Beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 14 april 2014 –Manufacturing Support & Procurement Kala Naft/Raad
(Zaak T‑263/12)
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie — Bevriezing van tegoeden — Kracht van gewijsde — Motiveringsplicht — Verplichting tot individuele kennisgeving — Rechten van verdediging — Recht op effectieve rechterlijke bescherming — Eigendomsrecht — Evenredigheid — Bevoegdheid van de Raad — Misbruik van bevoegdheid — Onjuiste rechtsopvatting — Begrip ‚aan nucleaire proliferatie verleende steun’ — Onjuiste beoordeling — Beroep kennelijk rechtens ongegrond”
|
1. |
Recht van de Europese Unie — Grondrechten — Personele werkingssfeer — Rechtspersonen die emanatie van derde staten zijn — Daaronder begrepen — Verantwoordelijkheid van de derde staat voor de eerbiediging van de grondrechten op zijn eigen grondgebied — Geen invloed (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) (cf. punten 27‑32) |
|
2. |
Gerechtelijke procedure — Gezag van gewijsde — Draagwijdte (cf. punten 36, 37) |
|
3. |
Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran — Rechtsgrondslag — Beperkende maatregelen waarin is voorzien in een besluit vastgesteld op grond van artikel 215 VWEU — Bevoegdheid van de Raad om beperkende maatregelen tot bevriezing van tegoeden te nemen die zelfstandig en onderscheiden zijn van die welke zijn aanbevolen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (Art. 215 VWEU; verordening nr. 267/2012 van de Raad) (cf. punten 59, 60) |
|
4. |
Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran — Bevriezing van tegoeden van personen, entiteiten of lichamen die zich bezighouden met of medewerking verlenen aan nucleaire proliferatie — Steun aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten — Begrip — Handel in essentiële uitrusting en technologie bestemd voor de aardgas- en aardolie-industrie — Daaronder begrepen (Verordening nr. 267/2012 van de Raad, art. 23, lid 2, sub a; besluit 2010/413/PESC van de Raad) (cf. punten 69, 75) |
Voorwerp
Verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB L 88, blz. 1)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt kennelijk rechtens ongegrond verklaard. |
|
2) |
Manufacturing Support & Procurement Kala Naft Co., Tehran draagt haar eigen kosten alsmede die van de Raad van de Europese Unie. |
|
3) |
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten. |
Beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 14 april 2014 –Manufacturing Support & Procurement Kala Naft/Raad
(Zaak T‑263/12)
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie — Bevriezing van tegoeden — Kracht van gewijsde — Motiveringsplicht — Verplichting tot individuele kennisgeving — Rechten van verdediging — Recht op effectieve rechterlijke bescherming — Eigendomsrecht — Evenredigheid — Bevoegdheid van de Raad — Misbruik van bevoegdheid — Onjuiste rechtsopvatting — Begrip ‚aan nucleaire proliferatie verleende steun’ — Onjuiste beoordeling — Beroep kennelijk rechtens ongegrond”
|
1. |
Recht van de Europese Unie — Grondrechten — Personele werkingssfeer — Rechtspersonen die emanatie van derde staten zijn — Daaronder begrepen — Verantwoordelijkheid van de derde staat voor de eerbiediging van de grondrechten op zijn eigen grondgebied — Geen invloed (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) (cf. punten 27‑32) |
|
2. |
Gerechtelijke procedure — Gezag van gewijsde — Draagwijdte (cf. punten 36, 37) |
|
3. |
Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran — Rechtsgrondslag — Beperkende maatregelen waarin is voorzien in een besluit vastgesteld op grond van artikel 215 VWEU — Bevoegdheid van de Raad om beperkende maatregelen tot bevriezing van tegoeden te nemen die zelfstandig en onderscheiden zijn van die welke zijn aanbevolen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (Art. 215 VWEU; verordening nr. 267/2012 van de Raad) (cf. punten 59, 60) |
|
4. |
Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran — Bevriezing van tegoeden van personen, entiteiten of lichamen die zich bezighouden met of medewerking verlenen aan nucleaire proliferatie — Steun aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten — Begrip — Handel in essentiële uitrusting en technologie bestemd voor de aardgas- en aardolie-industrie — Daaronder begrepen (Verordening nr. 267/2012 van de Raad, art. 23, lid 2, sub a; besluit 2010/413/PESC van de Raad) (cf. punten 69, 75) |
Voorwerp
Verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB L 88, blz. 1)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt kennelijk rechtens ongegrond verklaard. |
|
2) |
Manufacturing Support & Procurement Kala Naft Co., Tehran draagt haar eigen kosten alsmede die van de Raad van de Europese Unie. |
|
3) |
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten. |