ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Tweede kamer)

21 november 2013 ( *1 )

„Openbare dienst — Arbeidscontractant — Overeenkomst voor onbepaalde tijd — Opzegging — Post waarvoor veiligheidsmachtiging is vereist — Machtiging geweigerd door nationale veiligheidsoverheid — Besluit herzien door beroepsorgaan — Conclusies van nationale veiligheidsoverheid en beroepsorgaan die het TAOBG niet binden”

In zaak F‑122/12,

betreffende een beroep krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan,

Bruno Arguelles Arias, voormalig arbeidscontractant van de Raad van de Europese Unie, wonende te Awans (België), vertegenwoordigd door J. Lecuyer, advocaat,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en A. Bisch als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. I. Rofes i Pujol (rapporteur), president, R. Barents en K. Bradley, rechters,

griffier: W. Hakenberg,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 september 2013,

het navolgende

Arrest

1

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Gerecht op 22 oktober 2012, verzoekt B. Arguelles Arias in wezen om nietigverklaring van het besluit van het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag (hierna: „TAOBG”) van de Raad van de Europese Unie van12 januari 2012, meegedeeld op 16 januari 2012, om zijn overeenkomst van arbeidscontractant tegen 31 mei 2012 op te zeggen, en om vergoeding van de beweerdelijk geleden materiële en immateriële schade, die voorlopig wordt geraamd op 160181,85 EUR respectievelijk 25000 EUR.

Toepasselijke bepalingen

2

Artikel 3 bis van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) bepaalt:

„1.   Als ‚arbeidscontractant’ in de zin van deze regeling wordt aangemerkt het personeelslid dat niet is tewerkgesteld in een ambt dat voorkomt in de lijst van het aantal ambten gevoegd bij de afdeling van de begroting die op de instelling betrekking heeft, en dat is aangesteld om hetzij voltijds, hetzij deeltijds,

a)

een ambt bij een instelling te vervullen, waarbij handenarbeid of administratieve ondersteunende diensten worden verricht;

[…]”

3

Krachtens artikel 119 ervan zijn de artikelen 47 tot en met 50 bis van de RAP inzake de wijze waarop de aanstelling van tijdelijk functionarissen eindigt van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten.

4

In artikel 47 van de RAP is bepaald:

„Behalve door overlijden eindigt de dienst van tijdelijk functionaris:

[…]

c)

bij overeenkomsten voor onbepaalde tijd:

i)

na afloop van de in de overeenkomst vastgestelde opzeggingstermijn; deze moet ten minste één maand per volbracht dienstjaar bedragen, met een minimum van drie maanden en een maximum van tien maanden. [...]

[…]”

5

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft de Raad op basis van artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) en de artikelen 79, lid 2, en 85, lid 2, van de RAP, algemene uitvoeringsbepalingen vastgesteld betreffende de procedures voor de aanstelling en het gebruik van arbeidscontractanten in het secretariaat-generaal van de Raad (hierna: „AUB”), welke met name van toepassing zijn op arbeidscontractanten die zijn aangesteld op basis van artikel 3 bis van de RAP.

6

Artikel 5 van de AUB, betreffende de veiligheidsmachtiging, bepaalt:

„1.   Indien het [secretariaat-generaal van de Raad] van mening is dat de aard van de aan de arbeidscontractant toevertrouwde werkzaamheden bijzondere voorzorgen inzake veiligheid vereist, is overeenkomstig het besluit tot vaststelling van de beveiligingsvoorschriften van de Raad een veiligheidsmachtiging vereist […].

2.   Het TAOBG kan de overeenkomst opzeggen indien:

a)

de arbeidscontractant weigert zich aan het veiligheidsonderzoek te onderwerpen;

b)

de veiligheidsmachtiging naar aanleiding van de onderzoeken niet aan de arbeidscontractant is verleend;

c)

de veiligheidsmachtiging van de arbeidscontractant wordt ingetrokken.

3.   In de in lid 2, sub b en c, bedoelde gevallen dient het TAOBG eerst na te gaan of de arbeidscontractant in een andere functie kan worden geplaatst waarvoor geen veiligheidsmachtiging is vereist, zij het dat rekening moet worden gehouden met de reden waarom de veiligheidsmachtiging niet is verleend dan wel is ingetrokken.

[…]”

7

In artikel 8 van de AUB, betreffende de functiegroep, is bepaald:

„Het [secretariaat-generaal van de Raad] stelt arbeidscontractanten van artikel 3 bis [van de RAP] aan voor het verrichten, in een ambt dat niet is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, van handenarbeid of administratieve ondersteunende diensten, in functiegroep I.”

8

Op 31 maart 2011 heeft de Raad besluit 2011/292/EU betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 141, blz. 17), vastgesteld, waarbij een integraal beveiligingssysteem is opgezet voor de bescherming van gerubriceerde informatie dat de Raad, het secretariaat-generaal daarvan (hierna: „secretariaat-generaal”) en de lidstaten bestrijkt.

9

Artikel 2, lid 1, van besluit 2011/292 luidt als volgt:

„‚Gerubriceerde […]informatie [van de Europese Unie (EU)]’ […]: informatie of materiaal met een bepaalde EU-rubricering, waarvan openbaarmaking zonder machtiging de belangen van de Europese Unie of van een of meer van haar lidstaten in meerdere of mindere mate kan schaden.”

10

Uit artikel 2, lid 2, van besluit 2011/292 volgt dat voor gerubriceerde informatie van de EU de volgende rubriceringen worden gehanteerd: „[très secret] UE”, „[secret] UE”, „[confidentiel] UE”, „[restreint] UE”.

11

Artikel 7 van besluit 2011/292, betreffende maatregelen inzake persoonsgerelateerde beveiliging, bepaalt:

„1.   Persoonsgerelateerde beveiliging is de toepassing van maatregelen die ervoor moeten zorgen dat toegang tot [gerubriceerde EU-informatie] uitsluitend wordt verleend aan personen die:

[…]

in voorkomend geval op het vereiste veiligheidsniveau zijn onderzocht […]

[…]

2.   De procedures inzake veiligheidsmachtigingen voor personen zijn van dien aard dat kan worden bepaald of een persoon, gelet op diens loyaliteit en betrouwbaarheid, toegang kan worden verleend tot [gerubriceerde EU-informatie].

[…]”

12

In artikel 15 van besluit 2011/292, betreffende de organisatie van de beveiliging binnen de Raad, is bepaald:

„[…]

2.   De secretaris-generaal is de veiligheidsautoriteit van het [secretariaat-generaal]. In die hoedanigheid doet de secretaris-generaal het volgende:

[…]

c)

de ambtenaren en andere personeelsleden van het [secretariaat-generaal] [veiligheidsmachtigingen voor personeel van de Unie] verstrekken overeenkomstig artikel 7, lid 3, alvorens hun toegang kan worden verleend tot informatie met rubricering [confidentiel] UE of hoger;

[…]”

13

Bijlage I bij besluit 2011/292 bevat bepalingen inzake de toepassing van artikel 7 van dat besluit.

14

Titel II van bijlage I bij besluit 2011/292, met het opschrift „Het verlenen van toegang tot [gerubriceerde EU-informatie]”, bepaalt:

„3.

Een persoon wordt alleen toegang tot als [confidentiel] UE of hoger gerubriceerde informatie verleend indien:

[…]

b)

hem een [veiligheidsmachtiging voor personen] voor het passende niveau is verleend of hij anderszins uit hoofde van zijn functie daartoe naar behoren is gemachtigd in overeenstemming met de nationale wet‑ en regelgeving;

[…]

4.

Elke lidstaat en het [secretariaat-generaal] bepalen in hun structuren de functies waarvoor toegang tot informatie met rubricering [confidentiel] UE of hoger is vereist en verlangen daartoe een [veiligheidsmachtiging voor personen] voor het passende niveau.”

15

In titel III van bijlage I bij besluit 2011/292, met het opschrift „Eisen inzake veiligheidsmachtiging voor personen”, is bepaald:

„5.

De nationale veiligheidsoverheden […] of andere bevoegde nationale autoriteiten zijn er, na ontvangst van een naar behoren gemotiveerd verzoek, verantwoordelijk voor dat veiligheidsonderzoeken worden uitgevoerd naar hun onderdanen voor wie toegang tot als [confidentiel] UE of hoger gerubriceerde informatie vereist is. De onderzoeksnormen zijn in overeenstemming met de nationale wet‑ en regelgeving.

[…]

Procedures [inzake de veiligheidsmachtiging voor personen] in het [secretariaat-generaal]

17.

Voor ambtenaren en andere personeelsleden van het [secretariaat-generaal] zendt de veiligheidsautoriteit van het [secretariaat-generaal] de ingevulde vragenlijst voor de veiligheid van personen toe aan de [nationale veiligheidsoverheid] van de lidstaat waarvan de betrokkene onderdaan is, met het verzoek een veiligheidsonderzoek uit te voeren voor het niveau van [gerubriceerde EU-informatie] waartoe toegang van de betrokkene noodzakelijk zal zijn.

18.

Indien een persoon een [veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie] heeft aangevraagd, en het [secretariaat-generaal] de beschikking krijgt over informatie over de betrokkene die voor het veiligheidsonderzoek van belang is, stelt het [secretariaat-generaal] de desbetreffende [nationale veiligheidsoverheid] hiervan in overeenstemming met de regels en voorschriften ter zake in kennis.

19.

Nadat het veiligheidsonderzoek is afgesloten, brengt betrokken [nationale veiligheidsoverheid] de veiligheidsautoriteit van het [secretariaat-generaal] op de hoogte van de uitkomst ervan, met gebruikmaking van het door het Beveiligingscomité voor de briefwisseling voorgeschreven standaardmodel.

a)

Wanneer het veiligheidsonderzoek tot de zekerheid leidt dat er geen informatie bekend is die doet twijfelen aan de loyaliteit en betrouwbaarheid van de betrokkene, kan het tot aanstelling bevoegde gezag van het [secretariaat-generaal van de Raad] hem een [veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie] geven en tot een bepaalde datum toegang verlenen tot [gerubriceerde EU-informatie] tot op het relevante niveau.

b)

Wanneer het veiligheidsonderzoek niet tot die zekerheid leidt, stelt het tot aanstelling bevoegde gezag van het [secretariaat-generaal] de betrokkene daarvan in kennis; deze kan vragen om door het tot aanstelling bevoegde gezag te worden gehoord. Het tot aanstelling bevoegde gezag mag de bevoegde [nationale veiligheidsoverheid] alle aanvullende verduidelijkingen vragen die de overheid, volgens de nationale wet‑ en regelgeving, mag verstrekken. Indien de uitkomst wordt bevestigd, wordt geen [veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie] verleend.

