid 1, van deze verordening, het transport tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van bestemming niet door de in deze verordening opgenomen voorschriften wordt beheerst, maar, in voorkomend geval, door internationale overeenkomsten.
63. Verder blijkt mijns inziens uit verschillende voorschriften van verordening nr. 1/2005 dat in geval van een lang transport naar een derde land, het journaal enkel tot de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie volledig behoeft te zijn ingevuld.
64. Zo schrijft artikel 21, lid 2, van deze verordening met name voor dat bij dergelijke lange transporten „de officiële dierenartsen van de plaatsen van uitgang [...] de in bijlage II, Journaal, afdeling 3 (‚Plaats van bestemming’) vermelde controles [verrichten], en [...]de resultaten daarvan op[tekenen]”. Bij deze transporten treedt de officiële dierenarts van de plaats van uitgang dus in de plaats van de houder op de plaats van bestemming, die in beginsel afdeling 3 van het journaal dient in te vullen. Anders gezegd, in dit stadium van het transport is deze dierenarts belast met de taak te bevestigen dat het journaal voldoet aan verordening nr. 1/2005 en, in het bijzonder, dat de in afdeling 1 van het journaal opgenomen planning tussen de plaats van vertrek en de plaats van uitgang is nageleefd.
65. Verschillende inleidende punten van bijlage II bij verordening nr. 1/2005 wijzen in dezelfde richting. Zo schrijft punt 3, onder e), van deze bijlage voor dat de organisator „ervoor [dient] te zorgen dat het journaal de dieren gedurende het transport begeleidt tot aan de plaats van bestemming of, in geval van uitvoer naar een derde land, ten minste tot aan de plaats van uitgang ”(6) . Verder preciseert punt 7, eerste alinea, van deze bijlage dat „[i]ndien dieren naar een derde land worden uitgevoerd, [...] de vervoerders het journaal aan de officiële dierenarts op de plaats van uitgang [moeten] overhandigen”. In zoverre doet het in punt 8 van bijlage II bij verordening nr. 1/2005 vervatte voorschrift dat de vervoerder vervolgens een kopie van het journaal dient te bewaren, geen twijfel rijzen, maar bevestigt het juist dat het journaal na de door de officiële dierenarts uitgevoerde controles op de plaats van uitgang van de Unie niet langer behoeft te worden ingevuld.
66. Zou de Uniewetgever de naleving hebben willen opleggen van de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften voor het deel van het transport dat tussen de plaats van uitgang en het derde land van bestemming plaatsvindt, dan zou hij de vervoerder hebben verplicht om het origineel van het journaal gedurende het gehele transport te bewaren en een controlestelsel in het derde land van bestemming hebben ingericht.
67. Uit het voorgaande volgt dat bij een lang transport met een derde land als bestemming, de in afdeling 1 van het journaal opgenomen planning enkel tot de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie een concreet vervolg krijgt in de andere afdelingen van dit journaal. Deze planning is dus niet bestemd om te worden vergeleken met het daadwerkelijke traject vanaf de plaats van uitgang. Het is daarom niet logisch te eisen dat een dergelijke planning overeenkomstig de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften inlichtingen bevat met betrekking tot transport‑ en rusttijden voor het voorbij de uitgang van het grondgebied van de Unie afgelegde traject, aangezien dit gedeelte van het transport niet valt onder de controles die plaatsvinden in het kader van het door de verordening in het leven geroepen algemene stelsel.
68. Wat dit aangaat blijkt uit de vergelijking met het door de Uniewetgever in het leven geroepen bijzondere stelsel van exportrestituties dat, buiten dit stelsel, de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften niet bestemd zijn om toepassing te vinden op het deel van het vervoer van dieren dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt.
69. Krachtens artikel 168 van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”)(7) wordt met betrekking tot de producten van de sector rundvlees „de restitutie bij uitvoer van levende dieren slechts toegekend en uitbetaald wanneer is voldaan aan de voorschriften van de Gemeenschap inzake het welzijn van dieren en meer in het bijzonder inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer”.
70. Artikel 1 van verordening (EU) nr. 817/2010 van de Commissie van 16 september 2010 tot vaststelling, op grond van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer(8), bepaalt onder het kopje „Toepassingsgebied” dat de betaling van deze restituties „afhankelijk [wordt] gesteld van de naleving, tijdens het vervoer van de dieren tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming, van de artikelen 3 tot en met 9 van verordening (EG) nr. 1/2005, alsmede van de daarin genoemde bijlagen [...]”.
71. Uit laatstgenoemde bepaling blijkt ondubbelzinnig dat, anders dan hetgeen in het kader van het door verordening nr. 1/2005 in het leven geroepen algemene stelsel geldt, de naleving van de voorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 3 tot en met 9 van die verordening en de hierbij behorende bijlagen, is voorgeschreven voor het volledige transport, inclusief het deel van het traject dat tussen de uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van bestemming ligt.
72. Het door verordening nr. 817/2010 in het leven geroepen controlestelsel is aangepast aan deze verruimde werkingssfeer van de in verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften.
73. Zo bepaalt, wat de controles op het douanegebied van de Unie betreft, artikel 2, lid 2, van verordening nr. 817/2010 dat de officiële dierenarts op de plaats van uitgang de navolgende controles dient uit te voeren.
74. In de eerste plaats moet ingevolge artikel 2, lid 2, onder a), van deze verordening de officiële dierenarts op de plaats van uitgang nagaan, of „de voorwaarden van verordening (EG) nr. 1/2005 vanaf de plaats van vertrek [...] tot de plaats van uitgang zijn vervuld”.
75. In de tweede plaats bepaalt artikel 2, lid 2, onder b), van verordening nr. 817/2010 dat deze dierenarts moet controleren of „de vervoersomstandigheden tijdens de verdere reis in overeenstemming zijn met verordening (EG) nr. 1/2005 en [of] de nodige maatregelen zijn getroffen om de inachtneming ervan tot de eerste lossing in het derde land van de eindbestemming te verzekeren”.
76. De officiële dierenarts van de plaats van uitgang noteert de bevindingen van deze controle in het „verslag van de controle op de plaats van uitgang”, waarvan het model in bijlage I bij verordening nr. 817/2010 is opgenomen. Dit verslag maakt een onderscheid tussen controles met betrekking tot het traject tot en met de plaats van uitgang en controles betreffende het traject vanaf de plaats van uitgang. Om het resultaat van de controles als bevredigend te kunnen aanmerken, dient de exporteur voor deze beide gedeelten van het traject aan de in verordening nr. 1/2005 opgenomen vereisten te hebben voldaan.
77. Deze controles worden vervolgens aangevuld met controles in de derde landen.
78. Verder bepaalt artikel 3, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 817/2010 dat, nadat de dieren het douanegebied van de Unie hebben verlaten, de exporteur ervoor moet zorgen dat de dieren in twee situaties een controle ondergaan, namelijk, in de eerste plaats, op elke plaats van overlading in een ander vervoermiddel, en, in de tweede plaats, op de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming. Ingevolge artikel 3, lid 2, van deze verordening moeten deze controles worden uitgevoerd door een op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma die daartoe door een lidstaat is erkend en wordt gecontroleerd, of door een officiële instantie van een lidstaat.
79. Mijns inziens blijkt uit deze weergave van het bijzondere door verordening nr. 817/2010 in het leven geroepen stelsel dat wanneer de Uniewetgever de bedoeling zou hebben gehad om in algemene zin de organisator van een lang transport te verplichten de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften na te leven voor het deel van het transport dat tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van bestemming plaatsvindt, hij, in de eerste plaats, zou hebben gekozen voor een ruimere definitie van de werkingssfeer van deze verordening dan die welke in artikel 1, lid 1, ervan is opgenomen, en, in de tweede plaats, deze verplichting zou hebben verbonden aan een controlestelsel dat vergelijkbaar is met het door hem voor exportrestituties ingerichte stelsel.
80. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat verordening nr. 1/2005 aldus moet worden uitgelegd dat zij de organisator van een lang transport naar een derde land niet verplicht om, wat het deel van het transport betreft dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, in afdeling 1, punt 6, van het journaal inlichtingen met betrekking tot transport‑ en rusttijden op te nemen die in overeenstemming zijn met de in bijlage I, hoofdstuk V, bij deze verordening opgenomen voorschriften.
