CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 9 april 2014 ( 1 )
Gevoegde zaken C‑119/13 tot en met C‑121/13
eco cosmetics GmbH & Co. KG (C‑119/13)
tegen
Virginie Laetitia Barbara Dupuy,
Raiffeisenbank St. Georgen reg. Gen. mbH (C‑120/13)
tegen
Tetyana Bonchyk
en
Rechtsanwaltskanzlei CMS Hasche Sigle, Partnerschaftsgesellschaft (C‑121/13)
tegen
Xceed Holding Ltd
[verzoek van het Amtsgericht Wedding (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Europees betalingsbevel — Verordening (EG) nr. 1896/2006 — Ontbreken van rechtsgeldige betekening — Heroverweging — Eerbiediging van rechten van verdediging — Artikel 47 van het Handvest”
|
1. |
Het gemeenschappelijk rechtskader van de onderhavige prejudiciële zaken is verordening (EG) nr. 1896/2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure. ( 2 ) Deze zaken betreffen de vraag of bij gebreke van betekening of kennisgeving van het Europees betalingsbevel aan de verweerder, deze kan verzoeken om overeenkomstige toepassing van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006. |
|
2. |
Dit voorschrift bepaalt dat, na afloop van de termijn bedoeld in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, onder bepaalde voorwaarden de bevoegde rechterlijke instantie van de lidstaat van oorsprong (hierna: „gerecht van oorsprong”) kan worden verzocht om heroverweging van het Europees betalingsbevel wegens buitengewone omstandigheden. De verweerder heeft met name het recht te verzoeken om heroverweging van het betalingsbevel wanneer dit bevel op een van de in artikel 14 van die verordening genoemde wijzen is betekend of ter kennis gebracht, of de betekening of kennisgeving buiten zijn schuld niet zo tijdig is geschied als met het oog op zijn verdediging nodig was. |
|
3. |
In deze conclusie zal ik uiteenzetten waarom ik van mening ben dat verordening nr. 1896/2006 aldus moet worden uitgelegd zij in de weg staat aan overeenkomstige toepassing van artikel 20 ervan wanneer een Europees betalingsbevel niet of niet rechtsgeldig aan de verweerder is betekend of ter kennis gebracht. Ter waarborging van de eerbiediging van de rechten van verdediging dient laatstgenoemde te beschikken over een onafhankelijk rechtsmiddel voor het gerecht van oorsprong, dat hem in staat stelt aan te tonen dat dit bevel hem niet is betekend en in voorkomend geval de nietigheid ervan te laten vaststellen. |
I – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
|
4. |
Verordening nr. 1896/2006 heeft volgens artikel 1, lid 1, sub a, ervan tot doel „de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren”. |
|
5. |
Artikel 13 van deze verordening luidt: „Het Europees betalingsbevel kan op een van de volgende wijzen aan de verweerder worden betekend of ter kennis gebracht, overeenkomstig het nationale recht van de staat waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht:
|
|
6. |
Artikel 14 van deze verordening, „Betekening of kennisgeving zonder bewijs van ontvangst door de verweerder”, bepaalt het volgende: „1. Het Europees betalingsbevel kan tevens op een van de volgende wijzen aan de verweerder worden betekend of ter kennis worden gebracht, overeenkomstig het nationale recht van de staat waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht:
2. Voor de toepassing van deze verordening is betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 1 niet toegestaan indien het adres van de verweerder niet met zekerheid bekend is. 3. Betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 1, sub a, b, c en d, blijkt uit:
|
|
7. |
Artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 luidt: „1. De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen door middel van het standaardformulier F van bijlage VI, dat hem samen met het Europees betalingsbevel wordt verstrekt. 2. Het verweerschrift wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis is gebracht. [...]” |
|
8. |
Tot slot verleent artikel 20 van die verordening de verweerder het recht te verzoeken om heroverweging van het Europees betalingsbevel. Deze bepaling luidt: „1. De verweerder heeft het recht om, na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, het [...] gerecht [...] van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