20.

Voor het veiligheidsonderzoek en de resultaten van het veiligheidsonderzoek gelden de in de betrokken lidstaat van toepassing zijnde wet‑ en regelgeving, ook wat de mogelijkheden tot beroep betreft. Tegen besluiten van het tot aanstelling bevoegde gezag van het [secretariaat-generaal] kan beroep worden aangetekend in overeenstemming met het Statuut […] en de [RAP] […].

[…]”

16

De Belgische wet betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, van 11 december 1998 (Belgisch Staatsblad, 7 mei 1999, blz. 15752), zoals gewijzigd bij de wet van 3 mei 2005 (Belgisch Staatsblad, 27 mei 2005, blz. 24993; hierna: „wet betreffende de veiligheidsmachtigingen”) bepaalt:

„[…]

Art[ikel] 12. Deze wet is van toepassing wanneer, in het belang van de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, van de militaire defensieplannen, van de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, van de inwendige veiligheid van de Staat, met inbegrip van het domein van de kernenergie, en van het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, van de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, van het wetenschappelijk of economisch potentieel van het land of van elk ander fundamenteel belang van de Staat, van de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland of van de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat, of tot uitvoering van de verdragen die België binden, de overheid, bevoegd om de toegang tot een betrekking, een functie of een graad, tot geclassificeerde informatie, documenten of gegevens, materieel, materialen of stoffen, tot lokalen, gebouwen of terreinen, of om het sluiten en het uitvoeren van een overeenkomst of een overheidsopdracht te regelen, het bezit van een veiligheidsmachtiging voorschrijft.

[…]

Art[ikel] 22. Na afloop van het veiligheidsonderzoek beslist de veiligheidsoverheid, bij gemotiveerde beslissing en binnen de door de Koning bepaalde termijn, over de toekenning van de vereiste veiligheidsmachtiging, op basis van het onderzoeksverslag dat haar wordt voorgelegd door de inlichtingen‑ en veiligheidsdienst die het onderzoek heeft ingesteld.

Indien zij het nuttig acht voor de analyse van het onderzoeksverslag, verzoekt de veiligheidsoverheid die dienst haar een kopie van het volledige onderzoeksdossier over te zenden. De veiligheidsoverheid kan eveneens van deze dienst de mededeling eisen van enige aanvullende informatie die zij nuttig acht voor de analyse van het onderzoeksverslag.

De beslissing wordt via de veiligheidsofficier ter kennis gebracht van de natuurlijke of rechtspersoon voor wie de machtiging vereist is, binnen de door de Koning bepaalde termijn.

[…]”

17

In de Wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (Belgisch Staatsblad, 7 mei 1999, blz. 15758), zoals gewijzigd bij de wet van 3 mei 2005 (Belgisch Staatsblad, 27 mei 2005, blz. 24989; hierna: „wet tot oprichting van een beroepsorgaan”), is bepaald:

„[…]

Art[ikel] 4.

[1].   Wanneer overeenkomstig artikel 22 van de wet [betreffende de] veiligheidsmachtigingen, de toekenning van de vereiste veiligheidsmachtiging wordt geweigerd, […] kan de natuurlijke of rechtspersoon voor wie de machtiging vereist is, binnen dertig dagen[…] na de kennisgeving van de beslissing […] beroep instellen bij het beroepsorgaan.

[…]

Art[ikel] 6. […]

De eiser wordt gehoord door het beroepsorgaan, op verzoek van dat orgaan of op eigen verzoek. Hij kan zich laten bijstaan door een advocaat.

[…]

Art[ikel] 9. […]

De beslissingen van het beroepsorgaan worden met redenen omkleed. Zij worden, bij aangetekend schrijven, ter kennis gebracht van de eiser, van de veiligheidsoverheid en van de inlichtingen‑ en veiligheidsdienst die het onderzoek heeft ingesteld, en zijn vanaf hun kennisgeving rechtstreeks uitvoerbaar.

[…]

De beslissingen van het beroepsorgaan zijn niet vatbaar voor enig beroep.

[…]

Art[ikel] 11. Wanneer het beroep volgt op een weigering om een veiligheidsattest te verlenen […], kan het beroepsorgaan, als het, na de eiser of zijn advocaat gehoord te hebben, van oordeel is dat de redenen [die zijn] ingeroepen om de bestreden beslissing te rechtvaardigen, ongegrond zijn en niet in verhouding zijn, eisen dat de overheid een veiligheidsattest toekent.

[…]

Art[ikel] 12.

[…]

[6]   De beslissingen van het beroepsorgaan zijn vanaf hun kennisgeving rechtstreeks uitvoerbaar. Er is geen beroep mogelijk.

[7]   De procedure voor het beroepsorgaan heeft geen schorsende werking.

[…]”

Aan het geding ten grondslag liggende feiten

18

Verzoeker was voor de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30 september 2010 door de Raad aangesteld als arbeidscontractant, in de zin van artikel 3 bis van de RAP, in functiegroep I, rang 1, salaristrap 1, bij het directoraat-generaal (DG) „Personeelszaken en administratie” van het secretariaat-generaal, in de dienst „Boden” van de eenheid „Conferenties” van het directoraat „Conferenties, organisatie, infrastructuur”, voor het verrichten van handenarbeid of administratieve ondersteunende diensten in de zin van artikel 80, lid 2, van de RAP.

19

Artikel 7 van de aanstellingsovereenkomst van verzoeker bepaalde dat „[de] contractant die zijn werkzaamheden dient te verrichten in een activiteitensector die een hoge mate van vertrouwelijkheid vereist, zal worden onderworpen aan een veiligheidsonderzoek[,] overeenkomstig besluit [2001/264/EG] van de Raad van 19 maart 2001 [tot vaststelling van beveiligingsvoorschriften van de Raad (PB L 101, blz. 1)]”.

20

Uit mededeling aan het personeel nr. 58/09 van het secretariaat-generaal van 11 maart 2009, die de mededelingen nr. 14/09 en nr. 91/05 heeft ingetrokken en vervangen, blijkt dat alle kantoormedewerkers van de Raad die zijn tewerkgesteld in het directoraat „Conferenties, organisatie, infrastructuur” van het DG „Personeelszaken en administratie”, toegang moeten kunnen hebben tot gerubriceerde EU-informatie en dat zij dienen te beschikken over een veiligheidsmachtiging die voor bepaalde zaalmedewerkers ten minste het niveau „[secret] UE”, en voor alle anderen ten minste het niveau „[confidentiel] UE” bestrijkt.

21

De Raad en verzoeker sloten een akkoord waarbij de aanstellingsovereenkomst van verzoeker voor een nieuwe periode van drie jaar, van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2013, werd verlengd. De procedure voor het aanvragen van een veiligheidsmachtiging werd ingeleid. Verzoeker zond het aanvraagformulier op 8 december 2010 terug en de aanvraag werd de volgende dag gevalideerd.

22

Met ingang van 16 mei 2011, was verzoeker tewerkgesteld bij het DG „Personeelszaken en administratie”, in de dienst „Zaalontvangst” van de eenheid „Operaties/techniek” van het directoraat „Protocol, conferenties”. Na de vaststelling door de Raad, op 16 juni 2011, van de AUB, werd verzoekers overeenkomst van arbeidscontractant op 1 oktober 2011 bij aanhangsel nr. 1 van het akkoord inzake de verlenging van voornoemde overeenkomst, voor onbepaalde tijd verlengd.

23

Bij brief van 17 november 2011 stelde de president van de Belgische nationale veiligheidsoverheid (hierna: „NVO”) de veiligheidsofficier van de Raad ervan in kennis dat, na het onderzoek van het dossier van verzoeker, de aanvraag voor de veiligheidsmachtiging voor het vertrouwelijkheidsniveau „secret” was afgewezen.

24

Op 5 december 2011 riep de veiligheidsofficier van de Raad verzoeker op voor een gesprek en stelde hij hem officieel in kennis van het besluit tot weigering van de veiligheidsmachtiging. Uit de door de Raad als bijlage bij zijn antwoord op de maatregelen ter organisatie van de procesgang gevoegde documenten blijkt dat verzoeker op diezelfde dag een kopie van de brief van de president van de NVO van 17 november 2011 met de aantekening „voor kennisneming aangenomen” heeft ondertekend.

25

Eveneens op 5 december 2011, had het hoofd van verzoekers eenheid, dat was geïnformeerd over het besluit van de NVO, een gesprek met hem. In antwoord op een vraag van het Gerecht preciseerde dit eenheidshoofd ter terechtzitting, dat dat gesprek voornamelijk tot doel had verzoeker mee te delen dat hij was overgeplaatst van de dienst „Zaalontvangst” naar de dienst „Etagebodes Justus Lipsiusgebouw”, waarvoor een veiligheidsmachtiging van een lager niveau was vereist. Het eenheidshoofd voegde hieraan toe dat deze maatregel, met het oog op de voorzorgplicht die rust op het secretariaat-generaal, onmiddellijk in werking trad.

26

Op 8 december 2011 heeft verzoeker beroep ingesteld bij het Belgische beroepsorgaan op het gebied van veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (hierna: „beroepsorgaan”).

27

Krachtens artikel 5, lid 3, van de AUB dient het TAOBG alvorens het een overeenkomst opzegt, eerst na te gaan of de betrokkene in een andere functie kan worden geplaatst, waarvoor geen veiligheidsmachtiging is vereist, zij het dat rekening moet worden gehouden met de reden waarom de veiligheidsmachtiging niet is verleend, dan wel waarom deze is ingetrokken. De eenheid „Adviseurs van de directie” van het DG „Personeelszaken en administratie” heeft op 11 januari 2012 een nota opgesteld (hierna: „nota van 11 januari 2012”) waarin werd geconcludeerd dat de betrokkene niet in een andere functie kon worden geplaatst, gelet op zijn profiel, gelet op de selectieprocedure aan het eind waarvan hij was aangesteld, te weten de selectie van arbeidscontractanten voor de functie van bode, gelet op de door de NVO gestelde feiten, en gelet op de verplichting van de Raad om op veiligheidsgebied bijzondere voorzorgen te nemen.