81. Bijgevolg ben ik van mening dat artikel 14, lid 1, onder a), ii), en c), van verordening nr. 1/2005 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de afstempeling van het journaal niet kan weigeren op grond dat de daarin opgenomen inlichtingen die betrekking hebben op het deel van het transport dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, niet voldoen aan de in bijlage I, hoofdstuk V, bij deze verordening opgenomen voorschriften.
82. Andersom moet bij een transport van dieren vanuit een derde land de organisator van dit transport vanaf de binnenkomst op het grondgebied van de Unie via een grensinspectiepost de in verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften naleven. Gelet op het feit dat de werkingssfeer van deze verordening zich beperkt tot het grondgebied van de Unie, kan deze organisator echter niet worden verplicht om deze voorschriften na te leven voor het deel van het transport dat vóór zijn binnenkomst op het grondgebied van de Unie ligt, ook al vormt het traject vanaf het derde land tot de lidstaat van bestemming één en hetzelfde transport.
83. Ik dien mij nu te buigen over het standpunt dat de Commissie in deze zaak heeft ingenomen.
84. Hoewel de Commissie – gezien haar uiteenzettingen in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting – eveneens van mening is dat de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften niet van toepassing zijn op het deel van het transport dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, pleit zij niettemin voor een middenweg die in wezen inhoudt dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de bevoegdheid krijgt om na te gaan of, wat dit deel van het transport betreft, de organisator ervan voldoet aan de in artikel 3 van verordening nr. 1/2005 opgesomde „algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren”.
85. Voornoemde bepaling hanteert het uitgangspunt dat het „verboden [is] dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent”. Verder bevat zij een aantal algemene voorwaarden, volgens welke „vooraf [...] alle nodige voorzieningen [moeten zijn] getroffen om de duur van het transport tot een minimum te beperken en tijdens het transport in de behoeften van de dieren te voorzien”; „het transport [...] zonder oponthoud tot de plaats van bestemming [moet worden] uitgevoerd, en de omstandigheden voor het welzijn van de dieren [...] regelmatig [moeten worden] gecontroleerd en naar behoren in stand [moeten worden] gehouden”, en „de dieren [...] op gezette tijden water, voeder en rust [moeten krijgen], in kwaliteit en in kwantiteit afgestemd op hun soort en grootte”.
86. Mijns inziens kan de door de Commissie voorgestelde oplossing om de volgende redenen niet worden aanvaard.
87. In de eerste plaats mag niet worden voorbijgegaan aan het feit dat, bij gebreke van een aanknopingspunt voor een andersluidende interpretatie, de definitie van de werkingssfeer ratione loci van deze verordening, zoals die volgt uit artikel 1, lid 1, ervan, noodzakelijkerwijs voor alle in deze verordening opgenomen voorschriften geldt, ongeacht of het gaat om „algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren”, zoals neergelegd in artikel 3 van verordening nr. 1/2005, dan wel meer toegespitste voorschriften, zoals de in bijlage I bij deze verordening opgenomen technische specificaties.
88. Gelet op de ondubbelzinnige formulering van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1/2005 kan mijns inziens daarom niet worden betoogd – zoals de Commissie doet – dat, enerzijds, de in bijlage I, hoofdstuk V, bij deze verordening opgenomen voorschriften niet van toepassing zijn op het deel van het transport dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, en dat, anderzijds, deze tekortkoming van de verordening kan worden verholpen door een uitbreiding van de werkingssfeer van de in artikel 3 van verordening nr. 1/2005 opgenomen „algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren” tot het gehele transport, dat wil zeggen tot en met het derde land van bestemming.
89. Voorts zou de door de Commissie in overweging gegeven aanpak erop neerkomen dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek een uitgebreide beoordelingsbevoegdheid wordt verleend om, wat het deel van transport betreft dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, te beoordelen of de geplande transport‑ en rusttijden redelijk zijn. Het feit dat de bevoegde autoriteiten daarbij tot verschillende beoordelingen zouden komen, lijkt mij niet alleen lastig te verenigen met het vereiste van een uniforme toepassing van verordening nr. 1/2005, maar ook met de andere door deze verordening nagestreefde doelstellingen, namelijk om – naast de bescherming van dieren tijdens transporten – de technische belemmeringen voor het handelsverkeer in levende dieren uit de weg te ruimen en ervoor te zorgen dat de betrokken marktordeningen goed kunnen functioneren.(9)
90. Bijgevolg zouden door aan de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek een zo ruime beoordelingsbevoegdheid toe te kennen bij de handhaving van de in artikel 3 van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorwaarden, die gekenmerkt worden door hun algemene aard, concurrentieverstoringen tussen de organisatoren van transporten van levende dieren ontstaan.
91. Gelet op het voorgaande deel ik dus niet het door de Commissie verdedigde standpunt om de vragen van de verwijzende rechter verschillend te beantwoorden naargelang het gaat om de algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren, zoals opgesomd in artikel 3 van verordening nr. 1/2005, dan wel de meer toegespitste voorschriften die in deze verordening zijn opgenomen, zoals die in bijlage I, hoofdstuk V, bij de verordening.
92. Tot slot hecht ik eraan op te merken dat ik mij zeer wel bewust ben van het belang van de doelstelling van de bescherming van dieren tijdens het vervoer. Voorts ga ik niet voorbij aan artikel 13 VWEU, dat de Unie en de lidstaten opdraagt om bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie op het gebied van onder andere landbouw en vervoer ten volle rekening te houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel.
93. Ook heb ik begrip voor het streven om verordening nr. 1/2005 geografisch een zo ruim mogelijk nuttig effect te verlenen door verwijzing naar de in artikel 3 van deze verordening opgenomen algemene regels dan wel naar artikel 13 VWEU.
94. Ik moet evenwel constateren dat de Uniewetgever, althans in dit stadium van de ontwikkeling van het Unierecht, de werkingssfeer ratione loci van verordening nr. 1/2005 heeft willen beperken tot het grondgebied van de Unie.
95. Mijns inziens staat het bijgevolg aan deze wetgever, en aan hem alleen, te besluiten om in de toekomst de naleving van de in deze verordening opgenomen voorschriften voor het gehele lange transport voor te schrijven, inclusief het deel ervan dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, en een dergelijke verruiming van de territoriale werkingssfeer van deze verordening te koppelen aan de inrichting van een geschikt controlestelsel.
IV – Conclusie
96. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bayerische Verwaltungsgerichtshof te beantwoorden als volgt:
„Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van verordening (EG) nr. 1255/97 moet aldus moet worden uitgelegd dat zij de organisator van een lang transport naar een derde land niet verplicht om, wat het deel van het transport betreft dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, in afdeling 1, punt 6, van het transportjournaal inlichtingen met betrekking tot transport‑ en rusttijden op te nemen die in overeenstemming zijn met de in bijlage I, hoofdstuk V, bij deze verordening opgenomen voorschriften of met de in artikel 3 van de verordening opgenomen algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren.
Bijgevolg moet artikel 14, lid 1, onder a), ii), en c), van verordening nr. 1/2005 aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de afstempeling van het transportjournaal niet kan weigeren op grond dat de daarin opgenomen inlichtingen die betrekking hebben op het deel van het transport dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, noch aan de in bijlage I, hoofdstuk V, bij deze verordening opgenomen voorschriften, noch aan de in artikel 3 van de verordening opgenomen algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren voldoen.”
(1) .
(2) – PB 2005, L 3, blz. 1, en – rectificatie – PB 2011, L 336, blz. 86.
(3) – Cursivering van mij.
(4) – Hetzelfde geldt voor artikel 5, lid 4, van verordening nr. 1/2005, dat bepaalt dat de vervoerders en organisatoren moeten voldoen aan de in bijlage II bij die verordening opgenomen voorschriften inzake het journaal voor lange transporten tussen de lidstaten en met derde landen.