mits hij in beide gevallen onverwijld handelt. 2. Na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, heeft de verweerder tevens het recht om het [...] gerecht [...] van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, indien het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden. 3. Indien het gerecht het verzoek van de verweerder weigert omdat geen van de in de leden 1 en 2 bedoelde heroverwegingsgronden van toepassing is, blijft het Europees betalingsbevel van kracht. Indien het gerecht besluit dat heroverweging om een van de in de leden 1 en 2 bedoelde redenen gegrond is, is het Europees betalingsbevel nietig.” |
B – Duits recht
|
9. |
In het Duitse recht is de betalingsbevelprocedure geregeld in de Zivilprozessordnung (Duits wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „ZPO”). In de op de hoofdgedingen toepasselijke redactie van de ZPO bepalen §§ 692, lid 1, punt 1, en 700, lid 3, eerste volzin, ervan dat na de indiening van een verweerschrift – ongeacht of dit ontvankelijk, tijdig, te laat of zelfs onduidelijk is – de betalingsbevelprocedure automatisch aan de bevoegde rechterlijke instantie wordt overgedragen. |
|
10. |
Ingevolge § 690, lid 1, punt 5, ZPO moet de schuldeiser reeds bij zijn verzoek om een betalingsbevel opgeven welke rechterlijke instantie bevoegd is ingeval een verweerschrift wordt ingediend. |
|
11. |
Het Amtsgericht Wedding (Duitsland) merkt in zijn verwijzingsbeslissingen op dat dit daarentegen niet geldt voor het verzoek om een Europees betalingsbevel; daarvoor is niet voorzien in opgaaf van de in geval van verweer bevoegde rechter. De overdracht aan de bevoegde rechter nadat een verweerschrift is ingediend, wordt ingevolge artikel 17, leden 1 en 2, van verordening nr. 1896/2006 enkel beheerst door het recht van de lidstaat van oorsprong, dat wil zeggen de lidstaat waar het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd. |
|
12. |
De verwijzende rechter zet uiteen dat dit volgens § 1090, leden 1, eerste volzin, en 2, eerste volzin, ZPO betekent dat de schuldeiser door de voor het Europees betalingsbevel bevoegde rechter wordt verzocht om de in geval van een geschil bevoegde rechter aan te wijzen. Zolang de schuldeiser dit niet doet – of wanneer hij überhaupt geen rechter aanwijst –, vindt er in het geheel geen overdracht aan een andere rechter plaats. Volgens de verwijzende rechter heeft dit tot gevolg dat de verzoeker beschikt over een Europees betalingsbevel met een uitvoerbaarverklaring, doch dat de verweerder geen mogelijkheid heeft om de inachtneming van de termijn voor het indienen van een verweerschrift, respectievelijk het feit dat die termijn nooit is ingegaan, door een rechter te laten verifiëren, aangezien het dossier niet volgens de algemene procedureregels aan een rechter is overgelegd, en de heroverwegingsprocedure van artikel 20 van de verordening niet rechtstreeks toepasselijk is. |
II – Feiten van de hoofdgedingen
A – Zaak C‑119/13
|
13. |
Eco cosmetics GmbH & Co. KG (hierna: „eco cosmetics”), gevestigd in Duitsland, diende bij het Amtsgericht Wedding een verzoek in om een Europees betalingsbevel tegen de in Frankrijk woonachtige Dupuy. Zij gaf daarbij als woonadres van verweerster een adres in Frankrijk op. Het Amtsgericht Wedding heeft het verlangde Europees betalingsbevel uitgevaardigd op 22 maart 2010. Het bevel is bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs betekend aan het door eco cosmetics opgegeven adres. Blijkens het ontvangstbewijs vond de betekening plaats op 31 maart 2010. |
|
14. |
Aangezien Dupuy geen verweerschrift indiende, heeft het Amtsgericht Wedding het betalingsbevel op 20 mei 2010 uitvoerbaar verklaard overeenkomstig artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1896/2006. |
|
15. |
Pas bij schrijven van 28 juli 2010, binnengekomen bij het Amtsgericht op 3 augustus 2010, diende Dupuy een verweerschrift in tegen het Europees betalingsbevel. Bij schrijven van 5 augustus 2010 wees het Amtsgericht Wedding Dupuy erop dat haar verweerschrift te laat was ingediend en dat zij hooguit kon verzoeken om heroverweging overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 1896/2006. Dupuy diende hierop bij schrijven van 7 oktober 2010 een verzoek om heroverweging in, welk verzoek zij bij schrijven van 13 april 2011 motiveerde. |