28

Het hoofd van de eenheid „Individuele rechten” riep verzoeker op voor een gesprek op 16 januari 2012 en overhandigde hem een op 12 januari 2012 gedateerde nota waarin hij in kennis werd gesteld van het besluit van het TAOBG om zijn overeenkomst op te zeggen tegen 31 mei 2012, na afloop van een opzegtermijn van vier maanden, die aanving op 1 februari 2012 (hierna: „litigieus besluit”). Uit de motivering van het litigieuze besluit blijkt dat dit is gebaseerd op artikel 5, lid 2, sub b, van de AUB, dat voorziet in de mogelijkheid om de overeenkomst van een contractant op te zeggen wanneer naar aanleiding van de onderzoeken aan hem geen veiligheidsmachtiging is verleend. In ditzelfde besluit werd verzoeker uitgenodigd om zijn verlofdagen op te nemen vóór de aanvang van de opzegtermijn en werd hij vanaf 16 januari 2012 vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.

29

Het verzoek van verzoeker van 17 januari 2012, ertoe strekkende, enerzijds, dat zijn situatie onaangetast zou blijven tot aan de afloop van de door hem ingeleide beroepsprocedure en, anderzijds, dat zijn ontslag niet ten uitvoer zou worden gelegd totdat het beroepsorgaan zijn beslissing had genomen, werd door de Raad bij brief van 26 januari 2012 afgewezen. De afwijzing was met name gebaseerd, ten eerste, op het feit dat verzoeker niet in zijn functie kon aanblijven zonder te beschikken over een veiligheidsmachtiging; ten tweede, op de omstandigheid dat de procedure voor het beroepsorgaan geen schorsende werking had; ten derde, op de feiten die het besluit van de NVO motiveerden, en, ten vierde, op de verplichting van het secretariaat-generaal van de Raad om zich te vergewissen van de loyaliteit, betrouwbaarheid en oprechtheid van alle personen die zijn gemachtigd toegang te krijgen tot gerubriceerde EU-informatie.

30

Op 8 maart 2012 heeft het beroepsorgaan het besluit van de NVO herzien en laatstgenoemde gelast aan verzoeker de veiligheidsmachtiging te verlenen voor het niveau „secret”. De beslissing van dit orgaan luidde als volgt:

„[…] In zijn beroep en ter terechtzitting […], betwist [verzoeker] de feiten die het besluit hebben gerechtvaardigd, met uitzondering van de veroordelingen door de politierechter wegens verkeersovertredingen. Hij verklaart nooit veroordeeld te zijn geweest voor de in de dossier genoemde feiten en een blanco strafregister te hebben, behalve op het gebied van verkeersovertredingen. Hij beschikt in dit verband over kopieën van de processen-verbaal van de verschillende in het besluit aangehaalde gerechtelijke dossiers. In het dossier betreffende de ernstigste feiten […] komt de federale politie in het samenvattend proces-verbaal tot de conclusie dat de feiten die [verzoeker] worden verweten niet zijn vastgesteld, en hij slechts een ondergeschikte rol heeft gespeeld. Wat de andere aangehaalde processen-verbaal betreft, verklaart hij nooit strafrechtelijk te zijn vervolgd. Hij verwijst in dit verband naar zijn strafregister.

[…]

[Verzoeker] ontkent niet dat hij enkele schulden heeft, doch daarbij zou het gaan om geringe bedragen. […]

Het beroepsorgaan kan enkel vaststellen dat betrokkene voor oude feiten bekend is bij de politiediensten, dat hij voor die feiten nooit is vervolgd en dat er geen sprake is van hoge schulden die de betrokkene in opspraak zouden kunnen brengen.”

[…]

31

Op 30 maart 2012 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht tegen het litigieuze besluit ingediend.

32

Op 24 mei 2012 werd in de Raad een bijeenkomst georganiseerd om de klacht van verzoeker te onderzoeken en te bepalen welke gevolgen daaraan moesten worden verbonden. Deze bijeenkomst werd bijgewoond door verzoeker en zijn advocaat. Uit de brief van de Raad van 11 juni 2012 aan de advocaat van verzoeker volgt dat tijdens deze bijeenkomst is overeengekomen dat laatstgenoemde de Raad een kopie zou doen toekomen van de bij het beroepsorgaan ingediende documenten die zouden kunnen aantonen dat verzoeker op geen enkele wijze had deelgenomen, ook niet indirect, aan de feiten zoals die werden vermeld in het besluit van de NVO houdende weigering om hem een veiligheidsmachtiging te verstrekken alsook in de beslissing van het beroepsorgaan waarbij dit weigeringsbesluit nietig is verklaard.

33

Op 12 juni 2012 heeft verzoekers advocaat op de brief van de Raad van 11 juni 2012 onder meer het volgende geantwoord:

„In tegenstelling tot wat ik aannam, kan ik u toch geen kopie doen toekomen van de documenten die bij het beroepsorgaan zijn ingediend. Deze documenten zijn vertrouwelijk en mogen niet aan een onderzoek door de Raad worden onderworpen. Zij behoren tot de persoonlijke levenssfeer van mijn cliënt, en de Raad […] is niet bevoegd ze te onderzoeken.”

34

De Raad heeft de klacht van verzoeker afgewezen bij besluit van 20 juli 2012. Deze afwijzing was primair gebaseerd op, met name, het feit dat de door verzoeker bezette post toegang noodzakelijk maakt tot gerubriceerde EU-informatie, zodat hij zijn functie niet kan uitoefenen wanneer aan hem geen veiligheidsmachtiging is verstrekt; op de voorzorgplicht van het secretariaat-generaal van de Raad om zich te vergewissen van de loyaliteit, betrouwbaarheid en oprechtheid van alle personen die zijn gemachtigd toegang te krijgen tot gerubriceerde EU-informatie; alsmede op de feiten die voor de NVO reden waren voor het vaststellen van haar besluit van 17 november 2011. Subsidiair herinnert het besluit van de Raad eraan dat de bewoordingen van het besluit van het beroepsorgaan niet van dien aard zijn dat zij de verbroken, specifieke vertrouwensband tussen verzoeker en zijn instelling kunnen herstellen, aangezien bij dermate ernstige feiten en het bestaan van schulden, ook een ondergeschikte rol reeds twijfels kan doen rijzen over de loyaliteit, betrouwbaarheid en onkreukbaarheid die van verzoeker worden verlangd in het kader van de uitoefening van zijn functie, alsmede over de vraag of verzoeker wel voldoet aan morele vereisten die voor het uitoefenen van deze functie binnen het secretariaat-generaal worden gesteld.

Conclusies van partijen

35

Verzoeker verzoekt het Gerecht:

het litigieuze besluit en, voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van zijn klacht tegen dat besluit, nietig te verklaren;

de Raad te veroordelen tot betaling aan hem van het voorlopige bedrag van 160181,85 EUR ter vergoeding van zijn materiële schade;

de Raad te veroordelen tot betaling aan hem van het voorlopige bedrag van 25000 EUR ter vergoeding van zijn immateriële schade;

de Raad te verwijzen in de kosten.

36

De Raad verzoekt het Gerecht:

het beroep ongegrond te verklaren;

verzoeker te verwijzen in de kosten.

In rechte

Eerste vordering, strekkende tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en, voor zover nodig, van het besluit tot afwijzing van de klacht

37

Volgens vaste rechtspraak volgt uit de artikelen 90 en 91 van het Statuut dat het beroep dat een in het Statuut bedoeld persoon instelt tegen een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) of tegen het verzuim van dat gezag om een in het Statuut voorgeschreven maatregel te treffen, slechts ontvankelijk is indien de betrokkene eerst bij het TABG een klacht heeft ingediend en indien deze klacht althans gedeeltelijk uitdrukkelijk of stilzwijgend is afgewezen. Op grond van artikel 117 van de RAP geldt deze rechtspraak naar analogie ook voor het beroep dat een functionaris instelt tegen een besluit van het TAOBG of tegen het verzuim van dat gezag om een door de RAP voorgeschreven maatregel te treffen.

38

De administratieve klacht en de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing daarvan vormen dus een onderdeel van een samengestelde procedure en zijn slechts een voorwaarde om beroep te kunnen instellen bij de rechter. In deze omstandigheden heeft het beroep, zelfs indien dit formeel tegen de afwijzing van de klacht is gericht, tot gevolg dat bij de rechter beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend, behalve wanneer de afwijzing van de klacht een andere strekking heeft dan die van het besluit waartegen de klacht is ingediend. Er is herhaaldelijk geoordeeld dat een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht, gelet op de inhoud ervan, mogelijkerwijs het door de verzoeker bestreden besluit niet bevestigt. Dit is het geval wanneer het besluit tot afwijzing van de klacht een heronderzoek van de situatie van de verzoeker op basis van nieuwe gegevens rechtens en feitelijk bevat of het oorspronkelijke besluit wijzigt of aanvult. In die gevallen vormt de afwijzing van de klacht een handeling die is onderworpen aan het toezicht van de rechter, die deze handeling in aanmerking neemt bij de beoordeling van de wettigheid van het bestreden besluit, of zelfs beschouwt als bezwarend besluit dat in de plaats van het bestreden besluit komt (arrest Gerecht van de Europese Unie van 21 september 2011, Adjemian e.a./Commissie, T‑325/09 P, punt 32).

39

Aangezien de betrokkene in het stelsel van het Statuut of de RAP een klacht moet indienen tegen het besluit dat hij betwist, en beroep moet instellen tegen het besluit tot afwijzing van die klacht, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat het beroep ontvankelijk is, of het nu enkel tegen het besluit dat voorwerp van de klacht vormt, tegen het besluit tot afwijzing van de klacht, dan wel tegen beide besluiten tezamen is gericht, voor zover de klacht en het beroep binnen de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut voorgeschreven termijnen zijn ingediend. Overeenkomstig het beginsel van proceseconomie kan de rechter echter beslissen dat hij niet specifiek uitspraak hoeft te doen over de vordering gericht tegen het besluit tot afwijzing van de klacht, wanneer hij vaststelt dat deze geen zelfstandige inhoud heeft en in wezen samenvalt met het besluit waartegen de klacht is ingediend (zie in die zin arrest Hof van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, punten 7 en 8). Dit kan met name het geval zijn wanneer hij vaststelt dat het besluit tot afwijzing van de klacht, eventueel omdat het stilzwijgend is, louter een bevestiging vormt van het besluit waartegen de klacht is ingediend, zodat de nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht voor de rechtspositie van de betrokkene geen ander gevolg heeft dan hetgeen voortvloeit uit de nietigverklaring van het besluit waartegen de klacht was gericht (arrest Adjemian e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 33).