(5) – Ondertekend te Parijs op 13 december 1968. De tekst van deze overeenkomst is herzien bij Aanvullend protocol bij de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer, dat op 7 november 1989 in werking is getreden. Wat de ondertekening van deze Overeenkomst door de Unie betreft zie besluit 2004/544/EG van de Raad van 21 juni 2004 betreffende de ondertekening van de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer (herzien) (PB L 241, blz. 21).
(6) – Cursivering van mij.
(7) – PB L 299, blz. 1.
(8) – PB L 245, blz. 16.
(9) – Zie dienaangaande arrest Danske Svineproducenter (C‑316/10, EU:C:2011:863, punten 44 en 55).
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 11 september 2014 ( 1 )
Zaak C‑424/13
Zuchtvieh‑Export GmbH
tegen
Stadt Kempten
[verzoek van het Bayerische Verwaltungsgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing — Landbouw — Verordening (EG) nr. 1/2005 — Bescherming van dieren tijdens het vervoer — Vervoer van dieren van een lidstaat naar een derde land — Artikel 14, lid 1 — Controle van het transportjournaal door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek vóór lange transporten — Bijlage I, hoofdstuk V — Voorschriften inzake tussenpozen voor het voederen en drenken alsmede de transport‑ en rusttijden — Toepasselijkheid van deze voorschriften op het deel van het transport dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt”
|
1. |
In het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing gaat het om de uitlegging van verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van verordening (EG) nr. 1255/97. ( 2 ) |
|
2. |
Dit prejudiciële verzoek vindt plaats in het kader van een geschil tussen Zuchtvieh‑Export GmbH (hierna: „Zuchtvieh‑Export”) en Stadt Kempten (Kempten, Duitsland) over de weigering van laatstgenoemde, als bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek, om een wegtransport van een partij runderen van Kempten naar Andizan (Oezbekistan) te laten vertrekken. |
|
3. |
Verordening nr. 1/2005 verplicht de organisator van een lang transport om aan de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek een journaal voor te leggen, waarvan afdeling 1 een planning van het voorgenomen transport dient te bevatten. Deze planning dient onder andere rust‑ en overlaadplaatsen alsmede plaatsen van uitgang te vermelden. In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of met betrekking tot het deel van het transport dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, de organisator van dit transport wel of niet moet voldoen aan de in bijlage I, hoofdstuk V, van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften inzake de transport‑ en rusttijden. |
|
4. |
In deze conclusie zal ik het Hof in overweging geven te verklaren dat verordening nr. 1/2005 aldus moet worden uitgelegd dat zij de organisator van een lang transport naar een derde land niet verplicht om in afdeling 1, punt 6, van het journaal inlichtingen op te nemen met betrekking tot transport‑ en rusttijden overeenkomstig de in bijlage I, hoofdstuk V, van deze verordening opgenomen voorschriften, dan wel overeenkomstig de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op het vervoer van dieren bedoeld in artikel 3 van deze verordening, wat het deel van het transport betreft dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming. |
|
5. |
Mijns inziens volgt hieruit dat artikel 14, lid 1, onder a), ii) en c), van verordening nr. 1/2005 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de afstempeling van het journaal niet kan weigeren op grond dat de hierin opgenomen inlichtingen die betrekking hebben op het deel van het transport dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, noch aan de in bijlage I, hoofdstuk V, van deze verordening opgenomen voorschriften, noch aan de in artikel 3 van deze verordening bedoelde algemene voorwaarden die van toepassing zijn op het vervoer van dieren, voldoen. |
I – Toepasselijke bepalingen
|
6. |
De voor de onderhavige prejudiciële verwijzing wezenlijke bepalingen van verordening nr. 1/2005 zijn de volgende. |
|
7. |
Artikel 1, lid 1, van deze verordening omschrijft de werkingssfeer ervan als volgt: „Deze verordening is van toepassing op het vervoer van levende gewervelde dieren binnen de Gemeenschap, alsmede op de door ambtenaren te verrichten speciale controles op partijen dieren die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten.” |
|
8. |
Artikel 2 van verordening nr. 1/2005 bevat onder andere de volgende definities:
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]” |
|
9. |
Artikel 3 van verordening nr. 1/2005 draagt het kopje „Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren” en luidt als volgt: „Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
[...]
[...]
|
|
10. |
Artikel 5 van verordening nr. 1/2005 heeft als opschrift „Verplichtingen inzake de planning van het vervoer van dieren” en bepaalt in lid 4 ervan dat „[v]oor lange transporten tussen de lidstaten en met derde landen van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, met uitzondering van geregistreerde eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens [...] de vervoerders en organisatoren [moeten] voldoen aan de in bijlage II opgenomen voorschriften inzake het journaal”. |
|
11. |
Artikel 14 van verordening nr. 1/2005 heeft als opschrift „Door de bevoegde autoriteit in verband met het journaal vóór lange transporten te verrichten controles en andere te nemen maatregelen”. Lid 1 ervan luidt als volgt: „In geval van lange transporten tussen lidstaten en met derde landen van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens dient de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek:
|
|
12. |
Artikel 15 van verordening nr. 1/2005 bepaalt, onder het kopje „Door de bevoegde autoriteit in elk stadium van een lang transport te verrichten controles”, in lid 1 ervan dat „[d]e bevoegde autoriteit [...] in elk stadium van een lang transport steekproeven of gerichte controles uit[voert] om na te gaan of de opgegeven transporttijden realistisch zijn, of het transport aan deze verordening voldoet, en met name of de reis‑ en rusttijden in overeenstemming zijn met de in bijlage I, hoofdstuk V, vastgestelde limieten”. |
|
13. |
Artikel 21 van verordening nr. 1/2005 heeft betrekking op „Controles op plaatsen van uitgang en grensinspectieposten” en luidt als volgt: „1. [...] [D]e officiële dierenartsen van de lidstaten [controleren] of de dieren [die op plaatsen van uitgang of grensinspectieposten worden aangeboden] conform deze verordening worden vervoerd en met name of:
2. Bij lange transporten van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens verrichten de officiële dierenartsen van de plaatsen van uitgang en grensinspectieposten de in bijlage II, Journaal, afdeling 3 (‚Plaats van bestemming’) vermelde controles, en tekenen zij de resultaten daarvan op. De resultaten van die controles en van de in lid 1 bedoelde controle worden door de bevoegde autoriteit bewaard gedurende ten minste drie jaar na de datum van de controles [...]. 3. Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de dieren niet in staat zijn om de reis te voltooien, moeten zij uitgeladen, gedrenkt en gevoederd worden, en rust krijgen.” |
|
14. |
Bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 bevat regelingen met betrekking tot de tussenpozen voor het drenken en het voederen, alsmede transport‑ en rusttijden. Overeenkomstig de punten 1.4, onder d), en 1.5, van dit hoofdstuk moeten runderen gedurende een lang transport na een transporttijd van 14 uur ten minste 1 uur rust krijgen, waarin zij moeten worden gedrenkt en zo nodig gevoederd. Na deze rusttijd kunnen zij opnieuw gedurende ten hoogste 14 uur worden vervoerd, waarna zij moeten worden uitgeladen, gevoederd en gedrenkt, en een rusttijd van ten minste 24 uur moeten krijgen. |
|
15. |
Bijlage II bij deze verordening bevat bepalingen met betrekking tot het journaal dat ingevolge artikel 5, lid 4, van de verordening voor lange transporten tussen de lidstaten en van en naar derde landen door vervoerders en organisatoren moet worden bijgehouden. Dit journaal dient vijf afdelingen te omvatten die betrekking hebben op respectievelijk de planning van het transport, de plaats van vertrek, de plaats van bestemming, de verklaring van de vervoerder met betrekking tot, in de eerste plaats, de feitelijke route, rustplaatsen, overlaadplaatsen en plaatsen van uitgang, alsmede, in de tweede plaats, het aantal verwonde of dode dieren tijdens het transport en eventuele onregelmatigheden. Deze bijlage bevat onder andere de volgende bepalingen:
|
|
16. |
Het aanhangsel bij bijlage II bij verordening nr. 1/2005 bevat telkens een model van de verschillende afdelingen van het journaal. |
II – Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
17. |
Zuchtvieh‑Export heeft twee vrachtwagens gecharterd voor een transport van 62 runderen van Kempten naar Andizan via Polen, Wit‑Rusland, Rusland en Kazachstan, een traject van zo’n 7000 km. Dit transport zou aanvankelijk plaatsvinden van 23 april 2012 tot 2 mei 2012. Het ging hierbij om een uitvoer zonder aanvraag voor uitvoerrestitutie. |
|
18. |
Het bij het verzoek tot uitklaring overgelegde journaal vermeldde in afdeling 1, punt 6, ervan als in derde landen gelegen rust‑ of overlaadplaatsen slechts de plaatsen Brest (Wit‑Rusland) en Karaganda (Kazachstan), die respectievelijk op 24 april 2012 om 13.00 uur en 30 april 2012 om 15.00 uur zouden moeten zijn bereikt, waarbij in beide plaatsen rustpauzen van 24 uur waren gepland. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat op het traject tussen Brest en Karaganda rustpauzen waren gepland waarbij de dieren water en voer zouden krijgen, maar niet zouden worden uitgeladen. Het laatste deel van het traject, tussen Karaganda en Andizan, zou nog eens 29 uur vergen. |
|
19. |
Stadt Kempten heeft bij besluit van 30 januari 2012 geweigerd het rundertransport te laten vertrekken en gelast de planning ervan zo te wijzigen dat voor het vervoer door de betrokken derde landen, dat wil zeggen het traject tussen Brest en Andizan, eveneens zou worden voldaan aan de voorschriften van verordening nr. 1/2005, hetgeen blijkens de in afdeling 1 van het journaal opgenomen planning niet het geval zou zijn geweest. |
|
20. |
Naast een vruchteloos gebleven kortgedingprocedure heeft Zuchtvieh‑Export een bodemprocedure ingeleid tegen het bovengenoemde besluit, waarvan het hoger beroep thans bij het Bayerische Verwaltungsgerichtshof (administratief gerechtshof van Beieren, Duitsland) aanhangig is. In het kader hiervan verzoekt Zuchtvieh‑Export met name het besluit van Stadt Kempten van 30 januari 2012 onrechtmatig te verklaren en laatstgenoemde te verplichten het litigieuze rundertransport te laten vertrekken. |
|
21. |
Voor de verwijzende rechter verschillen de partijen in het hoofdgeding van mening over de vraag of, in het geval van een transport dat op het grondgebied van de Unie begint maar daarbuiten eindigt, verordening nr. 1/2005 – en in het bijzonder artikel 14, lid 1, ervan – ook van toepassing is op het deel van dit transport dat op het grondgebied van een of verschillende derde landen plaatsvindt. |
|
22. |
De verwijzende rechter is van mening dat ingevolge artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1/2005 de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek het journaal bij transporten waarbij de plaats van vertrek binnen de Europese Unie maar de plaats van bestemming in een derde land ligt, slechts dan mag afstempelen wanneer uit haar controles blijkt dat ook buiten het grondgebied van de Europese Unie aan de voorschriften van de verordening wordt voldaan. In dit verband verwijst hij, in de eerste plaats, evenwel zonder verdere toelichting, naar de artikelen 1, 3, 5 en 21, lid 1, onder e), van deze verordening en, in de tweede plaats en in hoofdzaak, naar het aanhangsel bij bijlage II bij verordening nr. 1/2005, waarin het model van de verschillende afdelingen van het journaal is opgenomen, en in het bijzonder naar afdeling 1 die betrekking heeft op de planning van het transport en dienaangaande gegevens zou moeten bevatten:
|
|
23. |
De verwijzende rechter wijst er verder op dat hoewel het journaal bij uitvoer naar een derde land door de vervoerder aan de officiële dierenarts op de plaats van uitgang moet worden overhandigd (bijlage II, punt 7, bij de verordening), punt 8 van bijlage II voorschrijft dat de vervoerder een kopie van het ingevuld journaal moet bewaren en deze terug moet zenden naar de autoriteit van de plaats van vertrek. |
|
24. |
De verwijzende rechter is van mening dat het door Zuchtvieh‑Export overgelegde journaal voor de delen van het traject in de derde landen geen „realistische gegevens” in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005 bevat. Op basis van de in dit journaal verstrekte gegevens zou daarom de conclusie niet kunnen luiden dat het voorgenomen transport voldoet aan de voorschriften van de verordening. |
|
25. |
Dienaangaande volstaat het volgens de verwijzende rechter niet dat Zuchtvieh‑Export beweert dat voor de delen van het traject buiten de Europese Unie aan de relevante bepalingen van de derde landen waardoorheen het traject loopt en aan de in die landen geldende internationale regels is voldaan, wanneer hiervan niet op enigerlei wijze in het journaal blijk wordt gegeven. In het onderhavige geval zou een dergelijke vermelding ontbreken. Afdeling 1 van het journaal zou namelijk voor de delen van het transport dat in de derde landen plaatsvindt geen „realistische gegevens” bevatten in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005, aangezien hierin niets zou zijn opgenomen over rustplaatsen gedurende zowel het vervoer tussen Brest en Karaganda, alsook tussen de laatstgenoemde plaats en Andizan, zijnde de plaats van eindbestemming. De afstempeling van het journaal door de autoriteit van de plaats van vertrek zou voor het overige de indruk wekken dat het totale transport, dus de gehele vervoersoperatie van de plaats van vertrek tot aan de plaats van bestemming, de volledige goedkeuring van de autoriteiten heeft gekregen. Dit zou volgens de verwijzende rechter ook met het oog op de autoriteiten van de derde landen niet gepast zijn. |
|
26. |
Zuchtvieh‑Export daarentegen betoogt dat de goedkeuring van de planning in het kader van de ingevolge artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1/2005 door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek uit te voeren controles enkel betrekking heeft op het deel van het transport waarop de verordening ratione loci van toepassing is. Uit verschillende bepalingen van de verordening, waaronder artikel 21, lid 1, onder e), ervan met betrekking tot controles op plaatsen van uitgang en grensinspectieposten, zou blijken dat het hiermee in het leven geroepen stelsel zich niet tot over de grenzen van de Unie uitstrekt. |
|
27. |
Zuchtvieh‑Export betoogt verder dat de toepasselijkheid van de voorschriften van verordening nr. 1/2005 – in het bijzonder die van bijlage I, hoofdstuk V, met betrekking tot de tussenpozen voor het drenken en het voederen, alsmede transport‑ en rusttijden – buiten het grondgebied van de Unie niet realistisch en contraproductief zou zijn; wat de rusttijden voor de vervoerde dieren betreft zouden in derde landen nauwelijks voldoende hygiënische en technisch veilige stallen voorhanden zijn, zodat een groot gevaar bestaat voor verwonding van de dieren en verspreiding van besmettelijke ziekten. De voorschriften van de verordening zouden namelijk onlosmakelijk verbonden zijn met de kwaliteit van de infrastructuur voor diertransporten op het grondgebied van de Unie, zoals de op dit grondgebied gevestigde controleposten (die rustplaatsen zijn), waaraan artikel 36 van verordening nr. 1/2005 technische en sanitaire eisen zou stellen. |
|
28. |
Bovendien zou het feit dat de voorschriften van verordening nr. 1/2005 materieel gezien niet noodzakelijkerwijs altijd en overal van toepassing zijn, blijken uit artikel 30, lid 6, ervan ingevolge waarvan voor lange transporten afwijkingen zouden worden toegestaan om rekening te houden met het feit dat bepaalde regio’s ver van het continentaal grondgebied van de Unie liggen. |
|
29. |
Voorts zou uit het opschrift van punt 6 van afdeling 1 van het model van het journaal („Lijst van geplande rustplaatsen, overlaadplaatsen en plaatsen van uitgang”) blijken dat de organisator van het transport niet gehouden is om alle rustplaatsen te vermelden. Door de geografische gesteldheid van het traject zou het trouwens niet altijd mogelijk zijn om van tevoren te bepalen waar wordt gerust. |
|
30. |
Voorts zouden deze voorschriften in strijd kunnen zijn met de in de betrokken derde landen geldende regels, zoals die in de Russische Federatie waar de autoriteiten het uitladen van dieren tijdens rusttijden standaard verbieden. |
|
31. |
Tot slot zou het territorialiteitsbeginsel pleiten voor een beperking van de toepassing van verordening nr. 1/2005 tot het grondgebied van de Unie. |
|
32. |
