BESCHIKKING VAN HET HOF (Eerste kamer)

14 november 2013 ( *1 )

„Richtlijn 93/13/EEG — Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof — Consumentenovereenkomsten — Hypothecaire lening — Hypothecaire executie — Bevoegdheden van nationale executierechter — Oneerlijke bedingen — Beoordelingscriteria”

In de gevoegde zaken C‑537/12 en C‑116/13,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 1 de Catarroja (Spanje) en de Juzgado de Primera Instancia no 17 de Palma de Mallorca (Spanje) bij beslissingen van 15 november 2012 en 26 februari 2013, ingekomen bij het Hof op 26 november 2012 en 11 maart 2013, in de procedures

Banco Popular Español, S.A.

tegen

Maria Teodolinda Rivas Quichimbo,

Wilmar Edgar Cun Pérez (C‑537/12),

en

Banco de Valencia, S.A.

tegen

Joaquín Valldeperas Tortosa,

María Ángeles Miret Jaume (C‑116/13),

geeft

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano (rapporteur), kamerpresident, A. Borg Barthet, E. Levits, M. Berger en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen,

de navolgende

Beschikking

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).

2

Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen, het ene tussen Banco Popular Español, S.A. (hierna: „Banco Popular”) en M. T. Rivas Quichimbo en W. E. Cun Pérez, en het andere tussen Banco de Valencia, S.A. (hierna: „Banco de Valencia”) en J. Valldeperas Tortosa en M. A. Miret Jaume, betreffende de inning van schulden die voortvloeien uit hypothecaire leningen tussen deze partijen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

De zestiende overweging van de considerans van richtlijn 93/13 luidt:

„Overwegende [...] dat de verkoper aan de eis van goede trouw kan voldoen door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de andere partij, waarvan hij de legitieme belangen in aanmerking dient te nemen”.

4

Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt:

„1.   Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

2.   Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben.

[...]

3.   De bijlage bevat een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.”

5

Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn luidt:

„Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.”

6

Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn is in de volgende bewoordingen gesteld:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

7

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

8

In punt 1 van de bijlage bij deze richtlijn worden de in artikel 3, lid 3, van de richtlijn bedoelde bedingen opgesomd. Deze bijlage luidt als volgt:

„1.   Bedingen die tot doel of tot gevolg hebben:

[...]

e)

de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen;

[...]

g)

de verkoper toe te staan een overeenkomst van onbeperkte duur zonder redelijke opzeggingstermijn eenzijdig op te zeggen, behalve in geval van gewichtige redenen;

2.   Draagwijdte van de punten g, j en l:

a)

Punt g staat niet in de weg aan bedingen waarbij de leverancier van financiële diensten zich het recht voorbehoudt eenzijdig een eind te maken aan een overeenkomst van onbepaalde duur, en dit zonder opzegtermijn in geval van geldige reden, mits de verkoper verplicht wordt hiervan onmiddellijk de andere contracterende partij(en) op de hoogte te stellen.

[...]”

Spaans recht

9

In het Spaanse recht was de bescherming van de consument tegen oneerlijke bedingen aanvankelijk geregeld in Ley General 26/1984 para la Defensa de los Consumidores y Usuarios (algemene wet 26/1984 ter bescherming van consumenten en gebruikers) van 19 juli 1984 (BOE nr. 176 van 24 juli 1984, blz. 21686).

10

Deze wet is vervolgens gewijzigd bij Ley 7/1998 sobre condiciones generales de la contratación (wet 7/1998 inzake de algemene voorwaarden in overeenkomsten) van 13 april 1998 (BOE nr. 89 van 14 april 1998, blz. 12304), waarbij richtlijn 93/13 in Spaans nationaal recht is omgezet.

11

Ten slotte is Ley General 26/1984, zoals gewijzigd bij Ley 7/1998, gecodificeerd bij Real Decreto Legislativo 1/2007 por el que se aprueba el texto refundido de la Ley General para la Defensa de los Consumidores y Usuarios y otras leyes complementarias (koninklijk wetsbesluit 1/2007 tot goedkeuring van de gecodificeerde tekst van de algemene wet ter bescherming van consumenten en gebruikers en andere aanvullende wetten) van 16 november 2007 (BOE nr. 287 van 30 november 2007, blz. 49181).

12

Artikel 82 van dat Real Decreto Legislativo bepaalt:

„1.   Alle bepalingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, en alle niet uitdrukkelijk overeengekomen praktijken, worden als oneerlijke bedingen beschouwd indien zij, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument.