40

In casu werd verzoekers overeenkomst voor onbepaalde tijd in januari 2012, onder inaanmerkingneming van de conclusies van het door de NVO verrichte onderzoek – waarvan de resultaten in november 2011 bekend waren – tegen 31 mei daaraanvolgend opgezegd. De beslissing van het beroepsorgaan waarbij het besluit van de NVO werd herzien is gedateerd op 8 maart 2012, en de klacht waarmee hij opkomt tegen het litigieuze besluit, op 30 maart 2012. Uit punt 32 van het onderhavige arrest volgt dat de Raad in mei 2012 een bijeenkomst heeft georganiseerd waarop verzoeker aanwezig was en dat de Raad op 11 juni daaraanvolgend verzoekers advocaat heeft verzocht om hem de aanvullende documenten te doen toekomen, hetgeen laatstgenoemde heeft geweigerd te doen.

41

In deze omstandigheden omvat het besluit van 20 juli 2012 houdende afwijzing van de klacht een heronderzoek van verzoekers situatie op basis van nieuwe gegevens rechtens en feitelijk, in casu de beslissing van het beroepsorgaan van 8 maart 2012 en de weigering van verzoeker om de documenten te verstrekken waarom door de Raad was verzocht. Hieruit volgt dat de beslissing tot afwijzing van de klacht een handeling vormt die is onderworpen aan de controle van het Gerecht, dat deze in aanmerking neemt bij de beoordeling van de wettigheid van het litigieuze besluit.

42

Tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit voert verzoeker vijf middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van besluit 2011/292 en van de AUB, alsook van de wet betreffende de veiligheidsmachtigingen, van de wet tot oprichting van een beroepsorgaan, en van de koninklijke besluiten tot uitvoering van deze wetten. Het tweede middel is gebaseerd op het ontbreken van motivering van het bezwarend besluit. Het derde middel berust op schending van de rechten van de verdediging en niet-inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor en van het recht om vooraf te worden gehoord. Het vierde middel betreft een kennelijke beoordelingsfout. Het vijfde middel is ontleend aan onevenredigheid van het ontslag en niet-inachtneming door het TAOBG van de verplichting om de mogelijkheid te onderzoeken van een eventuele herplaatsing, dan wel handhaving in de vroegere functie. Het Gerecht zal de middelen in deze volgorde onderzoeken.

Eerste middel, ontleend aan schending van artikel 7 van besluit 2011/292, van bijlage I daarbij – inzonderheid punt 20, van de AUB, van de wet betreffende de veiligheidsmachtigingen, van de wet tot oprichting van een beroepsorgaan, en van de koninklijke besluiten tot uitvoering van deze wetten

43

Verzoeker verdeelt dit middel in twee onderdelen: het eerste onderdeel betreft het ontbreken van de juridische grondslag voor het ontslag, dat onwettig zou zijn. Het tweede onderdeel betreft de bevoegdheidsoverschrijding die de Raad zou hebben begaan door zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de NVO en het beroepsorgaan.

– Argumenten van partijen met betrekking tot het eerste middel

44

Verzoeker is van mening dat zijn ontslag in strijd is met artikel 7 van besluit 2011/292, met bijlage I daarbij – inzonderheid punt 20, met de wet betreffende de veiligheidsmachtigingen, met de wet tot oprichting van een beroepsorgaan, en met de koninklijke besluiten tot uitvoering van deze wetten, alsmede met de AUB.

45

Hij betoogt dat aangezien de wetgever in het kader van de procedure voor het verlenen van veiligheidsmachtigingen heeft voorzien in de mogelijkheid van beroep, het irrelevant is dat de indiening van een beroep geen schorsende werking heeft. Daar het besluit van de NVO in casu in hoger beroep kan worden herzien, kan de Raad het litigieuze besluit niet ten uitvoer leggen zonder de afloop van de procedure af te wachten. Aangezien verzoeker in casu zijn veiligheidsmachtiging had verkregen, mist de opzegging van zijn overeenkomst rechtsgrondslag en is zij derhalve onwettig.

46

Verzoeker stelt voorts dat artikel 5, lid 2, sub b, van de AUB toestaat dat de instelling de overeenkomst van een arbeidscontractant aan wie de veiligheidsmachtiging is geweigerd opzegt, maar, anders dan de Raad wil doen geloven, geen verplichting daartoe bevat.

47

De Commissie concludeert tot afwijzing van het eerste onderdeel van het eerste middel.

– Beoordeling door het Gerecht

48

Het Gerecht herinnert er om te beginnen aan dat krachtens artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering, het verzoekschrift de aangevoerde middelen en argumenten, zowel feitelijk als rechtens, moet bevatten.

49

Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het immers voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de feitelijke en juridische gronden van het beroep coherent en begrijpelijk uit het verzoekschrift zelf blijken, zodat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht op het beroep kan beslissen, in voorkomend geval zonder verdere informatie (arrest Gerecht van 10 november 2011, Merhzaoui/Raad, F‑18/09, punten 42 en 43).

50

In het kader van het eerste middel verwijt verzoeker de Raad weliswaar dat deze met de vaststelling van het litigieuze besluit heeft gehandeld in strijd met artikel 7 van besluit 2011/292, met de wet betreffende de veiligheidsmachtigingen, met de wet tot oprichting van een beroepsorgaan, en met de koninklijke besluiten tot uitvoering van deze wetten, doch dit neemt niet weg dat deze grieven enkel worden vermeld, en niet door argumenten worden gestaafd, hetgeen in strijd is met de regel van artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering. Zij dienen derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

51

Aangezien verzoeker niet aangeeft op welke wijze de bepalingen van punt 20 van bijlage I bij besluit 2011/292 in casu zijn geschonden, moet de grief betreffende de vermeende schending van deze bepalingen eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard. Bovendien moet worden vastgesteld dat het enige doel van deze bepalingen erin bestaat vast te stellen, enerzijds, welke wetgeving van toepassing is op de door de lidstaten uitgevoerde veiligheidsonderzoeken, met inbegrip van de beroepen die worden ingesteld tegen de uitkomst – te weten: de in de betrokken lidstaat geldende wettelijke regeling – en, anderzijds, welke wetgeving van toepassing is op beroepen die zijn ingesteld tegen besluiten van het TABG of het TAOBG van het secretariaat-generaal – in casu: het Statuut.

52

In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg nog worden onderzocht of, zoals verzoeker betoogt, (i) het litigieuze besluit is vastgesteld in strijd met de bepalingen van artikel 5, lid 2, sub b, van de AUB, die enkel voorzien in een mogelijkheid, en niet in een verplichting om de overeenkomst van een arbeidscontractant aan wie naar aanleiding van de onderzoeken geen veiligheidsmachtiging is verleend, op te zeggen, en (ii) het litigieuze besluit rechtsgrondslag mist aangezien het beroepsorgaan de NVO heeft gelast om verzoeker de veiligheidsmachtiging van het niveau „secret” te verlenen.

53

Allereerst volgt uit artikel 7, lid 1, van besluit 2011/292 dat persoonsgerelateerde beveiliging de toepassing is van maatregelen die ervoor moeten zorgen dat toegang tot gerubriceerde EU-informatie uitsluitend wordt verleend aan personen die een noodzaak tot kennisname hebben, die op het voor het personeel van de Unie vereiste veiligheidsniveau zijn onderzocht en die zijn geïnstrueerd over hun verantwoordelijkheden.

54

Krachtens artikel 15, lid 2, sub c, van besluit 2011/292, is de secretaris-generaal van de Raad de veiligheidsautoriteit van het secretariaat-generaal en, in die hoedanigheid, degene die de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie veiligheidsmachtigingen voor personeel van de Unie verleend overeenkomstig artikel 7, lid 3, van dat besluit, alvorens hun toegang tot informatie met rubricering „[confidentiel] UE” of hoger kan worden verleend.

55

Ten slotte wordt de veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie voor toegang tot gerubriceerde EU-informatie in aanhangsel A van besluit 2011/292 gedefinieerd als „een machtiging door het [TABG] van het [secretariaat-generaal] die overeenkomstig dit besluit wordt verleend na de voltooiing van een veiligheidsonderzoek door de bevoegde instanties van een lidstaat, waarbij wordt bevestigd dat de betrokkene, mits zijn ‚noodzaak tot kennisname’ is vastgesteld, tot een bepaalde datum toegang mag hebben tot [gerubriceerde EU-informatie] tot op een bepaald niveau […]; van die persoon wordt dan gezegd dat hij ‚gescreend’is”.

56

Uit bovenstaande bepalingen volgt dus dat de secretaris-generaal van de Raad als enige bevoegd is om besluiten te nemen over het al dan niet verlenen van een veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie aan personeelsleden van het secretariaat-generaal.

57

Overeenkomstig bijlage I, titel III, punt 5, van besluit 2011/292 zijn de nationale veiligheidsoverheden of andere bevoegde nationale autoriteiten er verantwoordelijk voor dat veiligheidsonderzoeken worden uitgevoerd naar hun onderdanen, aangezien deze overheden en autoriteiten beter dan de secretaris-generaal van de Raad in staat zijn om toegang te krijgen tot informatie in de verschillende lidstaten.

58

Dit neemt niet weg dat krachtens bijlage I, titel III, punt 19, sub a, van besluit 2011/292, wanneer het veiligheidsonderzoek tot de zekerheid leidt dat er geen informatie bekend is die doet twijfelen aan de loyaliteit en betrouwbaarheid van de betrokkene, het TABG – of, wanneer het arbeidscontractanten betreft, het TAOBG – van het secretariaat-generaal van de Raad de betrokkene een veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie kan verstrekken en tot een bepaalde datum toegang kan verlenen tot gerubriceerde EU-informatie tot op het relevante niveau.

