|
14.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 112/12 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 27 februari 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation — Frankrijk) — Cartier parfums — lunettes SAS, Axa Corporate Solutions assurances SA/Ziegler France SA, Montgomery transports Sàrl, Inko Trade s.r.o., Jaroslav Mateja, Groupama transport
(Zaak C-1/13) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Artikel 27, lid 2 - Aanhangigheid - Artikel 24 - Aanwijzing van bevoegde rechter - Vaststelling van bevoegdheid van als eerste aangezochte rechter door verschijning van partijen zonder betwisting van bevoegdheid dan wel definitieve beslissing])
2014/C 112/14
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour de cassation
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Cartier parfums — lunettes SAS, Axa Corporate Solutions assurances SA
Verwerende partijen: Ziegler France SA, Montgomery transports Sàrl, Inko Trade s.r.o., Jaroslav Mateja, Groupama transport
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Cour de cassation (Frankrijk) — Uitlegging van artikel 27, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) — Aanhangigheid — Vaststelling dat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is omdat de partijen de bevoegdheid van het eerste gerecht niet hebben betwist dan wel omdat het eerste gerecht een beslissing heeft gegeven die onherroepelijk is om welke reden dan ook
Dictum
Artikel 27, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat, behoudens de hypothese waarin de als laatste aangezochte rechter exclusief bevoegd is op grond van deze verordening, de bevoegdheid van de als eerste aangezochte rechter vaststaat in de zin van die bepaling zodra deze zich niet ambtshalve onbevoegd heeft verklaard en geen van de partijen zijn bevoegdheid heeft betwist vóór of op het tijdstip van de stellingname die naar zijn nationaal procesrecht is te beschouwen als het eerste verweer ten gronde bij hem.