[...]

3.   Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding worden de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, alle omstandigheden bij de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, in aanmerking genomen.

4.   Onverminderd het bepaalde in de vorige leden zijn in elk geval die bedingen oneerlijk die overeenkomstig de artikelen 85 tot en met 90:

a)

de overeenkomst onderwerpen aan de wil van de handelaar,

b)

de rechten van de consument en gebruiker beperken,

c)

bepalen dat er geen sprake zal zijn van wederkerigheid in de overeenkomst,

d)

van de consument of gebruiker onevenredige garanties vragen of ten onrechte de bewijslast bij hem leggen,

e)

onevenredige eisen stellen met betrekking tot de sluiting en de uitvoering van de overeenkomst, of

f)

in strijd zijn met de regels betreffende de bevoegdheid en het toepasselijke recht.”

13

Ley 1/2000, de 7 de enero, de Enjuiciamiento Civil (wet 1/2000 van 7 januari 2000 op de burgerlijke rechtsvordering), in de versie die gold ten tijde van de aanhangigmaking van de procedures in de hoofdgedingen (hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”), regelt in boek III, titel IV, hoofdstuk V, „Bijzonderheden van de executie van verhypothekeerde of verpande zaken”, meer in het bijzonder in de artikelen 681 tot en met 698, de hypothecaire executie.

14

Artikel 695 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt:

„1.   In de in dit hoofdstuk genoemde procedure kan de geëxecuteerde zich uitsluitend verzetten op de volgende gronden:

(1)

tenietgaan van de zekerheid of van de verbintenis waarvoor de zekerheid is gesteld, mits een verklaring van het register wordt overgelegd waaruit het vervallen van de hypotheek of in voorkomend geval van het bezitloze pandrecht (registerpandrecht) blijkt, of een notariële akte inzake de ontvangst van de betaling of het vervallen van de zekerheid;

(2)

onjuiste berekening van het verschuldigde bedrag, wanneer de schuld waarvoor de zekerheid is gesteld het slotsaldo vertegenwoordigt van een rekening tussen de executant en de geëxecuteerde. De geëxecuteerde dient zijn exemplaar van het rekeningafschrift over te leggen, en het verzet is alleen toelaatbaar indien het op dit rekeningafschrift vermelde saldo afwijkt van het saldo zoals dit blijkt uit het door de executant overgelegde rekeningafschrift.

[...]

(3)

[...] de omstandigheid dat [sprake is van] een ander pandrecht [of] hypotheek [...], eerder ingeschreven dan de zekerheid waarop de procedure betrekking heeft, hetgeen dient te worden aangetoond door de betreffende aantekening in het register.

2.   Ingeval overeenkomstig lid 1 verzet wordt gedaan, schort de griffier van de rechtbank de executie op en nodigt hij de partijen uit om voor de rechter te verschijnen die de executie heeft bevolen, waarbij tussen de dagvaarding en de comparitie ten minste vier dagen moeten liggen; tijdens deze comparitie hoort de rechter de partijen, laat hij stukken die worden overgelegd toe, en geeft hij binnen twee dagen de door hem redelijk geachte beslissing in de vorm van een beschikking.

[...]”

15

Artikel 698 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt:

„1.   Op ieder bezwaar van de schuldenaar, de derde-bezitter of een andere betrokkene dat niet in de bovenstaande artikelen is genoemd, daaronder begrepen bezwaren die de nietigheid van de titel alsmede de opeisbaarheid, de vaststaande aard, het tenietgaan of het bedrag van de vordering betreffen, wordt in de desbetreffende procedure beslist, zonder dat dit leidt tot schorsing of vertraging van de in het onderhavige hoofdstuk bedoelde procedure.

[...]

2.   Bij de indiening van het bezwaar bedoeld in lid 1 of in de loop van het daaropvolgende geding kan worden verzocht dat de doeltreffendheid van de ter zake te geven beslissing wordt gewaarborgd door de gerechtelijke bewaring van het volledige of een deel van het bedrag dat volgens de in het onderhavige hoofdstuk geregelde procedure aan de schuldeiser dient te worden betaald.

De rechter beveelt bij beschikking op grond van de overgelegde stukken de genoemde gerechtelijke bewaring, indien hij de aangevoerde gronden voldoende acht. Indien de verzoeker niet kennelijk voldoende solvent is, gelast de rechter dat hij vooraf voldoende zekerheid stelt voor de voldoening van de vertragingsrente en eventuele andere rechten op schadevergoeding van de schuldeiser.