59

Uit de bewoordingen van de in het voorgaande punt genoemde bepaling blijkt (i) dat het TABG – of, wanneer het arbeidscontractanten betreft, het TAOBG – van het secretariaat-generaal van de Raad niet gebonden is aan de conclusies van een veiligheidsonderzoek van de nationale autoriteiten – ook niet aan de conclusies van een beroepsorgaan; (ii) dat het niet verplicht is, zelfs niet wanneer de uitkomst gunstig is voor de betrokkene, aan hem een veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie te verlenen, en (iii) dat het de mogelijkheid behoudt hem deze machtiging te weigeren.

60

Gelet op het doel van de procedure van de veiligheidsmachtiging – dat er volgens de omschrijving in artikel 7, lid 2, van besluit 2011/292 in bestaat te bepalen of een persoon, gelet op diens loyaliteit en betrouwbaarheid, toegang kan worden verleend tot gerubriceerde EU-informatie – kon het TAOBG, gezien de ongunstige informatie over verzoeker die aan het licht was gekomen na afloop van het door de NVO uitgevoerde onderzoek en die bij schrijven van 17 november 2011 aan de Raad was meegedeeld, twijfels hebben over met name de onkreukbaarheid van verzoeker en kon het besluiten hem de benodigde veiligheidsmachtiging niet te verlenen.

61

In casu wordt niet betwist dat verzoeker op het secretariaat-generaal een functie vervulde waarvoor een veiligheidsmachtiging was vereist. Nadat het TAOBG overeenkomstig artikel 5, lid 3, van de AUB had onderzocht of het mogelijk was om verzoeker over te plaatsen in een andere functie, waarvoor hij geen veiligheidsmachtiging nodig had, en tot de conclusie was gekomen dat een dergelijke overplaatsing op grond van de nota van 11 januari 2012, waarvan de inhoud is weergegeven in punt 27 van het onderhavige arrest, onmogelijk was, kon het TAOBG, zonder artikel 5, lid 2, sub b, van de AUB te schenden, besluiten om de overeenkomst van verzoeker overeenkomstig artikel 47, sub c-i, van de RAP na afloop van de opzeggingstermijn van vier maanden, op te zeggen.

62

Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het argument van verzoeker dat het beroepsorgaan de NVO had gelast aan verzoeker een veiligheidsmachtiging te verlenen voor het niveau „secret”, welke omstandigheid aan het besluit tot opzegging van zijn overeenkomst van arbeidscontractant zijn rechtsgrondslag zou kunnen ontnemen.

63

Uit de bewoordingen van punt 20 van titel III van bijlage I bij besluit 2011/292 blijkt namelijk dat voor het veiligheidsonderzoek en de resultaten van het veiligheidsonderzoek de in de betrokken lidstaat van toepassing zijnde wet‑ en regelgeving gelden, ook wat de mogelijkheden tot beroep betreft. In het Belgische recht bepaalt artikel 11, eerste alinea, van de wet tot oprichting van een beroepsorgaan, dat dat orgaan, als het, na de eiser of zijn advocaat gehoord te hebben, van oordeel is dat de redenen die zijn ingeroepen om de bestreden beslissing te rechtvaardigen, ongegrond zijn en niet in verhouding zijn, kan eisen dat de overheid een veiligheidsattest toekent.

64

In casu werd door de NVO besloten om aan verzoeker de veiligheidsmachtiging voor het vertrouwelijkheidsniveau „secret” te verlenen na de beslissing van het beroepsorgaan, overeenkomstig de wet betreffende de veiligheidsmachtigingen, en is deze verlening geldig voor de toegang tot informatie die valt binnen de werkingssfeer van die wet, alsmede, wanneer het gaat om personeel van de lidstaten als bedoeld in artikel 14, lid 3, van besluit 2011/292, voor de toegang tot gerubriceerde EU-informatie.

65

Wanneer het daarentegen, zoals blijkt uit de punten 56 en 59 van het onderhavige arrest, gaat om toegang tot gerubriceerde EU-informatie door het personeel van het secretariaat-generaal, is het het TABG – of, wanneer het arbeidscontractanten betreft, het TAOBG – dat, na afloop van een door de nationale autoriteiten uitgevoerd veiligheidsonderzoek, als enige bevoegd is om besluiten te nemen over het al dan niet verlenen van een veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie, zonder dat het daarbij is gebonden door de conclusies van dat onderzoek, in casu, door de conclusies van het beroepsorgaan.

66

Derhalve dient het eerste onderdeel van het eerste middel te worden afgewezen.

– Argumenten van verzoeker met betrekking tot het tweede onderdeel van het eerste middel

67

Verzoeker betoogt dat de Raad tracht, door gebruik te maken van het begrip „vertrouwensband”, zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de NVO en die van het beroepsorgaan. Daarmee heeft de Raad zijn bevoegdheid overschreden. Het beroepsorgaan had zich immers rekenschap gegeven van de door de NVO begane fouten, in die zin dat verzoeker geen schulden had en door het overleggen van zijn strafregister had aangetoond dat de conclusies van de NVO onjuist waren. Aangezien aan verzoeker een veiligheidsmachtiging werd verleend, diende de Raad deze beslissing te eerbiedigen.

– Beoordeling door het Gerecht

68

Vastgesteld moet worden, enerzijds, dat met de procedure inzake de veiligheidsmachtiging voor personen wordt beoogd te bepalen of een persoon, gelet op diens loyaliteit en betrouwbaarheid, toegang kan worden verleend tot gerubriceerde EU-informatie, en, anderzijds, dat de lijst van de in het kader van een onderzoek in aanmerking te nemen criteria, die is opgenomen in bijlage I, titel III, punt 8, bij besluit 2011/292, niet uitputtend is. Bovendien wordt, in aanvulling op de in voornoemd punt 8, sub a tot en met k, opgesomde criteria, in de punten 9 en 10 verklaard dat de financiële en medische achtergrond van de betrokkene, alsmede het karakter, het gedrag en de levenssituatie van de echtgenoot of partner dan wel van een van zijn naaste familieleden, eveneens als relevante criteria kunnen worden beschouwd.

69

Het Gerecht merkt op dat de Raad bij de vaststelling van het litigieuze besluit, enkel beschikte over de conclusies van de NVO en dat, gelet op de ongunstige informatie over verzoeker die door het veiligheidsonderzoek aan het licht was gebracht, met name verzoekers onkreukbaarheid niet was aangetoond. Bijgevolg kon, zoals blijkt uit punt 61 van het onderhavige arrest, het TAOBG in januari 2012 weigeren om aan verzoeker de veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie te verlenen en kon het besluiten om zijn overeenkomst op te zeggen.

70

Gelet op de beslissing van het beroepsorgaan van 8 maart 2012, heeft de Raad in het kader van verzoekers klacht de mogelijkheid onderzocht om hem de veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie te verlenen, en daartoe met name de bijeenkomst van 24 mei 2012 georganiseerd, waarop verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, aanwezig was. Tijdens deze bijeenkomst werd verzoekers advocaat verzocht om overlegging van een kopie van de documenten die waren ingediend bij het beroepsorgaan. De advocaat stemde aanvankelijk in met deze overlegging, doch trok deze instemming later in omdat de documenten vertrouwelijk zouden zijn en tot de persoonlijke levenssfeer van zijn cliënt zouden behoren.

71

Het beroepsorgaan heeft het besluit van de NVO weliswaar op een voor verzoeker gunstige wijze herzien, doch dit neemt niet weg dat het definitieve eindoordeel van bovengenoemd orgaan, te weten dat „de betrokkene voor oude feiten bekend is bij de politiediensten, dat hij voor die feiten nooit is vervolgd en dat er geen sprake is van hoge schulden die de betrokkene in opspraak zouden kunnen brengen”, moet worden afgewogen tegen andere, in diezelfde beslissing genoemde, minder positieve, vaststellingen, volgens welke „[verzoeker] niet ontkent enkele schulden te hebben” en „[i]n het dossier betreffende de ernstigste feiten […] de federale politie in het samenvattend proces-verbaal tot de conclusie [komt] dat de feiten die [verzoeker] worden verweten niet zijn vastgesteld en hij slechts een ondergeschikte rol heeft gespeeld”.

72

Ter terechtzitting is gebleken dat de conclusie dat verzoeker „een ondergeschikte rol heeft gespeeld” met betrekking tot de meest ernstige feiten die in het besluit van de NVO worden genoemd, door de Raad in die zin wordt uitgelegd dat verzoeker, ook al is het slechts op marginale wijze, aan deze meest ernstige feiten heeft deelgenomen, en zich zelfs in dubieuze kringen heeft opgehouden, welke omstandigheden op zichzelf, gelet op de voorzorgplicht die op de Raad rust, de weigering om hem een veiligheidsmachtiging toe te kennen, reeds rechtvaardigen. Verzoeker betoogt daarentegen dat bovengenoemde conclusie betekent dat hij door de federale politie alleen maar als getuige is gehoord in een zaak tegen derden, en dat uit de processen-verbaal van deze verhoren geenszins blijkt dat hij ook maar op enige wijze heeft bijgedragen aan de feiten die het voorwerp vormen van die strafzaak.

73

Gelet op die door verzoeker verstrekte informatie, die niet in het dossier is opgenomen, heeft het Gerecht, enerzijds, aan de Raad gevraagd of deze bereid zou zijn om het litigieuze besluit te heronderzoeken in het licht van de aan het beroepsorgaan overgelegde processen-verbaal van voornoemde verhoren, die verzoeker aan de Raad zou moeten doen toekomen aangezien deze daar anders geen toegang toe heeft. Anderzijds heeft het Gerecht aan verzoeker gevraagd of hij thans bereid is deze processen-verbaal aan de Raad te verstrekken, hetgeen hij in mei 2012 geweigerd had te doen. De Raad heeft de vraag bevestigend beantwoord, doch verzoeker heeft zijn weigering herhaald en verklaard dat hij niet geïnteresseerd was in de mogelijkheid van terugplaatsing in zijn vroegere post bij de Raad, daar zijn beroep thans enkel nog is gericht op het verkrijgen van materiële en immateriële schadevergoeding.

