|
14.4.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 109/15 |
Beroep ingesteld op 6 januari 2012 — Provincie Groningen e.a./Commissie
(Zaak T-15/12)
2012/C 109/34
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partijen: Provincie Groningen (Groningen, Nederland); Provincie Friesland (Leeuwarden, Nederland); Provincie Drenthe (Assen, Nederland); Provincie Overijssel (Zwolle, Nederland); Provincie Gelderland (Arnhem, Nederland); Provincie Flevoland (Lelystad, Nederland); Provincie Utrecht (Utrecht, Nederland); Provincie Noord-Holland (Haarlem, Nederland); Provincie Zuid-Holland (’s-Gravenhage, Nederland); Provincie Zeeland (Middelburg, Nederland); Provincie Noord-Brabant (‘s-Hertogenbosch, Nederland); en Provincie Limburg (Maastricht, Nederland) (vertegenwoordigers: P. Kuypers en N. van Nuland, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:
|
— |
het besluit van de Commissie van 13 juli 2011 in zaak N308/2010 nietig te verklaren, althans — in ondergeschikte order — nietig te verklaren voor zover natuurbeschermingsorganisaties begunstigde zijn van de Subsidieregeling, althans — in ondergeschikte orde — nietig te verklaren voor zover terreinbeherende organisaties begunstigde zijn van de Subsidieregeling; |
|
— |
de Commissie te veroordelen in de kosten van het geding. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
|
1) |
Eerste middel, ontleend aan een onjuiste toepassing van artikel 107, lid 1, VWEU en een schending van het recht van de Europese Unie.
|
|
2) |
Tweede middel, ontleend aan een schending van de motiveringsverplichting uit hoofde van artikel 296, lid 2, VWEU. |