De verweerster in het hoofdgeding en de Landesanwaltschaft Bayern (parket van de deelstaat Beieren) brengen hiertegen in dat het ontbreken van rustplaatsen buiten het grondgebied van de Unie de vervoerders niet ontslaat van de verplichtingen die verordening nr. 1/2005 hun dienaangaande oplegt. In het bijzonder zou het feit dat de dieren gedurende de rusttijden niet worden uitgeladen ertoe leiden dat de laadruimten niet worden schoongemaakt, dat geen garantie bestaat dat alle dieren worden gedrenkt en dat niet bij alle dieren de gezondheidstoestand kan worden vastgesteld. Gelet op punt 5 van de considerans van deze verordening, waarin staat dat met het oog op het dierenwelzijn het lang vervoeren van dieren, met inbegrip van slachtdieren, zoveel mogelijk moet worden beperkt, moet daarom worden overwogen om bepaalde transporten te verbieden zolang de logistieke voorwaarden van het voorgenomen transport niet voldoen aan de geldende voorschriften. |
|
33. |
In die omstandigheden heeft het Bayerische Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
|
III – Beoordeling
|
34. |
De verwijzende rechter wenst met zijn prejudiciële vragen in wezen te vernemen, of artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1/2005 aldus moet worden uitgelegd dat een lang transport vanuit een lidstaat naar een derde land moet voldoen aan deze verordening en in het bijzonder aan de voorschriften van bijlage I, hoofdstuk V, ervan met betrekking tot met name transport‑ en rusttijden, inclusief het deel van dit transport dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, en bijgevolg enkel kan worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek wanneer bij de planning ervan aan deze voorschriften is voldaan. |
|
35. |
De verwijzende rechter werpt hiermee de vraag op, of de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek terecht de afstempeling van een journaal mag weigeren, omdat zij, gelet op de hierin opgenomen vermeldingen met betrekking tot het deel van het transport dat buiten het grondgebied van Unie plaatsvindt, van mening is dat dit journaal geen realistische gegevens in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005 bevat en dus niet voldoet aan de voorschriften van de verordening. |
|
36. |
Het journaal, waarvan het model is opgenomen in bijlage II bij verordening nr. 1/2005, dient de bevoegde autoriteiten de inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn om na te gaan of voldaan is aan de voorschriften die verordening nr. 1/2005 aan lange transporten verbindt. Vóór het inladen van de dieren moet de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de in het journaal opgenomen verklaringen met betrekking tot de planning van het transport controleren en, indien het resultaat van de controles bevredigend is, het journaal afstempelen. Deze inlichtingen vormen de basis voor de officiële controles die kunnen plaatsvinden tijdens het daadwerkelijke transport, dat wil zeggen tijdens het inladen, tijdens het transport of bij aankomst op de plaats van bestemming. |
|
37. |
De vóór vertrek te verrichten controles hebben betrekking op de aanwezigheid en de geldigheid van de vereiste vergunningen en certificaten (vervoerders, vervoermiddelen en bestuurders), de inachtneming van de naargelang de opgegeven diercategorie voorgeschreven minimale ruimte per dier tijdens het transport, alsmede de bijzonderheden van de geplande route, rekening houdend met de naargelang de betrokken diercategorie voorgeschreven rusttijden, de te overbruggen afstand en de waarschijnlijke duur van de activiteiten gedurende de verschillende stadia van het transport. |
|
38. |
Voorts kunnen gedurende elk stadium van een lang transport controles plaatsvinden. Deze door artikel 15 van verordening nr. 1/2005 voorgeschreven controles hebben met name betrekking op de inachtneming van de in afdeling 1 van het journaal opgenomen planning. |
|
39. |
De in afdeling 1 van het journaal („Planning”) opgenomen verklaringen, waar het in deze zaak om gaat, zijn bedoeld om te worden vergeleken met die in de afdelingen 2 („Plaats van vertrek”), 3 („Plaats van bestemming”), 4 („Verklaring van de vervoerder”) en, in voorkomend geval, 5 („Modelformulier voor het melden van onregelmatigheden”). De afdelingen 2 tot en met 5 van het journaal worden dus naargelang het transport vordert geleidelijk vervolledigd, waarbij een kopie van dit journaal vervolgens naar de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek wordt gezonden. |
|
40. |
Er zij nu reeds op gewezen dat dierentransporten naar of vanuit derde landen aan specifieke controles worden onderworpen, respectievelijk bij de plaatsen van uitgang en de grensinspectieposten van de Unie. |
|
41. |
Dit algemene controleschema dat op lange transporten van toepassing is, moet bij de behandeling van de onderhavige prejudiciële verwijzing in gedachten worden gehouden. |
|
42. |
Om de vragen van de verwijzende rechter te kunnen beantwoorden, moet worden nagegaan wat de omvang is van de informatie met betrekking tot transport‑ en rusttijden die de organisator van een lang transport in het journaal moet opnemen. De bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek moet namelijk vooral in het licht van deze informatie krachtens artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005 bepalen of het overgelegde journaal al dan niet realistisch is in de zin van laatstgenoemd voorschrift en kunnen beoordelen of het transport voldoet aan deze verordening. |
|
43. |
Volgens Stadt Kempten, de Landesanwaltschaft Bayern en de Republiek Litouwen moet het journaal nadere inlichtingen verschaffen over het deel van het traject tussen de plaats waarop het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, en zulks op een wijze die voldoet aan de in bijlage I, hoofdstuk V, punten 1.4, onder d), en 1.5, van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften met betrekking tot transport‑ en rusttijden. Wat de runderen betreft waar het in het litigieuze transport om gaat, betekent dit concreet dat de dieren na 14 uur te zijn vervoerd voldoende rust moeten krijgen (ten minste 1 uur), met name om ze te drenken en, indien nodig, te voeren. Na deze rusttijd kunnen zij opnieuw gedurende 14 uur worden vervoerd. Na de vastgestelde transporttijd moeten de dieren worden uitgeladen, gevoederd en gedrenkt, en moeten zij een rusttijd van ten minste 24 uur krijgen. |
|
44. |
Zuchtvieh‑Export zou hebben verzuimd om met inachtneming van deze regels het deel van het traject tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van de eindbestemming te plannen. |
|
45. |
Mijns inziens is dit verwijt niet gegrond. |
|
46. |
Uit artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005 blijkt namelijk duidelijk dat de vóór het transport door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek uit te voeren controles betrekking hebben op de naleving van de verordening. Bijgevolg moet worden nagegaan wat de werkingssfeer van deze verordening is. |
|
47. |
Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1/2005 laat dienaangaande geen ruimte voor twijfel. Uit deze bepaling blijkt duidelijk dat de verordening „van toepassing [is] op het vervoer van levende gewervelde dieren binnen de Gemeenschap, alsmede op de door ambtenaren te verrichten speciale controles op partijen dieren die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten”. ( 3 ) |
|
48. |
De door de Uniewetgever gehanteerde formulering houdt mijns inziens in dat de in deze verordening opgenomen voorschriften en de hieraan verbonden controles enkel van toepassing zijn op het deel van het vervoer van dieren dat op het grondgebied van de Unie plaatsvindt. Hieronder vallen ook de specifieke controles van vrachten die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten, hetgeen logisch is in het licht van het feit dat wanneer deze controles worden uitgevoerd het dierentransport zich op het grondgebied van de Unie bevindt en dus, ongeacht de herkomst of bestemming ervan, moet voldoen aan de door verordening nr. 1/2005 vastgestelde voorschriften. |
|
49. |
Gelet op de ondubbelzinnige definitie van de werkingssfeer van verordening nr. 1/2005 zoals opgenomen in artikel 1, lid 1, ervan, kan niet worden betoogd dat de door de Uniewetgever in artikel 14, lid 1, van deze verordening gehanteerde formulering ter aanduiding van lange transporten die moeten worden gecontroleerd door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek, pleit voor een verplichting van de organisator van dergelijke transporten tot naleving van de in bijlage I, hoofdstuk V, van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften met betrekking tot transport‑ en rusttijden voor het deel van het transport dat tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en een derde land plaatsvindt. |
|
50. |
Ik herinner eraan dat ingevolge artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1/2005 de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek vóór het vertrek een aantal controles dient uit te voeren „[i]n geval van lange transporten tussen lidstaten en met derde landen van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens”. |