3.   Indien de schuldeiser zekerheid stelt voor de betaling van het bedrag waarvan de bewaring is bevolen in verband met de in lid 1 genoemde procedure, en de rechter deze zekerheid voldoende acht, wordt de bewaring opgeheven.”

16

Artikel 131 van de ten tijde van de feiten van de hoofdgedingen geldende Ley Hipotecaria (hypotheekwet), gecodificeerd bij besluit van 8 februari 1946 (BOE nr. 58 van 27 februari 1946, blz. 1518), luidt:

„Voorlopige aantekeningen met betrekking tot verzoeken tot nietigverklaring van de hypotheek of andere aantekeningen waarbij geen sprake is van een van de gevallen waarin de executie kan worden geschorst, worden op grond van het in artikel 133 bedoelde doorhalingsbevel doorgehaald, mits zij zijn gemaakt nadat de afgifte van de verklaring omtrent zekerheden in de marge werd vermeld. De akte waaruit blijkt dat de hypotheek is betaald, kan niet worden ingeschreven zolang de genoemde vermelding in de marge niet vooraf bij een desbetreffend rechterlijk bevel is doorgehaald.”

17

Artikel 153 bis van deze wet bepaalt:

„[...] Overeengekomen kan worden dat het bij executie opeisbare bedrag het bedrag is dat het resultaat is van de becijfering die door de kredietinstelling is verricht op de door partijen bij de akte overeengekomen wijze.

Aan het einde van de door contractpartijen overeengekomen looptijd of van een verlenging daarvan kan in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 129 en 153 van de onderhavige wet en de overeenkomstige bepalingen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering worden overgegaan tot hypothecaire executie.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑537/12

18

Op 28 mei 2005 hebben Cun Pérez en Rivas Quichimbo een lening afgesloten voor een bedrag van 107300 EUR, gedekt door de hypotheek op de gezinswoning.

19

Vanaf 31 oktober 2009 hebben de debiteuren de termijnen van de lening niet meer betaald.

20

Na de door Banco Popular op 20 januari 2012 ingestelde vordering heeft de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 1 de Catarroja (rechtbank van eerste aanleg en instructie nr. 1 Catarroja) bij beschikking van 8 februari 2012 toestemming gegeven tot executie van de als zekerheid gestelde onroerende zaak en de geëxecuteerde gelast de nog uitstaande hoofdsom van 97667,49 EUR plus rente en kosten ad 17962,02 EUR te betalen.

21

Op 18 mei 2012 heeft Rivas Quichimbo, vertegenwoordigd door de advocaat die haar was toegewezen na haar verzoek om kosteloze rechtsbijstand, verzet tegen de executie gedaan, met name op de grond dat het in de overeenkomst van geldlening opgenomen „bodemrentebeding” oneerlijk was. Volgens dat beding ontvangt de kredietinstelling een minimumrente wanneer de als referentie gehanteerde rente onder een bepaalde waarde komt, zodat een lening met een variabele rente in wezen een lening met een vaste rente wordt.

22

Op de terechtzitting van 10 juli 2012 heeft die advocaat het betoog herhaald dat het betrokken beding van de overeenkomst oneerlijk was, waarop Banco Popular heeft gesteld dat een dergelijke overweging niet voorkwam onder de limitatief opgesomde verzetsgronden van artikel 695 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering en dat de geëxecuteerde dus een declaratoire procedure diende aan te spannen.

23

Tegen die achtergrond heeft de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 1 de Catarroja bij beschikking van 15 oktober 2012 partijen meegedeeld dat zij twijfel had over de vraag of het Spaanse procesrecht verenigbaar is met het bij richtlijn 93/13 vastgestelde juridische kader, en partijen in dit verband verzocht hun opmerkingen in te dienen.

24

De Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 1 de Catarroja heeft er met name op gewezen dat wanneer de schuldeiser gebruikmaakt van de hypothecaire executie om tot gedwongen verkoop over te gaan, de omstandigheid dat een van de bedingen in de overeenkomst van geldlening waaruit de gevorderde schuld voortvloeit oneerlijk is, slechts kan worden aangevoerd als bij de bevoegde rechter een declaratoire procedure wordt aangespannen, welke procedure geen schorsende werking heeft. Gelet op de in de executieprocedure bestaande onmogelijkheid om ambtshalve of op verzoek van een partij te beoordelen of sprake is van een dergelijk oneerlijk beding, is het voor een Spaanse rechter dan ook uiterst moeilijk om het bij hypothecaire executie bestaande gebrek aan evenwicht tussen de consument en de kredietverstrekker te compenseren.