|
16. |
Dupuy betoogt dat het Europees betalingsbevel haar nooit is betekend. Zij had reeds in oktober 2009 de woning op het door eco cosmetics opgegeven adres verlaten. Van het betalingsbevel had zij pas door een brief van haar bank van 23 juli 2010 kennis gekregen. Een en ander wordt bestreden door eco cosmetics. |
B – Zaak C‑120/13
|
17. |
Raiffeisenbank St. Georgen reg. Gen. mbH (hierna: „Raiffeisenbank”), gevestigd in Oostenrijk, diende bij het Amtsgericht Wedding een verzoek in om een Europees betalingsbevel tegen de in Duitsland woonachtige Bonchyk. Op 2 september 2010 heeft het Amtsgericht Wedding het verlangde Europees betalingsbevel uitgevaardigd en dit tweemaal zonder resultaat per post laten betekenen aan het door de Raiffeisenbank opgegeven adres. De Raiffeisenbank deelde daarop een nieuw adres mee. Blijkens het ontvangstbewijs vond de betekening van het Europees betalingsbevel daar plaats op 1 februari 2011 door deponering in de brievenbus. |
|
18. |
Bij gebreke van een verweerschrift van de kant van Bonchyk heeft het Amtsgericht Wedding dit Europees betalingsbevel op 10 maart 2011 uitvoerbaar verklaard. Bij faxbericht van 1 juni 2011 voerde Bonchyk verweer tegen het betalingsbevel. Zij voerde daarbij aan dat zij slechts bij toeval kennis had genomen van het bestaan van een betalingsbevel en dat zij al sinds 2009 niet meer woonde op het adres waaraan was betekend. Het betalingsbevel zou nooit aan haar zijn betekend. |
|
19. |
Bij schrijven van 17 juni 2011 wees het Amtsgericht Wedding erop dat het verweerschrift van Bonchyk te laat was ingediend en dat hooguit een verzoek om heroverweging overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 kon worden gedaan. Bij schrijven van 24 juni 2011 diende Bonchyk een verzoek in om heroverweging van het Europees betalingsbevel. |
C – Zaak C‑121/13
|
20. |
Rechtsanwaltskanzlei CMS Hasche Sigle, Partnerschaftsgesellschaft (hierna: „CMS Hasche Sigle”), gevestigd in Duitsland, diende bij het Amtsgericht Wedding een verzoek in om een Europees betalingsbevel tegen de in Cyprus gevestigde vennootschap Xceed Holding Ltd. Hiertoe had zij een adres in Nicosia (Cyprus) opgegeven. Op 4 juni 2010 heeft het Amtsgericht Wedding het verlangde Europees betalingsbevel uitgevaardigd en dit bij een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs laten betekenen aan het door CMS Hasche Sigle opgegeven adres. Blijkens het ontvangstbewijs werd het betalingsbevel op 30 juni 2010 aan dit adres betekend. Het ontvangstbewijs draagt de handtekening en het stempel van een advocatenkantoor. Noch het hokje „overhandigd”, noch een ander hokje is aangekruist. Op 10 augustus 2010 heeft het Amtsgericht Wedding dit bevel uitvoerbaar verklaard. |
|
21. |
Bij schrijven van haar advocaat van 19 oktober 2010, binnengekomen bij het Amtsgericht op 20 oktober 2010, diende Xceed Holding Ltd. een verzoek om heroverweging in en diende zij uit voorzorg een verweerschrift tegen het betalingsbevel in. |
|
22. |
Xceed Holding Ltd. betoogt – zonder op dit punt te worden weersproken – dat het Europees betalingsbevel nooit aan haar is betekend. Tot 18 mei 2010 was zij gevestigd in Larnaca (Cyprus), daarna in Limassol (Cyprus). Zij zou nooit contact hebben gehad met het op het ontvangstbewijs aangegeven advocatenkantoor. Pas door een aanmaning tot betaling van CMS Hasche Sigle van 7 oktober 2010 zou zij kennis hebben gekregen van het Europees betalingsbevel. |
|
23. |
Het Amtsgericht Wedding heeft in deze drie zaken twijfels over de uitlegging van verordening nr. 1896/2006. Het vraagt zich met name af, of het door de verwerende partijen in de hoofdgedingen ingediende verzoek om heroverweging van het Europees betalingsbevel een geoorloofd rechtsmiddel is. |
III – Prejudiciële vragen
|
24. |
Daarop heeft het Amtsgericht Wedding de behandeling van de drie hoofdgedingen geschorst en het Hof prejudiciële vragen gesteld. Ik geef hierna de vragen weer die zijn gesteld in de zaak C‑119/13, waarvan de eerste en de derde overeenkomen met de vragen in de zaken C‑120/13 en C‑121/13:
|
IV – Beoordeling
|
25. |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 1896/2006 aldus moet worden uitgelegd dat de verweerder met een beroep op overeenkomstige toepassing van artikel 20, lid 1 of lid 2, van die verordening kan verzoeken om heroverweging van het Europees betalingsbevel wanneer dit bevel niet of niet rechtsgeldig aan hem is betekend. |
|
26. |
In de drie hoofdgedingen gaat de verwijzende rechter ervan uit dat het Europees betalingsbevel niet of niet rechtsgeldig is betekend, aangezien hierbij niet is voldaan aan de minimumvoorschriften van verordening nr. 1896/2006. |
|
27. |
In feite wordt in de onderhavige zaken de vraag aangesneden, over welk rechtsmiddel de verweerder beschikt tegen een Europees betalingsbevel dat niet of niet rechtsgeldig aan hem is betekend en dat uitvoerbaar is verklaard. Verordening nr. 1896/2006 zwijgt namelijk over eventuele rechtsmiddelen waarover de verweerder in een dergelijk geval kan beschikken en creëert hiermee een rechtsvacuüm. De vraag is dus enkel wat de rechtsgevolgen zijn van een betekening die niet of niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. |
|
28. |
De verwijzende rechter en het merendeel van de partijen in het geding zijn van mening dat heroverweging van het Europees betalingsbevel op basis van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 het enige rechtsmiddel is. Ik ben het daar niet mee eens. |
|
29. |
Verordening nr. 1896/2006 heeft volgens artikel 1, lid 1, sub a, ervan ten doel de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren. Deze procedure zou kunnen worden gekwalificeerd als een „eenzijdige procedure”, aangezien voor het gerecht van oorsprong geen hoor en wederhoor plaatsvindt en de verweerder pas later in beeld komt, namelijk wanneer het Europees betalingsbevel door dit gerecht is uitgevaardigd en aan hem is betekend of ter kennis gebracht. |
|
30. |
Dienaangaande bevat verordening nr. 1896/2006 minimumvoorschriften voor de betekening of kennisgeving, die in twee categorieën kunnen worden verdeeld. |
|
31. |
Om te beginnen regelt artikel 13 van verordening nr. 1896/2006 de wijzen van betekening of kennisgeving die vergezeld gaan van een bewijs van ontvangst door de verweerder. Dit houdt in dat zwart op wit komt te staan dat de verweerder het tegen hem uitgevaardigde Europees betalingsbevel daadwerkelijk heeft ontvangen – en hem dus bekend is – en dat het bij verordening nr. 1896/2006 in het leven geroepen mechanisme vervolgens zijn werking kan ontplooien. |
|
32. |
Wanneer de verweerder besluit om overeenkomstig artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 verweer te voeren tegen het Europees betalingsbevel, wordt de procedure volgens het gewone burgerlijk procesrecht voortgezet voor het bevoegde gerecht van oorsprong, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht de procedure in dat geval te staken. ( 3 ) Komt daarentegen de verweerder niet op tegen dit bevel, dan wordt het na afloop van de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 gestelde termijn onverwijld uitvoerbaar verklaard door het gerecht van oorsprong, aldus artikel 18, lid 1, van de verordening. Het Europees betalingsbevel dat in de lidstaat van oorsprong uitvoerbaar is geworden, wordt volgens artikel 19 van de verordening in de andere lidstaten erkend en ten uitvoer gelegd. |
|
33. |
Enkel in uitzonderingsgevallen kan de verweerder verzoeken om heroverweging van het Europees betalingsbevel, hetzij omdat hij de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden buiten zijn schuld ( 4 ), hetzij omdat het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is verleend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden ( 5 ). |
|
34. |
