3.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 225/54


Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 6 juni 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — Gena Ivanova Cholakova/Osmo Rayonno Upravlenie pri Stolichna direktsia na vatreshnite raboti

(Zaak C-14/13) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikelen 21, lid 1, VWEU, 67 VWEU en 72 VWEU - Handvest van grondrechten van Europese Unie - Nationale regeling op grond waarvan persoon in bewaring kan worden gehouden voor verificatie van zijn identiteit - Geen verband met Unierecht - Kennelijke onbevoegdheid van Hof)

2013/C 225/99

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen sad Sofia-grad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Gena Ivanova Cholakova

Verwerende partij: Osmo Rayonno Upravlenie pri Stolichna direktsia na vatreshnite raboti

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Administrativen sad Sofia-grad — Uitlegging van artikel 21, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 67 VWEU en 72 VWEU, en van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 45, lid 1, van het Handvest — Burgerschap van de Unie — Vrij verkeer van personen — Uitzonderingen — Nationale regeling op grond waarvan een persoon door de politie in bewaring kan worden gehouden voor verificatie van zijn identiteit, indien deze persoon weigert of niet in staat is zijn identiteit aan te tonen — Bewaring gedurende maximaal 24 uur — Controle die niet gerechtvaardigd is om redenen van openbare orde, ter vermijding van strafbare feiten of ter bescherming van de binnenlandse veiligheid — Discretionaire bevoegdheid van de politie — Geen verplichting om te beoordelen of de vaststelling van de identiteit van de persoon noodzakelijk is

Dictum

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om te antwoorden op de prejudiciële vragen die de Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) bij beslissing van 17 december 2012 (zaak C-14/31) heeft gesteld.


(1)  PB C 79 van 16 maart 2013