|
51. |
Deze omschrijving van lange transporten, waarvan de overeenstemming met de in verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften moet worden gecontroleerd door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek, betekent niet dat, in geval van transport van dieren naar derde landen, deze controle niet alleen betrekking moet hebben op het deel van het transport binnen de Unie, maar ook op het deel van het transport dat tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van bestemming plaatsvindt. |
|
52. |
Deze precisering beoogt namelijk enkel te verduidelijken dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek alle lange transporten vooraf controleert, ongeacht of deze enkel tussen de lidstaten van de Unie plaatsvinden, dan wel afkomstig zijn uit of bestemd zijn voor derde landen. ( 4 ) Een dergelijke formulering maakt het mogelijk om alle lange transporten onder de door verordening nr. 1/2005 vastgestelde voorschriften te laten vallen, los van de vraag of deze transporten geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van de Unie plaatsvinden. |
|
53. |
Gelet op zowel de werkingssfeer ratione loci van verordening nr. 1/2005, zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 1, ervan, als het feit dat de door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek uit te voeren controles bedoeld zijn om na te gaan of voldaan is aan de door deze verordening vastgestelde voorschriften, kan op de grondslag van artikel 14, lid 1, onder a), ii), van deze verordening niet van de organisator worden geëist dat hij voor het deel van het lange transport dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, in het journaal inlichtingen met betrekking tot transport‑ en rusttijden opneemt die in overeenstemming zijn met de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften. |
|
54. |
Anders gezegd, het zou niet logisch zijn wanneer de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de organisator zou kunnen verwijten dat hij voor het deel van het traject dat tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en een derde land ligt niet overeenkomstig de in bijlage I, hoofdstuk V, van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften in het journaal heeft vermeld waar en met welke tussenpozen de dieren rust krijgen, terwijl, in de eerste plaats, de werkingssfeer van deze verordening is beperkt tot het grondgebied van de Unie en, in de tweede plaats, met de door deze autoriteit uit te voeren controle ingevolge artikel 14, lid 1, onder a), ii), van de verordening moet worden nagegaan of aan de door deze verordening vastgestelde voorschriften is voldaan. |
|
55. |
Ik leid hieruit af dat de in afdeling 1, punt 6, van het journaal op te nemen „[l]ijst van geplande rustplaatsen, overlaadplaatsen en plaatsen van uitgang” enkel de vermelding van plaatsen op het grondgebied van de Unie vereist. |
|
56. |
Bijgevolg moet artikel 14, lid 1, onder a), ii), van verordening nr. 1/2005 mijns inziens aldus worden uitgelegd, dat krachtens dit voorschrift de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek enkel voor het deel van het transport dat tussen de plaats van vertrek en de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie plaatsvindt, mag nagaan of, met name wat de in bijlage I, hoofdstuk V, van deze verordening bedoelde transport‑ en rusttijden betreft, het door de organisator overgelegde journaal realistisch is en ervan blijk geeft dat het transport voor het deel ervan dat tussen de plaats van vertrek en de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie plaatsvindt, voldoet aan deze verordening. |
|
57. |
Dat de definities van de begrippen „transport” en „vervoer”, opgenomen in respectievelijk artikel 2, onder j) en w), van verordening nr. 1/2005, het volledige transport tot en met het uitladen van de dieren op de plaats van bestemming aanduiden, zonder een onderscheid te maken naargelang de vraag of deze plaats zich op het grondgebied van de Unie bevindt, dan wel op dat van een derde land, kan niet worden aangevoerd ter verruiming van de werkingssfeer ratione loci van deze verordening. Integendeel, deze definities moeten worden gelezen in het licht van artikel 1, lid 1, van de verordening, zijnde het enige artikel dat de territoriale werkingssfeer van verordening nr. 1/2005 afbakent. |
|
58. |
Verder blijkt ook uit andere voorschriften van deze verordening dat, wat de in artikel 14, lid 1, onder a), ii), van de verordening bedoelde voorafgaande controles betreft, de organisator geen met de in bijlage I, hoofdstuk V, van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften overeenstemmende inlichtingen hoeft te verstrekken met betrekking tot de planning van het transport, voor zover dit tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van bestemming plaatsvindt. |
|
59. |
Dienaangaande herinner ik eraan dat in geval van lange transporten naar een derde land, er naast de door de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek uitgevoerde controle nog andere controles worden uitgevoerd. Hierbij gaat het om, in de eerste plaats, de in artikel 15 van verordening nr. 1/2005 bedoelde controles, die in elk stadium van een transport op het grondgebied van de Unie kunnen plaatsvinden om met name na te gaan of de reis‑ en rusttijden in overeenstemming zijn met de in bijlage I, hoofdstuk V, van de verordening vastgestelde limieten. In de tweede plaats schrijft artikel 21 van deze verordening controles voor op plaatsen van uitgang van het grondgebied van de Unie. |
|
60. |
Wat deze laatstgenoemde categorie controles betreft, bepaalt artikel 21, lid 1, van verordening nr. 1/2005 dat wanneer dieren op plaatsen van uitgang of grensinspectieposten worden aangeboden, de officiële dierenartsen van de lidstaten controleren of de dieren conform deze verordening worden vervoerd. In het kader van de controles op de plaatsen van uitgang wordt ook geverifieerd of, kort gezegd, de vervoerder beschikt over een geldige vergunning; de bestuurder een geldig getuigschrift van vakbekwaamheid kan overleggen; de conditie van de dieren goed genoeg is om hun reis voort te zetten; het vervoermiddel waarmee de dieren hun reis zullen voortzetten, voldoet aan bijlage I, hoofdstuk II en, indien van toepassing, hoofdstuk VI, van verordening nr. 1/2005, en de als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens een lang transport hebben ondergaan, dan wel nog moeten ondergaan. |
|
61. |
Verder bepaalt artikel 21, lid 1, onder e), van verordening nr. 1/2005 dat de officiële dierenartsen van de lidstaten moeten nagaan of „in het geval van uitvoer de vervoerder heeft aangetoond dat het transport van de plaats van vertrek tot de eerste losplaats in het land van eindbestemming in overeenstemming is met de in bijlage V opgenomen internationale overeenkomsten die in de betrokken derde landen van toepassing zijn”. Laatstgenoemde bijlage vermeldt dienaangaande de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer. ( 5 ) |
|
62. |
Mijns inziens rechtvaardigt artikel 21, lid 1, onder e), van verordening nr. 1/2005 de conclusie dat, in overeenstemming met de werkingssfeer ratione loci van verordening nr. 1/2005, zoals bepaald in artikel 1, lid 1, van deze verordening, het transport tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van bestemming niet door de in deze verordening opgenomen voorschriften wordt beheerst, maar, in voorkomend geval, door internationale overeenkomsten. |
|
63. |
Verder blijkt mijns inziens uit verschillende voorschriften van verordening nr. 1/2005 dat in geval van een lang transport naar een derde land, het journaal enkel tot de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie volledig behoeft te zijn ingevuld. |
|
64. |
Zo schrijft artikel 21, lid 2, van deze verordening met name voor dat bij dergelijke lange transporten „de officiële dierenartsen van de plaatsen van uitgang [...] de in bijlage II, Journaal, afdeling 3 (‚Plaats van bestemming’) vermelde controles [verrichten], en [...]de resultaten daarvan op[tekenen]”. Bij deze transporten treedt de officiële dierenarts van de plaats van uitgang dus in de plaats van de houder op de plaats van bestemming, die in beginsel afdeling 3 van het journaal dient in te vullen. Anders gezegd, in dit stadium van het transport is deze dierenarts belast met de taak te bevestigen dat het journaal voldoet aan verordening nr. 1/2005 en, in het bijzonder, dat de in afdeling 1 van het journaal opgenomen planning tussen de plaats van vertrek en de plaats van uitgang is nageleefd. |
|
65. |