In de tweede plaats vermeldt artikel 14 van verordening nr. 1896/2006 de wijzen van betekening of kennisgeving zonder bewijs van ontvangst door de verweerder, waarbij sprake is van afgifte van het Europees betalingsbevel aan een derde. De wetgever van de Unie gaat in dit geval ervan uit dat de verweerder op het moment van het verschijnen van de deurwaarder of de postbode tijdelijk niet aanwezig is. Dit betekent dat bij gebruik van deze wijzen van betekening of kennisgeving enkel wordt vermoed dat de verweerder het jegens hem uitgevaardigde Europees betalingsbevel daadwerkelijk heeft ontvangen en dat hij dus normaal gesproken bekend is met zijn rechten en de rechtsgevolgen die zouden voortvloeien uit een verweer of het uitblijven van een reactie binnen de gestelde termijn, in casu de uitvoerbaarverklaring van dit betalingsbevel overeenkomstig artikel 18 van de verordening. |
|
35. |
Ook in dit geval houdt de wetgever van de Unie echter rekening met een eventueel verstrijken van de termijn door de verweerder de mogelijkheid te bieden om overeenkomstig artikel 20, leden 1 en 2, van verordening nr. 1896/2006 te verzoeken het Europees betalingsbevel te heroverwegen. |
|
36. |
Uit het voorgaande blijkt het grote belang van een geldige betekening of kennisgeving in de Europese betalingsbevelprocedure. Hiermee wordt verzekerd dat de verweerder toegang krijgt tot alle informatie die hij voor zijn verweer nodig heeft en wordt tevens de eerbiediging van de rechten van verdediging gewaarborgd. ( 6 ) De Commissie heeft dit punt reeds in haar voorstukken benadrukt: „Om een eerlijk proces te garanderen moet de gedaagde naar behoren op de hoogte worden gebracht van zijn procedurele rechten en plichten. Die informatie moet hem samen met het betalingsbevel worden gezonden. [...] Beknopte maar volledige informatie is dan ook een conditio sine qua non als men korte termijnen wil en er bovendien nog van uit wil kunnen gaan dat de gedaagde binnen deze termijnen een beslissing kan nemen over het al dan niet betwisten van de vordering met volledige kennis van de gevolgen daarvan zonder dat hij daarvoor juridisch advies hoeft in te winnen.” ( 7 ) |
|
37. |
Dat is waar het bij de door verordening nr. 1896/2006 in het leven geroepen procedure om gaat: de snelheid en de doeltreffendheid van een gerechtelijke procedure verenigen met de eerbiediging van de rechten van verdediging in grensoverschrijdende geschillen die betrekking hebben op onbetwiste geldvorderingen. Is de verweerder eenmaal op de hoogte gebracht en heeft hij kennisgenomen van de inhoud van de verplicht bij de betekening of de kennisgeving te voegen stukken, dan kan hij vervolgens zijn rechten met volledige kennis van zaken uitoefenen. Dat is ook de reden waarom hij daarna over nog maar beperkte middelen beschikt om tegen de tenuitvoerlegging van het Europees betalingsbevel op te komen. |
|
38. |
Niettemin zijn zijn rechten, en met name zijn rechten van verdediging, omdat hij persoonlijk op de hoogte is gebracht van de uitvaardiging van dit bevel, volledig geëerbiedigd. |
|
39. |
Geldt dit ook wanneer bij de tenuitvoerlegging van dit volgens de procedure van artikel 14 van verordening nr. 1896/2006 uitgevaardigde bevel blijkt dat het de vermoedelijke schuldenaar in werkelijkheid en buiten zijn schuld niet heeft bereikt? |
|
40. |
Zeker niet. |
|
41. |
Zoals we hebben gezien, heeft de betekening of kennisgeving binnen het door de verordening in het leven geroepen stelsel tot doel de rechten van verdediging te waarborgen. De betekening of kennisgeving gaat gepaard met het vermoeden van ontvangst van het Europees betalingsbevel door de verweerder, en is daarmee een uiterst belangrijk onderdeel van het stelsel. Wil men het evenwicht tussen de verschillende door de verordening nagestreefde doelstellingen bewaren, dan is de naleving van deze voorwaarden in de procedure van het Europees betalingsbevel van essentieel belang. |
|
42. |
De eerbiediging van de rechten van verdediging kan echter niet door een vermoeden worden gegarandeerd wanneer bij de tenuitvoerlegging van het betalingsbevel blijkt dat dit vermoeden onjuist is. Dan zou men het tot een onweerlegbaar vermoeden moeten verheffen, hetgeen wat de rechten van verdediging betreft geen enkele zin zou hebben. |
|
43. |
Schiet men bij de vereenvoudiging van het bij verordening nr. 1896/2006 ingevoerde mechanisme te ver door, dan wordt juist afbreuk gedaan aan de rechten van verdediging en daarmee aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). |