74

In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat het TAOBG van het secretariaat-generaal, gelet op de documentatie waarover het beschikte en gezien de houding van verzoeker, die als enige in de positie verkeert om de aan het beroepsorgaan overgelegde documentatie aan de Raad te kunnen verstrekken, heeft gehandeld binnen het kader van zijn bevoegdheden en zich, door bij zijn beslissing om de klacht af te wijzen te weigeren het litigieuze besluit te herzien, niet in de plaats heeft gesteld van het beroepsorgaan.

75

Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het eerste middel, en daarmee ook het eerste middel in zijn geheel, moet worden afgewezen.

Tweede middel, ontleend aan het ontbreken van motivering van het bezwarend besluit

– Argumenten van partijen

76

Verzoeker betoogt dat het litigieuze besluit niet is gemotiveerd en niet verwijst naar enig document dat de reden van zijn ontslag begrijpelijk zou kunnen maken. Daarmee heeft de Raad de krachtens artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op hem rustende verplichting om zijn besluiten te motiveren geschonden.

77

De Raad concludeert tot afwijzing van het middel.

– Beoordeling door het Gerecht

78

Wat de verplichting betreft om bezwarende besluiten te motiveren, herinnert het Gerecht eraan dat tot de door het Unierecht in administratieve procedures geboden waarborgen met name het beginsel van behoorlijk bestuur behoort, dat is neergelegd in artikel 41 van het Handvest, welk beginsel inzonderheid „de verplichting voor de administratie om haar besluiten te motiveren” omvat (arrest Gerecht van 11 juli 2013, Tzirani/Commissie, F‑46/11, punt 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79

Bovendien vormt de aldus geformuleerde motiveringsplicht een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie, waarvan slechts om dwingende redenen kan worden afgeweken (arrest Tzirani/Commissie, reeds aangehaald, punt 137 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80

Voorts is het vaste rechtspraak dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering de redenering van de instantie waarvan de handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig moet doen uitkomen (arrest Tzirani/Commissie, reeds aangehaald, punt 138 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81

De in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut neergelegde verplichting tot motivering van een bezwarende handeling heeft enerzijds tot doel, de belanghebbende voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de handeling gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid voor de Unierechter kan worden betwist, en anderzijds deze rechter in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen. In beginsel moet de motivering de betrokkene derhalve tegelijk met de hem bezwarende handeling worden meegedeeld en kan het ontbreken van een motivering niet worden geregulariseerd doordat de betrokkene tijdens de procedure voor de Unierechter kennis krijgt van de redenen van de handeling (zie in die zin arrest Gerecht van de Europese Unie van 7 december 2011, HTTS/Raad, T‑562/10, punt 32).

82

Gepreciseerd moet worden dat tijdelijk functionarissen op grond van geen enkele dwingende reden mogen worden uitgesloten van bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag, in het bijzonder wanneer zij gebonden zijn door een overeenkomst voor onbepaalde tijd of wanneer zij, gebonden door een overeenkomst voor bepaalde tijd, vóór het verstrijken ervan worden ontslagen. Om voldoende bescherming in die zin te garanderen moeten, enerzijds, de betrokkenen zich ervan kunnen vergewissen of hun legitieme belangen zijn gerespecteerd dan wel geschaad en kunnen beoordelen of het zin heeft beroep in te stellen, en moet, anderzijds, de rechter zijn toetsing kunnen verrichten, hetgeen neerkomt op de erkenning van het bestaan van een op het bevoegde gezag rustende motiveringsplicht (zie in die zin arrest Gerecht van 24 april 2008, Longinidis/Cedefop, F‑74/06, punt 49).

83

Eveneens volgens vaste rechtspraak moet de omvang van de motiveringsplicht worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaat bij een verklaring kan hebben. Om te beoordelen of een motivering toereikend is, moet deze worden bezien in de context waarbinnen de bestreden handeling is vastgesteld (arrest Longinidis/Cedefop, reeds aangehaald, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

84

Bij ontslag van een arbeidscontractant die op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangesteld, is het van bijzonder belang dat de redenen die aan dat ontslag ten grondslag liggen in het algemeen duidelijk schriftelijk worden aangegeven, bij voorkeur in de tekst zelf van het betrokken besluit. Dit is immers de enige handeling, waarvan de wettigheid wordt beoordeeld op de datum waarop deze is vastgesteld, waarbij het besluit van de instelling concreet wordt. Aan de verplichting om de redenen voor het ontslag te geven kan echter ook worden geacht te zijn voldaan indien de betrokkene, tijdens gesprekken met zijn hiërarchieke meerderen, naar behoren op de hoogte is gesteld van die redenen, en het besluit van het TAOBG kort na die gesprekken tot stand is gekomen. Ook kan het TAOBG, indien nodig, die motivering aanvullen in het stadium van het antwoord op de door de betrokkene ingediende klacht (arrest Longinidis/Cedefop, reeds aangehaald, punt 51).

85

In casu zij opgemerkt, in de eerste plaats, dat het litigieuze besluit is gebaseerd op de bepalingen van artikel 5, lid 2, sub b, van de AUB, die voorzien in de mogelijkheid voor het TAOBG om de overeenkomst van de arbeidscontractant op te zeggen indien de veiligheidsmachtiging naar aanleiding van de onderzoeken niet aan hem is verleend; in de tweede plaats, dat verzoeker op de hoogte was van het ongunstige resultaat van het door de NVO uitgevoerde, op hem betrekking hebbende, veiligheidsonderzoek, aangezien hij op 8 december 2011 de uitkomst daarvan heeft aangevochten bij het beroepsorgaan, en, in de derde plaats, enerzijds, dat verzoeker op 5 december 2011 eerst een gesprek heeft gehad met de veiligheidsofficier van de Raad en vervolgens met het hoofd van zijn eenheid, dat hem heeft meegedeeld dat hij zou worden aangesteld in een post waarvoor een veiligheidsmachtiging van een lager niveau was vereist, en, anderzijds, dat hij op 16 januari 2012 een gesprek heeft gehad met het hoofd van de eenheid „Individuele rechten”, tijdens welk gesprek laatstgenoemde hem het besluit heeft meegedeeld tot opzegging van zijn overeenkomst. Bij verzoeker kon derhalve geen misverstand bestaan over de reden waarom het TAOBG van het secretariaat-generaal het litigieuze besluit had vastgesteld.

86

Deze vaststelling wordt bevestigd door de inhoud van de door verzoeker op 17 januari 2012 aan de Raad gezonden brief, waarin hij de instelling verwijt niet te hebben gewacht op de afloop van de procedure voor het beroepsorgaan alvorens de overeenkomst op te zeggen. De Raad heeft hierop geantwoord bij brief van 26 januari 2012, waarin hij verzoekers argumenten weerlegt.

87

Tot slot was verzoeker in staat om op basis van het antwoord op de klacht, waarin het litigieuze besluit niet enkel in het licht van de conclusies van de NVO, maar ook met inaanmerkingneming van de beslissing van het beroepsorgaan, was heronderzocht, de gegrondheid van dat besluit en de opportuniteit van het instellen van een beroep bij het Gerecht te beoordelen.

88

Gelet op het voorgaande is het tweede middel ongegrond.

Derde middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en niet-inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor en van het recht om vooraf te worden gehoord

– Argumenten van partijen

89

Verzoeker betoogt dat zijn recht om te worden gehoord, in de zin van artikel 41, lid 2, van het Handvest, is geschonden, aangezien hij niet vóór 12 januari 2012, de datum van het litigieuze besluit, is gehoord.

90

De Raad concludeert tot afwijzing van het middel. Verzoeker is namelijk bij verschillende gelegenheden door zijn hiërarchische meerderen gehoord, nog vóórdat het besluit om zijn overeenkomst op te zeggen aan hem was betekend. De Raad maakt melding van de gesprekken die verzoeker op 5 december 2011 had met de veiligheidsofficier van de Raad en het hoofd van zijn eenheid en op 16 januari 2012 met het hoofd van de eenheid „Individuele rechten”.

– Beoordeling door het Gerecht

91

Volgens vaste rechtspraak is de eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure tegen een persoon die tot een voor deze laatste bezwarend besluit kan leiden, te beschouwen als een grondbeginsel van Unierecht en moet zij zelfs bij ontbreken van enig specifiek voorschrift in acht worden genomen. Volgens dit beginsel, dat beantwoordt aan de vereisten van behoorlijk bestuur, moet de betrokkene in staat worden gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarvan in het vast te stellen besluit jegens hem zou kunnen worden uitgegaan (arrest Gerecht van eerste aanleg van 8 maart 2005, Vlachaki/Commissie, T‑277/03, punt 64).

92

In casu heeft de Raad niet aangetoond, bijvoorbeeld door middel van een oproepingsbrief van de hiërarchische meerdere van verzoeker, dat laatstgenoemde vóór de vaststelling van het litigieuze besluit was gehoord.

93

Aan de andere kant heeft verzoeker aan het dossier de brief van de NVO van 17 november 2011 aan de veiligheidsofficier van de Raad toegevoegd, die een aanwijzing vormt dat verzoeker tijdig op de hoogte was van het besluit van de NVO en dus in staat is geweest naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken vóór de vaststelling van het litigieuze besluit.

94

Enerzijds wordt namelijk de adressaat van die brief verzocht, ten eerste, om betrokkene in kennis te stellen van het besluit van de NVO en van zijn mogelijkheid om daartegen beroep in te stellen en, ten tweede, om aan de NVO een gecontrasigneerde en gedateerde kopie van de brief te doen toekomen. Vaststaat dat deze communicatie heeft plaatsgevonden – aangezien de Raad in antwoord op de door het Gerecht vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang een kopie van voornoemde brief aan het dossier heeft toegevoegd, die op 5 december 2011 door verzoeker met de handgeschreven aantekening „voor kennisneming aangenomen” was ondertekend – en dat verzoeker op 8 december 2011 zijn beroep bij het beroepsorgaan heeft ingesteld.