Verschillende inleidende punten van bijlage II bij verordening nr. 1/2005 wijzen in dezelfde richting. Zo schrijft punt 3, onder e), van deze bijlage voor dat de organisator „ervoor [dient] te zorgen dat het journaal de dieren gedurende het transport begeleidt tot aan de plaats van bestemming of, in geval van uitvoer naar een derde land, ten minste tot aan de plaats van uitgang” ( 6 ). Verder preciseert punt 7, eerste alinea, van deze bijlage dat „[i]ndien dieren naar een derde land worden uitgevoerd, [...] de vervoerders het journaal aan de officiële dierenarts op de plaats van uitgang [moeten] overhandigen”. In zoverre doet het in punt 8 van bijlage II bij verordening nr. 1/2005 vervatte voorschrift dat de vervoerder vervolgens een kopie van het journaal dient te bewaren, geen twijfel rijzen, maar bevestigt het juist dat het journaal na de door de officiële dierenarts uitgevoerde controles op de plaats van uitgang van de Unie niet langer behoeft te worden ingevuld. |
|
66. |
Zou de Uniewetgever de naleving hebben willen opleggen van de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften voor het deel van het transport dat tussen de plaats van uitgang en het derde land van bestemming plaatsvindt, dan zou hij de vervoerder hebben verplicht om het origineel van het journaal gedurende het gehele transport te bewaren en een controlestelsel in het derde land van bestemming hebben ingericht. |
|
67. |
Uit het voorgaande volgt dat bij een lang transport met een derde land als bestemming, de in afdeling 1 van het journaal opgenomen planning enkel tot de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie een concreet vervolg krijgt in de andere afdelingen van dit journaal. Deze planning is dus niet bestemd om te worden vergeleken met het daadwerkelijke traject vanaf de plaats van uitgang. Het is daarom niet logisch te eisen dat een dergelijke planning overeenkomstig de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften inlichtingen bevat met betrekking tot transport‑ en rusttijden voor het voorbij de uitgang van het grondgebied van de Unie afgelegde traject, aangezien dit gedeelte van het transport niet valt onder de controles die plaatsvinden in het kader van het door de verordening in het leven geroepen algemene stelsel. |
|
68. |
Wat dit aangaat blijkt uit de vergelijking met het door de Uniewetgever in het leven geroepen bijzondere stelsel van exportrestituties dat, buiten dit stelsel, de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften niet bestemd zijn om toepassing te vinden op het deel van het vervoer van dieren dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt. |
|
69. |
Krachtens artikel 168 van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) ( 7 ) wordt met betrekking tot de producten van de sector rundvlees „de restitutie bij uitvoer van levende dieren slechts toegekend en uitbetaald wanneer is voldaan aan de voorschriften van de Gemeenschap inzake het welzijn van dieren en meer in het bijzonder inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer”. |
|
70. |
Artikel 1 van verordening (EU) nr. 817/2010 van de Commissie van 16 september 2010 tot vaststelling, op grond van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer ( 8 ), bepaalt onder het kopje „Toepassingsgebied” dat de betaling van deze restituties „afhankelijk [wordt] gesteld van de naleving, tijdens het vervoer van de dieren tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming, van de artikelen 3 tot en met 9 van verordening (EG) nr. 1/2005, alsmede van de daarin genoemde bijlagen [...]”. |
|
71. |
Uit laatstgenoemde bepaling blijkt ondubbelzinnig dat, anders dan hetgeen in het kader van het door verordening nr. 1/2005 in het leven geroepen algemene stelsel geldt, de naleving van de voorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 3 tot en met 9 van die verordening en de hierbij behorende bijlagen, is voorgeschreven voor het volledige transport, inclusief het deel van het traject dat tussen de uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van bestemming ligt. |
|
72. |
Het door verordening nr. 817/2010 in het leven geroepen controlestelsel is aangepast aan deze verruimde werkingssfeer van de in verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften. |
|
73. |
Zo bepaalt, wat de controles op het douanegebied van de Unie betreft, artikel 2, lid 2, van verordening nr. 817/2010 dat de officiële dierenarts op de plaats van uitgang de navolgende controles dient uit te voeren. |
|
74. |
In de eerste plaats moet ingevolge artikel 2, lid 2, onder a), van deze verordening de officiële dierenarts op de plaats van uitgang nagaan, of „de voorwaarden van verordening (EG) nr. 1/2005 vanaf de plaats van vertrek [...] tot de plaats van uitgang zijn vervuld”. |
|
75. |
In de tweede plaats bepaalt artikel 2, lid 2, onder b), van verordening nr. 817/2010 dat deze dierenarts moet controleren of „de vervoersomstandigheden tijdens de verdere reis in overeenstemming zijn met verordening (EG) nr. 1/2005 en [of] de nodige maatregelen zijn getroffen om de inachtneming ervan tot de eerste lossing in het derde land van de eindbestemming te verzekeren”. |
|
76. |
De officiële dierenarts van de plaats van uitgang noteert de bevindingen van deze controle in het „verslag van de controle op de plaats van uitgang”, waarvan het model in bijlage I bij verordening nr. 817/2010 is opgenomen. Dit verslag maakt een onderscheid tussen controles met betrekking tot het traject tot en met de plaats van uitgang en controles betreffende het traject vanaf de plaats van uitgang. Om het resultaat van de controles als bevredigend te kunnen aanmerken, dient de exporteur voor deze beide gedeelten van het traject aan de in verordening nr. 1/2005 opgenomen vereisten te hebben voldaan. |
|
77. |
Deze controles worden vervolgens aangevuld met controles in de derde landen. |
|
78. |
Verder bepaalt artikel 3, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 817/2010 dat, nadat de dieren het douanegebied van de Unie hebben verlaten, de exporteur ervoor moet zorgen dat de dieren in twee situaties een controle ondergaan, namelijk, in de eerste plaats, op elke plaats van overlading in een ander vervoermiddel, en, in de tweede plaats, op de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming. Ingevolge artikel 3, lid 2, van deze verordening moeten deze controles worden uitgevoerd door een op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma die daartoe door een lidstaat is erkend en wordt gecontroleerd, of door een officiële instantie van een lidstaat. |
|
79. |
Mijns inziens blijkt uit deze weergave van het bijzondere door verordening nr. 817/2010 in het leven geroepen stelsel dat wanneer de Uniewetgever de bedoeling zou hebben gehad om in algemene zin de organisator van een lang transport te verplichten de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften na te leven voor het deel van het transport dat tussen de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie en het derde land van bestemming plaatsvindt, hij, in de eerste plaats, zou hebben gekozen voor een ruimere definitie van de werkingssfeer van deze verordening dan die welke in artikel 1, lid 1, ervan is opgenomen, en, in de tweede plaats, deze verplichting zou hebben verbonden aan een controlestelsel dat vergelijkbaar is met het door hem voor exportrestituties ingerichte stelsel. |
|
80. |
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat verordening nr. 1/2005 aldus moet worden uitgelegd dat zij de organisator van een lang transport naar een derde land niet verplicht om, wat het deel van het transport betreft dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, in afdeling 1, punt 6, van het journaal inlichtingen met betrekking tot transport‑ en rusttijden op te nemen die in overeenstemming zijn met de in bijlage I, hoofdstuk V, bij deze verordening opgenomen voorschriften. |
|
81. |
Bijgevolg ben ik van mening dat artikel 14, lid 1, onder a), ii), en c), van verordening nr. 1/2005 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de afstempeling van het journaal niet kan weigeren op grond dat de daarin opgenomen inlichtingen die betrekking hebben op het deel van het transport dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, niet voldoen aan de in bijlage I, hoofdstuk V, bij deze verordening opgenomen voorschriften. |
|
82. |
Andersom moet bij een transport van dieren vanuit een derde land de organisator van dit transport vanaf de binnenkomst op het grondgebied van de Unie via een grensinspectiepost de in verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften naleven. Gelet op het feit dat de werkingssfeer van deze verordening zich beperkt tot het grondgebied van de Unie, kan deze organisator echter niet worden verplicht om deze voorschriften na te leven voor het deel van het transport dat vóór zijn binnenkomst op het grondgebied van de Unie ligt, ook al vormt het traject vanaf het derde land tot de lidstaat van bestemming één en hetzelfde transport. |