|
44. |
Om te beginnen zou overeenkomstige toepassing van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 er namelijk op neerkomen dat de te goeder trouw handelende verweerder wordt verstoken van zijn meest fundamentele recht, omdat hij als gevolg van een niet met inachtneming van de minimumvoorschriften verrichte betekening van het Europees betalingsbevel niet bekend is met de hem ter beschikking staande wijzen van verweer, terwijl daarentegen de verweerder die naar behoren op de hoogte is gebracht van een dergelijk bevel deze rechten wel zou hebben kunnen uitoefenen. Behalve dat een dergelijke uitlegging ingaat tegen de eerbiediging van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechten van verdediging, zou hiermee ook de gelijke behandeling van deze twee te goeder trouw handelende verweerders geweld worden aangedaan. |
|
45. |
Bovendien kan bij gebreke van betekening of kennisgeving van het Europees betalingsbevel aan de verweerder niet worden uitgemaakt of de betrokken vordering ook werkelijk onbetwist is, aangezien de verweerder – nu een dergelijke betekening of kennisgeving ontbreekt – haar op geen enkel moment heeft kunnen betwisten. Bijgevolg zouden wij hier niet alleen ingaan tegen de doelstelling van verordening nr. 1896/2006 die, zoals gezegd, een procedure voor een Europees betalingsbevel voor „onbetwiste vorderingen” in het leven roept, maar daarnaast en vooral zouden op flagrante wijze de rechten van verdediging worden geschonden, welke schending ook nog eens ernstige rechtsgevolgen voor de verweerder zou hebben. Wordt namelijk in het geval van een overeenkomstige toepassing van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 op zaken als de onderhavige heroverweging afgewezen, dan raakt dit niet aan de uitvoerbaarheid van het Europees betalingsbevel, aangezien dit volgens artikel 20, lid 3, van verordening nr. 1896/2006 van kracht blijft. |
|
46. |
Ik wijs er tevens op dat de Uniewetgever niet heeft nagelaten duidelijk te maken dat vanaf het moment van de uitvaardiging van een Europees betalingsbevel het gerecht van oorsprong ervoor moet zorgen dat dit bevel aan de verweerder wordt betekend of ter kennis gebracht overeenkomstig het nationale recht, volgens een methode die voldoet aan de in artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006 vastgestelde minimumnormen. ( 8 ) Artikel 14 van de verordening, dat betrekking heeft op betekening of kennisgeving zonder bewijs van ontvangst van het Europees betalingsbevel door de verweerder, is wat dit betreft nog duidelijker, aangezien lid 2 ervan bepaalt dat „betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 1 niet [is] toegestaan, indien het adres van de verweerder niet met zekerheid bekend is”. |
|
47. |
Met zijn nadruk op de verplichting van het gerecht van oorsprong om ervoor te zorgen dat de minimumvoorschriften met betrekking tot betekening of kennisgeving ook werkelijk worden nageleefd, heeft de Uniewetgever blijk gegeven van zijn wil om te waarborgen dat de rechten van verdediging worden geëerbiedigd in een eenzijdige procedure waarin de verweerder uiteindelijk pas met vertraging in staat wordt gesteld om zijn rechten uit te oefenen. |
|
48. |
Wat is dan het nut van de procedure van artikel 14 van verordening nr. 1896/2006? Mijns inziens is dat duidelijk. Zij schept een vermoeden dat de ongestoorde voortzetting van de procedure mogelijk maakt en – indien geen verweer wordt gevoerd – de uitvoerbaarverklaring van het Europees betalingsbevel. Dit is logisch, aangezien de wijze van betekening of kennisgeving het waarschijnlijk maakt dat het betalingsbevel de geadresseerde ervan heeft bereikt. In het streven naar doeltreffendheid rechtvaardigt deze waarschijnlijkheid de ingangzetting van de volgende fasen van de procedure. Immers, in een zeer groot aantal gevallen zullen vermoeden en werkelijkheid elkaar dekken. Echter, in die – statistisch gezien minder frequente – gevallen, waarin de werkelijkheid anders is, moet de kennisgeving of de betekening geacht worden niet te hebben plaatsgevonden. Hiermee is wat de bulk van de gevallen betreft de doeltreffendheid van het stelsel verzekerd, terwijl in het individuele geval de verweerder zijn rechten behoudt. |