95

Anderzijds had verzoeker krachtens bijlage I, titel III, punt 19, sub b, van besluit 2011/292 kunnen vragen om door het TAOBG te worden gehoord. De Raad verklaart in de door hem overgelegde documenten dat deze informatie aan verzoeker was verstrekt door de veiligheidsofficier toen deze hem op 5 december 2011 de uitkomst van het onderzoek van de NVO meedeelde, hetgeen door deze officier zelf ter terechtzitting in antwoord op vragen van het Gerecht is bevestigd. In zijn schriftelijke antwoord op de door het Gerecht vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang, heeft verzoeker verklaard dat hij voor deze stap vóór de beëindiging van zijn overeenkomst geen tijd had gehad, en ter terechtzitting heeft hij erop gewezen dat hij, gelet op de conclusies van het onderzoek van de NVO, zich had willen concentreren op het beroep voor het beroepsorgaan, aangezien hij geloofde dat indien het besluit van de NVO zou worden herzien, de Raad verplicht zou zijn het besluit om zijn overeenkomst op te zeggen, in te trekken.

96

Aangezien het TAOBG het litigieuze besluit heeft heronderzocht in het licht van de beslissing van het beroepsorgaan, dient vervolgens te worden nagegaan of verzoekers rechten van verdediging zijn geëerbiedigd voordat het besluit tot afwijzing van de klacht werd genomen.

97

In dit verband zij erop gewezen dat, zoals blijkt uit punt 32 van het onderhavige arrest, om de klacht te onderzoeken en te bepalen welke gevolgen daaraan moesten worden verbonden, een bijeenkomst bij de Raad was georganiseerd waarop verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, aanwezig was, en dat verzoeker bij brief van 11 juni 2012 in de gelegenheid was gesteld om de processen-verbaal uit de verschillende gerechtelijke dossiers die in het besluit van de NVO waren vermeld, alsmede het samenvattend proces-verbaal van de federale politie dat hij had ingediend bij het beroepsorgaan, aan de Raad te verstrekken. Deze processen-verbaal zouden kunnen aantonen dat verzoeker, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, alleen maar als getuige was gehoord en dus niet persoonlijk betrokken was geweest bij de meest ernstige feiten die in de conclusies van het door de NVO uitgevoerde onderzoek worden genoemd. Vaststaat dat verzoeker er aanvankelijk mee instemde dat deze documenten aan de Raad werden overgelegd, doch later weigerde om dit te doen.

98

Een dergelijke handelwijze van verzoeker tijdens het onderzoek door de Raad van de klacht van 30 maart 2012 waarmee verzoeker de nietigverklaring vorderde van het litigieuze besluit in het licht van de herziening, op 8 maart 2012, door het beroepsorgaan van het besluit van de NVO, lijkt onverenigbaar met de eerbiediging van de fundamentele plicht tot loyaliteit en samenwerking ten opzichte van de instelling die hem tewerkstelt, een plicht die ingevolge artikel 11 van het Statuut, dat krachtens artikel 81 van de RAP naar analogie van toepassing is op arbeidscontractanten, elke ambtenaar in acht dient te nemen. Deze plicht tot loyaliteit en samenwerking moet niet enkel worden nagekomen bij de uitvoering van de specifieke taken die aan de arbeidscontractant zijn opgedragen, maar strekt zich ook uit tot alle relaties tussen de arbeidscontractant en de instelling waaronder hij valt (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 26 november 1991, Williams/Rekenkamer, T‑146/89, punt 72).

99

Bijgevolg stelt het Gerecht vast dat, ook al heeft de Raad alvorens het litigieuze besluit vast te stellen géén bijeenkomst georganiseerd tussen het TAOBG en verzoeker die uitsluitend gewijd was aan het verzamelen van opmerkingen van laatstgenoemde met betrekking tot de voorgenomen opzegging van zijn overeenkomst, de omstandigheden waaronder het besluit werd vastgesteld en meegedeeld, alsmede de procedure die door de Raad werd gevolgd om te antwoorden op de klacht, tijdens het onderzoek waarvan het litigieuze besluit is heronderzocht door het TAOBG in het licht van nieuwe gegevens rechtens en feitelijk, verzoeker in staat hebben gesteld om op doeltreffende wijze zijn standpunt naar voren te brengen met betrekking tot de gegevens die in zijn nadeel in overweging waren genomen.

100

Mitsdien moet het derde middel worden afgewezen.

Vierde middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout

– Argumenten van partijen

101

Tot staving van dit middel betoogt verzoeker dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door hem, zonder rekening te houden met de mogelijkheid van een herziening van het besluit van de NVO, te ontslaan. De Raad had zijn rechtspositie onaangetast moeten laten tot na de afloop van het beroep voor het beroepsorgaan. Bovendien heeft de Raad een ernstige kennelijke beoordelingsfout gemaakt, door ervan uit te gaan dat het ontslag verplicht was, terwijl het volgens artikel 5, lid 2, sub b, slechts gaat om een mogelijkheid waarover hij beschikt.

102

De Raad concludeert tot afwijzing van het middel.

– Beoordeling door het Gerecht

103

Uit artikel 47, sub c, van de RAP, dat ingevolge artikel 119 van de RAP naar analogie van toepassing is op arbeidscontractanten, volgt dat het bevoegde gezag ten aanzien van de beëindiging van een overeenkomst van onbepaalde tijd een beoordelingsvrijheid heeft, zolang daarbij de in de overeenkomst voorziene en met de bepalingen van dat artikel overeenstemmende opzeggingstermijn in acht wordt genomen. Het Gerecht kan de juistheid van een dergelijke beoordeling niet toetsen, tenzij er aantoonbaar sprake is van kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 14 juli 1997, B/Parlement, T‑123/95, punt 70).

104

In het kader van de door de verzoeker aangevoerde middelen staat het aan het Gerecht om na te gaan of de Raad geen kennelijke fout heeft gemaakt bij de beoordeling van de gegevens die hij voor de vaststelling van het litigieuze besluit in aanmerking heeft genomen. Binnen de context, zoals in het onderhavige geding, van een ruime beoordelingsbevoegdheid van de administratie, veronderstelt de vaststelling dat zij bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van het op basis van die beoordeling genomen besluit rechtvaardigt, dat de door de verzoekende partij aan te dragen bewijselementen afdoende zijn om de beoordelingen van de administratie hun plausibiliteit te ontnemen (arrest Gerecht van 19 februari 2013, BB/Commissie, F‑17/11, punt 60).

105

Aangaande de definitie van het begrip „kennelijke beoordelingsfout” zij opgemerkt dat het Gerecht reeds heeft gepreciseerd dat wanneer het TAOBG over een beoordelingsbevoegdheid beschikt, er sprake is van een kennelijke fout, wanneer deze gemakkelijk herkenbaar is en duidelijk aan het licht kan worden gebracht (arrest Gerecht van 24 maart 2011, Canga Fano/Raad, F‑104/09, punt 35). In het licht van deze definitie moet worden onderzocht of het litigieuze besluit een kennelijke beoordelingsfout bevat.

106

Dienaangaande constateert het Gerecht, ten eerste, dat verzoeker, gelet op de conclusies van het door de NVO uitgevoerde onderzoek, niet in zijn post kon worden gehandhaafd. Ten tweede volgt uit de nota van 11 januari 2012, waarvan de inhoud is overgenomen in punt 27 van het onderhavige arrest, dat het onmogelijk is gebleken om betrokkene over te plaatsen naar een andere post. Ten derde blijkt uit de bewoordingen van artikel 12, lid 7, van de wet tot oprichting van een beroepsorgaan, dat de procedure voor het beroepsorgaan geen schorsende werking heeft. Aangezien, ten vierde, de secretaris-generaal van de Raad niet gebonden was aan de uitkomst van het veiligheidsonderzoek van de NVO, was hij ook niet gebonden aan de beslissing van het beroepsorgaan, waarvan de beslissingen alleen bindend zijn binnen de werkingssfeer van de wet betreffende de veiligheidsmachtiging en niet kunnen afdoen aan de wettigheid van het litigieuze besluit. In deze omstandigheden heeft de Raad geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door te besluiten over te gaan tot tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit zonder de afloop van de beroepsprocedure af te wachten.

107

Hieraan moet worden toegevoegd dat verzoekers stelling dat de Raad een ernstige kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door ervan uit te gaan dat het ontslag ingevolge artikel 5, lid 2, sub b, van de AUB verplicht was, berust op een onjuiste interpretatie van de stukken in het dossier. In de eerste plaats heeft het TAOBG namelijk alvorens te besluiten om verzoekers overeenkomst op te zeggen, onderzocht of verzoeker kon worden overgeplaatst naar een andere post, waarvoor geen veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie was vereist. In de tweede plaats heeft het TAOBG, gelet op de conclusies van het beroepsorgaan, verzoeker opgeroepen voor een bijeenkomst in mei 2012, waarop verzoeker met zijn advocaat aanwezig is geweest, en heeft het hem de mogelijkheid geboden aan te tonen dat de in de loop van het onderzoek aan het licht gekomen ongunstige informatie over hem ongegrond was.

108

Derhalve moet ook het vierde middel worden afgewezen.

Vijfde middel, ontleend aan onevenredigheid van het ontslag en niet-inachtneming door het TAOBG van de verplichting om de mogelijkheid te onderzoeken van een eventuele herplaatsing of handhaving in de vroegere functie

– Argumenten van partijen

109

Verzoeker wijst erop dat zijn laatste beoordelingsrapport blijkt geeft van een voortreffelijk profiel, aangezien hij een van de beste zaalmedewerkers was, daar hij voor alle dertien evaluatiecriteria, evenals voor zijn talenkennis, de beoordeling „goed” of „zeer goed” had ontvangen.

110

Gelet op de beslissing van het beroepsorgaan, dat de NVO heeft gelast de veiligheidsmachtiging aan verzoeker te verlenen, had de Raad het litigieuze besluit moeten heroverwegen, aangezien verzoeker alle garanties biedt om zijn post te kunnen behouden, dan wel, ten minste, om te kunnen worden herplaatst in zijn vroegere functie van etagebode, daar die post geen veiligheidsmachtiging vereiste, noch verplichtte tot het volgen van een veiligheidsprocedure.

111

De Raad concludeert tot afwijzing van het middel.

– Beoordeling door het Gerecht

112

Er zij aan herinnerd dat de zorgplicht en het beginsel van behoorlijk bestuur volgens vaste rechtspraak met name inhouden dat het bevoegde gezag, wanneer het zich uitspreekt over de situatie van een ambtenaar of functionaris en dit zelfs in het kader van de uitoefening van een ruime beoordelingsbevoegdheid, alle elementen in aanmerking neemt die zijn besluit kunnen beïnvloeden; hiertoe dient het niet alleen rekening te houden met het belang van de dienst, maar eveneens met dat van de betrokken ambtenaar of functionaris. Met name gelet op de omvang van de beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen bij de beoordeling van het dienstbelang beschikken, moet de controle van de rechter van de Unie zich echter beperken tot de vraag of het bevoegde gezag binnen redelijke grenzen is gebleven en zijn beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt (arrest Gerecht van 13 juni 2012, Macchia/Commissie, F‑63/11, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑368/12 P).