|
83. |
Ik dien mij nu te buigen over het standpunt dat de Commissie in deze zaak heeft ingenomen. |
|
84. |
Hoewel de Commissie – gezien haar uiteenzettingen in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting – eveneens van mening is dat de in bijlage I, hoofdstuk V, bij verordening nr. 1/2005 opgenomen voorschriften niet van toepassing zijn op het deel van het transport dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, pleit zij niettemin voor een middenweg die in wezen inhoudt dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de bevoegdheid krijgt om na te gaan of, wat dit deel van het transport betreft, de organisator ervan voldoet aan de in artikel 3 van verordening nr. 1/2005 opgesomde „algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren”. |
|
85. |
Voornoemde bepaling hanteert het uitgangspunt dat het „verboden [is] dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent”. Verder bevat zij een aantal algemene voorwaarden, volgens welke „vooraf [...] alle nodige voorzieningen [moeten zijn] getroffen om de duur van het transport tot een minimum te beperken en tijdens het transport in de behoeften van de dieren te voorzien”; „het transport [...] zonder oponthoud tot de plaats van bestemming [moet worden] uitgevoerd, en de omstandigheden voor het welzijn van de dieren [...] regelmatig [moeten worden] gecontroleerd en naar behoren in stand [moeten worden] gehouden”, en „de dieren [...] op gezette tijden water, voeder en rust [moeten krijgen], in kwaliteit en in kwantiteit afgestemd op hun soort en grootte”. |
|
86. |
Mijns inziens kan de door de Commissie voorgestelde oplossing om de volgende redenen niet worden aanvaard. |
|
87. |
In de eerste plaats mag niet worden voorbijgegaan aan het feit dat, bij gebreke van een aanknopingspunt voor een andersluidende interpretatie, de definitie van de werkingssfeer ratione loci van deze verordening, zoals die volgt uit artikel 1, lid 1, ervan, noodzakelijkerwijs voor alle in deze verordening opgenomen voorschriften geldt, ongeacht of het gaat om „algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren”, zoals neergelegd in artikel 3 van verordening nr. 1/2005, dan wel meer toegespitste voorschriften, zoals de in bijlage I bij deze verordening opgenomen technische specificaties. |
|
88. |
Gelet op de ondubbelzinnige formulering van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1/2005 kan mijns inziens daarom niet worden betoogd – zoals de Commissie doet – dat, enerzijds, de in bijlage I, hoofdstuk V, bij deze verordening opgenomen voorschriften niet van toepassing zijn op het deel van het transport dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, en dat, anderzijds, deze tekortkoming van de verordening kan worden verholpen door een uitbreiding van de werkingssfeer van de in artikel 3 van verordening nr. 1/2005 opgenomen „algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren” tot het gehele transport, dat wil zeggen tot en met het derde land van bestemming. |
|
89. |
Voorts zou de door de Commissie in overweging gegeven aanpak erop neerkomen dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek een uitgebreide beoordelingsbevoegdheid wordt verleend om, wat het deel van transport betreft dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, te beoordelen of de geplande transport‑ en rusttijden redelijk zijn. Het feit dat de bevoegde autoriteiten daarbij tot verschillende beoordelingen zouden komen, lijkt mij niet alleen lastig te verenigen met het vereiste van een uniforme toepassing van verordening nr. 1/2005, maar ook met de andere door deze verordening nagestreefde doelstellingen, namelijk om – naast de bescherming van dieren tijdens transporten – de technische belemmeringen voor het handelsverkeer in levende dieren uit de weg te ruimen en ervoor te zorgen dat de betrokken marktordeningen goed kunnen functioneren. ( 9 ) |
|
90. |
Bijgevolg zouden door aan de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek een zo ruime beoordelingsbevoegdheid toe te kennen bij de handhaving van de in artikel 3 van verordening nr. 1/2005 opgenomen voorwaarden, die gekenmerkt worden door hun algemene aard, concurrentieverstoringen tussen de organisatoren van transporten van levende dieren ontstaan. |
|
91. |
Gelet op het voorgaande deel ik dus niet het door de Commissie verdedigde standpunt om de vragen van de verwijzende rechter verschillend te beantwoorden naargelang het gaat om de algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren, zoals opgesomd in artikel 3 van verordening nr. 1/2005, dan wel de meer toegespitste voorschriften die in deze verordening zijn opgenomen, zoals die in bijlage I, hoofdstuk V, bij de verordening. |
|
92. |
Tot slot hecht ik eraan op te merken dat ik mij zeer wel bewust ben van het belang van de doelstelling van de bescherming van dieren tijdens het vervoer. Voorts ga ik niet voorbij aan artikel 13 VWEU, dat de Unie en de lidstaten opdraagt om bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie op het gebied van onder andere landbouw en vervoer ten volle rekening te houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel. |
|
93. |
Ook heb ik begrip voor het streven om verordening nr. 1/2005 geografisch een zo ruim mogelijk nuttig effect te verlenen door verwijzing naar de in artikel 3 van deze verordening opgenomen algemene regels dan wel naar artikel 13 VWEU. |
|
94. |
Ik moet evenwel constateren dat de Uniewetgever, althans in dit stadium van de ontwikkeling van het Unierecht, de werkingssfeer ratione loci van verordening nr. 1/2005 heeft willen beperken tot het grondgebied van de Unie. |
|
95. |
Mijns inziens staat het bijgevolg aan deze wetgever, en aan hem alleen, te besluiten om in de toekomst de naleving van de in deze verordening opgenomen voorschriften voor het gehele lange transport voor te schrijven, inclusief het deel ervan dat buiten het grondgebied van de Unie plaatsvindt, en een dergelijke verruiming van de territoriale werkingssfeer van deze verordening te koppelen aan de inrichting van een geschikt controlestelsel. |
IV – Conclusie
|
96. |
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bayerische Verwaltungsgerichtshof te beantwoorden als volgt: „Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van verordening (EG) nr. 1255/97 moet aldus moet worden uitgelegd dat zij de organisator van een lang transport naar een derde land niet verplicht om, wat het deel van het transport betreft dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, in afdeling 1, punt 6, van het transportjournaal inlichtingen met betrekking tot transport‑ en rusttijden op te nemen die in overeenstemming zijn met de in bijlage I, hoofdstuk V, bij deze verordening opgenomen voorschriften of met de in artikel 3 van de verordening opgenomen algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren. Bijgevolg moet artikel 14, lid 1, onder a), ii), en c), van verordening nr. 1/2005 aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de afstempeling van het transportjournaal niet kan weigeren op grond dat de daarin opgenomen inlichtingen die betrekking hebben op het deel van het transport dat plaatsvindt tussen de plaats waar het grondgebied van de Unie wordt verlaten en het derde land van bestemming, noch aan de in bijlage I, hoofdstuk V, bij deze verordening opgenomen voorschriften, noch aan de in artikel 3 van de verordening opgenomen algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren voldoen.” |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB 2005, L 3, blz. 1, en – rectificatie – PB 2011, L 336, blz. 86.
( 3 ) Cursivering van mij.
( 4 ) Hetzelfde geldt voor artikel 5, lid 4, van verordening nr. 1/2005, dat bepaalt dat de vervoerders en organisatoren moeten voldoen aan de in bijlage II bij die verordening opgenomen voorschriften inzake het journaal voor lange transporten tussen de lidstaten en met derde landen.
( 5 ) Ondertekend te Parijs op 13 december 1968. De tekst van deze overeenkomst is herzien bij Aanvullend protocol bij de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer, dat op 7 november 1989 in werking is getreden. Wat de ondertekening van deze Overeenkomst door de Unie betreft zie besluit 2004/544/EG van de Raad van 21 juni 2004 betreffende de ondertekening van de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer (herzien) (PB L 241, blz. 21).
( 6 ) Cursivering van mij.
( 7 ) PB L 299, blz. 1.
( 8 ) PB L 245, blz. 16.
( 9 ) Zie dienaangaande arrest Danske Svineproducenter (C‑316/10, EU:C:2011:863, punten 44 en 55).