|
49. |
Bovendien is dit mijns inziens de enige uitlegging die de procedure van artikel 14 van verordening nr. 1896/2006 lijkt te vrijwaren van kritiek, zoals die met name in de rechtsleer is geuit ( 9 ). |
|
50. |
Ik ben derhalve van mening dat overeenkomstige toepassing van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 op zaken als de onderhavige noch strookt met de bewoordingen van deze verordening, noch met de geest ervan en indruist tegen artikel 47 van het Handvest. Mijns inziens laat deze verordening niet toe dat het evenwicht tussen de rechten, waarvan zij de bescherming beoogt, op een dergelijke wijze wordt verstoord. |
|
51. |
Bovendien ben ik van mening dat aan de verweerder niet een rechtsmiddel mag worden onthouden enkel omdat het waarschijnlijk is dat de betekening of kennisgeving heeft plaatsgevonden, terwijl uit zijn verzet blijkt dat hij geen kennis heeft gekregen van het Europees betalingsbevel. Hij moet dus daadwerkelijk gebruik kunnen maken van een dergelijk rechtsmiddel, teneinde voor het gerecht van oorsprong te kunnen aantonen dat dit bevel hem niet heeft bereikt. Mocht dit gerecht het ontbreken van een betekening of kennisgeving constateren, dan is mijns inziens vernietiging van dit bevel juridisch de enig juiste consequentie. |
|
52. |
Bijgevolg ben ik van mening dat verordening nr. 1896/2006 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen overeenkomstige toepassing van artikel 20 ervan op een geval waarin het Europees betalingsbevel niet op geldige wijze is betekend of ter kennis gebracht aan de verweerder. Ter verzekering van de eerbiediging van de rechten van verdediging dient de verweerder te beschikken over een onafhankelijk rechtsmiddel voor het gerecht van oorsprong, zodat hij in staat is aan te tonen dat hij dit bevel niet heeft ontvangen en in voorkomend geval de nietigheid ervan kan laten vaststellen. |
|
53. |
Gelet op het door mij in overweging gegeven antwoord op de eerste vraag is beantwoording van de tweede en de derde vraag overbodig. |
V – Conclusie
|
54. |
Gelet op het voorgaande stel ik het Hof voor de door het Amtsgericht Wedding gestelde vragen als volgt te beantwoorden: „Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen overeenkomstige toepassing van artikel 20 ervan op een geval waarin het Europees betalingsbevel niet op geldige wijze is betekend of ter kennis gebracht aan de verweerder. Ter verzekering van de eerbiediging van de rechten van verdediging dient de verweerder te beschikken over een onafhankelijk rechtsmiddel voor het gerecht van oorsprong, zodat hij in staat is aan te tonen dat hij dit bevel niet heeft ontvangen en in voorkomend geval de nietigheid ervan kan laten vaststellen.” |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399, blz. 1).
( 3 ) Zie artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1896/2006.
( 4 ) Zie artikel 20, lid 1, sub b, van verordening nr. 1896/2006.
( 5 ) Zie artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006.
( 6 ) Zie met betrekking tot een stuk dat het geding inleidt, arrest Trade Agency (C‑619/10, EU:C:2012:531, punten 32 en 33). Zie ook arrest Alder (C‑325/11, EU:C:2012:824, punten 34‑36).
( 7 ) Zie blz. 38 van het Groenboek betreffende een Europese procedure inzake betalingsbevelen en maatregelen ter vereenvoudiging en bespoediging van de procesvoering over geringe vorderingen [COM(2002) 746 definitief].
( 8 ) Zie artikel 12, lid 5, van deze verordening.
( 9 ) In de rechtsleer is deze zwakte van de verordening aan de kaak gesteld. Zie dienaangaande Guinchard, E., „L’Europe, la procédure civile et le créancier: l’injonction de payer européenne et la procédure européenne de règlement des petits litiges”, Revue trimestrielle de droit commercial et de droit économique, 2008, blz. 465, en Miguet, J., „Procédure d’injonction européenne”, Jurisclasseur commercial, editie 185, 2008. Zie tevens Lopez de Tejada, M., en d’Avout, L., „Les non-dits de la procédure européenne d’injonction de payer”, Revue critique de droit international privé, 2007, blz. 717.