113

Met betrekking tot het besluit of het al dan niet noodzakelijk was om verzoeker te ontslaan, was het TAOBG verplicht om niet alleen het kennelijk belang van verzoeker bij voortzetting van de arbeidsverhouding die hem verbond met de Raad, te onderzoeken, maar ook het belang van de dienst, dat wordt bepaald door de behoefte van de Raad – die verantwoordelijk is voor het beheer van gerubriceerde EU-informatie – om zich te vergewissen van de loyaliteit en betrouwbaarheid van zijn personeelsleden.

114

Wat de belangenafweging in de onderhavige zaak betreft, volgt uit de nota van 11 januari 2012, waarvan de inhoud is weergegeven in punt 27 van het onderhavige arrest, dat de secretaris-generaal van de Raad wel degelijk overeenkomstig artikel 5, lid 3, van de AUB de mogelijkheid heeft onderzocht om verzoeker over te plaatsen naar een andere post. Verzoeker is evenwel niet overgeplaatst, en wel wegens zijn profiel, wegens de selectieprocedure aan het eind waarvan hij was aangesteld, wegens de ongunstige informatie die over hem aan het licht was gekomen na afloop van het veiligheidsonderzoek van de NVO, en wegens de verplichting voor de secretaris-generaal van de Raad om op veiligheidsgebied bijzondere voorzorgen te nemen.

115

In dit verband kan verzoekers interpretatie van de nota van 11 januari 2012 volgens welke zijn profiel, gelet op zijn laatste beoordelingsrapport, geschikt was om hem in zijn functie van zaalmedewerker, dan wel ten minste in zijn vroegere functie van etagebode, te handhaven, niet worden aanvaard.

116

Wat de mogelijkheid van handhaving in zijn functie of herplaatsing in zijn vroegere functie betreft, volgt uit artikel 7, lid 3, van besluit 2011/292 juncto de mededeling aan het personeel nr. 58/09, waarvan de inhoud voor de behandeling van deze zaak is overgenomen in punt 20 van het onderhavige arrest, dat alle zaalmedewerkers van het secretariaat-generaal, vanwege hun verplichtingen, toegang moeten kunnen hebben tot gerubriceerde EU-informatie van het niveau „[confidentiel] UE” of „[secret] UE” en, bijgevolg, een veiligheidsmachtiging dienen te bezitten. Aangezien verzoeker geen veiligheidsmachtiging bezit, kan hij niet de taken uitoefenen waarvoor hij in 2007 was aangesteld, en die naar hun aard identiek waren aan de taken die hij – blijkens zijn laatste beoordelingsrapport tot tevredenheid van zijn hiërarchische meerderen – uitoefende vóór de opzegging van zijn overeenkomst.

117

Wat de mogelijkheid betreft van overplaatsing van verzoeker in een andere functie, had het TAOBG alvorens het litigieuze besluit vast te stellen, rekening moeten houden met de vereisten van de eventuele andere functie met het oog op verzoekers vaardigheden en mogelijkheden. Verzoeker, die was aangesteld na afloop van een procedure voor de selectie van arbeidscontractanten voor de post van bode, om handenarbeid en/of administratieve ondersteunende diensten te verrichten, hetgeen overeenkomt met functiegroep I, had alleen kunnen worden overgeplaatst in een ambt met dezelfde kenmerken, wat krachtens artikel 8 van de AUB een ambt zou moeten zijn dat niet is opgenomen in de lijst van het aantal ambten. Uit mededeling aan het personeel nr. 58/09 volgt evenwel dat personeelsleden, om de voor ambten met dezelfde kenmerken typerende taken te kunnen uitvoeren, moeten worden onderworpen aan een veiligheidsonderzoek voor ten minste het niveau „[c]onfidentiel UE”.

118

Verzoekers argument dat hij net als andere collega’s zonder veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie een post van bode kan bekleden, kan evenmin worden aanvaard. Weliswaar heeft de Raad ter terechtzitting verklaard dat van de 120 personen die werkzaam zijn bij de bodedienst – waarvan 88 als zaalmedewerker – er 3 niet beschikten over een veiligheidsmachtiging, doch blijkens de ter terechtzitting door het hoofd van verzoekers eenheid verstrekte gegevens hebben deze 3 personen – aan wie speciale toestemming is verleend door de secretaris-generaal van de Raad – zich steeds als betrouwbaar bewezen, hebben zij bijna de pensioenleeftijd bereikt, zijn zij aangesteld in niet-gevoelige sectoren en zijn zij uitgesloten van mobiliteit. De Raad heeft hieraan toegevoegd dat in de betrokken dienst in elk geval geen enkele arbeidscontractant werkzaam is die niet over een veiligheidsmachtiging beschikt.

119

Wat de inaanmerkingneming betreft van de redenen die het TAOBG hebben gebracht tot zijn weigering om aan verzoeker de veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie te verlenen, volstaat de vaststelling dat de feiten die aanleiding waren voor het besluit van de NVO, de vrees van het TAOBG voor een mogelijke kwetsbaarheid van verzoeker, met het oog op de op de Raad rustende voorzorgplicht, konden rechtvaardigen.

120

Verzoekers interpretatie volgens welke de ongunstige informatie over hem, die aan het licht was gekomen na afloop van het door de NVO uitgevoerde onderzoek, door het beroepsorgaan was ontkracht, kan evenmin worden aanvaard.

121

In dit verband volstaat de vaststelling dat, aangezien de Raad niet beschikte over een kopie van de bij het beroepsorgaan ingediende processen-verbaal van de verhoren, de motivering van de beslissing van het beroepsorgaan van 8 maart 2012 niet de onzekerheid kon wegnemen die de conclusies van het besluit van de NVO bij de Raad hadden opgeroepen met betrekking tot de mogelijke kwetsbaarheid van verzoeker.

122

In deze omstandigheden kon, hoewel het beroepsorgaan de NVO had gelast aan verzoeker een veiligheidsmachtiging voor personeel van de Unie van het niveau „secret” te verlenen, het TAOBG zonder afbreuk te doen aan zijn verplichtingen als werkgever jegens verzoeker besluiten, ten eerste, dat verzoeker niet kon worden gemachtigd toegang te hebben tot gerubriceerde EU-informatie, ten tweede, om, aangezien er geen functie beschikbaar was waarin verzoeker had kunnen worden overgeplaatst, zijn overeenkomst op te zeggen, en, ten derde, om, gelet op de beslissing van het beroepsorgaan, de tegen het litigieuze besluit ingediende klacht af te wijzen.

123

Derhalve dient ook het vijfde middel en, bijgevolg, de primaire vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en, voor zover nodig, tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht, te worden afgewezen in haar geheel.

Tweede en derde vordering, strekkende tot het verkrijgen van materiële en immateriële schadevergoeding

Argumenten van partijen

124

Verzoeker is van mening dat de materiële schade die hij als gevolg van het litigieuze besluit heeft geleden, kan worden gecompenseerd wanneer de Raad hem een bedrag zou betalen van 160181,85 EUR, vermeerderd met rente, behoudens verhoging of verlaging van dit bedrag in de loop van de procedure.

125

Aangaande de immateriële schade verklaart hij dat de enkele nietigverklaring van het litigieuze besluit niet volstaat om hem genoegdoening te schenken, en verzoekt hij het Gerecht de Raad te veroordelen tot betaling van een bedrag van 25000 EUR, vast te stellen naar redelijkheid en billijkheid, behoudens verhoging of verlaging van dit bedrag in de loop van de procedure.

126

De Raad concludeert tot afwijzing van de schadevorderingen.

Beoordeling door het Gerecht

127

Wanneer de schade waarop een verzoeker zich beroept, voortvloeit uit de vaststelling van een besluit waartegen een beroep tot nietigverklaring is ingesteld, leidt, volgens vaste rechtspraak, de afwijzing van deze vordering tot nietigverklaring in beginsel tot afwijzing van de vordering tot schadevergoeding, aangezien deze vorderingen nauw verband houden met elkaar (arrest Gerecht van 29 september 2011, Heath/ECB, F‑121/10, punt 129).

128

Daarentegen kan, wanneer de schade niet voortvloeit uit de vaststelling van een besluit, of wanneer de vordering tot nietigverklaring niet wordt afgewezen, de administratie enkel aansprakelijk worden gesteld indien verzoeker aantoont dat er sprake is van een onregelmatigheid, daadwerkelijke schade en een causaal verband tussen de handelwijze en de gestelde schade. Die voorwaarden zijn cumulatief, zodat reeds wanneer één ervan niet vervuld is een schadevordering moet worden afgewezen (arrest BB/Commissie, reeds aangehaald, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

129

In casu moet worden opgemerkt dat de materiële en immateriële schade waarop verzoeker zich beroept, voortvloeien uit de besluitnemingspraktijk van de Raad, die zijn overeenkomst voor onbepaalde tijd heeft opgezegd. Aangezien de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit is afgewezen zonder dat het Gerecht een onregelmatigheid in de besluitnemingspraktijk van het TAOBG heeft vastgesteld, dienen verzoekers schadevorderingen te worden afgewezen.

130

Uit een en ander volgt dat het beroep moet worden verworpen in zijn geheel.

Kosten

131

Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt, behoudens de andere bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dit Reglement, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.

132

Uit de overwegingen van het onderhavige arrest volgt dat verzoeker in het ongelijk is gesteld. Voorts heeft de Raad in zijn conclusies uitdrukkelijk gevorderd om verzoeker te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de onderhavige zaak niet de toepassing van de bepalingen van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen, zal verzoeker zijn eigen kosten dragen en wordt hij verwezen in de kosten van de Raad.

 

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),

rechtdoende, verklaart:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

B. Arguelles Arias draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Raad van de Europese Unie.

 

Rofes i Pujol

Barents

Bradley

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 november 2013.

De griffier

W. Hakenberg

De president

M. I. Rofes i Pujol


( *1 ) Procestaal: Frans.