25

Volgens de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 1 de Catarroja doet de op deze procedure betrekking hebbende Spaanse wettelijke regeling dus afbreuk aan de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 beoogde consumentenbescherming.

26

Deze constatering vloeit ook voort uit punt 53 van het arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10), waarin het Hof tot dezelfde conclusie is gekomen met betrekking tot een betalingsbevelprocedure als de Spaanse, op de grond dat die procedure „de rechter die om een betalingsbevel is verzocht de mogelijkheid ontzegt om, zelfs indien hij daartoe reeds over alle nodige gegevens ten aanzien van het recht en van de feiten beschikt, ambtshalve, wanneer de consument geen verzet heeft aangetekend, in limine litis of op enig ander ogenblik in de procedure na te gaan of een beding in een overeenkomst tussen een handelaar en een consument oneerlijk is”.

27

Daarop heeft de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 1 de Catarroja de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

[Dient] richtlijn 93/13 in die zin [...] te worden uitgelegd dat deze zich verzet tegen een nationale regeling die de rechter die kennisneemt van een hypothecaire executieprocedure als die geregeld in de artikelen 681 tot en met 695 van het Spaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering [...], verhindert om hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een partij te beoordelen of een beding in een overeenkomst tussen een handelaar en een consument oneerlijk is, zowel wanneer de consument verzet heeft gedaan, als wanneer hij dat niet heeft gedaan[?]

2)

Zowel indien het antwoord op die vraag bevestigend, als indien het ontkennend is, [...] [dient] richtlijn 93/13 in die zin [...] te worden uitgelegd dat deze zich verzet tegen een nationale regeling die de rechter die kennisneemt van een hypothecaire executieprocedure als die geregeld in de artikelen 681 tot en met 695 van het Spaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering [...], verhindert om deze procedure te schorsen wanneer later een declaratoire procedure wordt aangespannen waarin wordt verzocht een beding in een overeenkomst tussen een handelaar en een consument oneerlijk te verklaren, wanneer op deze overeenkomst een beroep is gedaan teneinde de genoemde executieprocedure te starten[?]”

Zaak C‑116/13

28

Valldeperas Tortosa en Miret Jaume hebben bij notariële akte van 26 juli 2007 met Banco de Valencia een overeenkomst tot hypothecaire geldlening voor een bedrag van 300000 EUR gesloten ter financiering van hun gezinswoning. In dezelfde akte hebben de kredietnemers de gefinancierde zaak verhypothekeerd tot zekerheid van de terugbetaling van de lening.

29

Volgens het specifieke beding „Vervroegde beëindiging van de hypothecaire lening” van de betrokken overeenkomst kon de kredietinstelling bij niet-nakoming van een van de contractuele verplichtingen eenzijdig de overeenkomst tot geldlening ontbinden zonder daarvan vooraf kennisgeving te doen, en terugbetaling eisen van de nog uitstaande hoofdsom plus rente en kosten. Dat beding stond de bank met name toe de overeenkomst wegens niet-betaling van slechts één hypotheektermijn te ontbinden, zonder er rekening mee te hoeven houden dat de debiteuren tevoren hun contractuele verplichtingen zijn nagekomen.

30

Nadat de debiteuren vier termijnen, namelijk voor de maanden maart tot en met juni 2012, niet hadden betaald, heeft Banco de Valencia de lening vervroegd opeisbaar verklaard en op 5 juni 2012 een hypothecaire executieprocedure gestart tot betaling van een bedrag van 279540,58 EUR als hoofdsom en een voorlopig bedrag van 83862,17 EUR aan vertragingsrente, verschuldigd na de bij de vordering gevoegde notariële opgave van het te vorderen bedrag, en kosten.

31

De Juzgado de Primera Instancia no 17 de Palma de Mallorca (rechtbank van eerste aanleg nr. 17 Palma de Mallorca), de rechter in de executieprocedure, heeft, net als de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 1 de Catarroja, twijfel geuit over de verenigbaarheid van de Spaanse hypothecaire executieprocedure met richtlijn 93/13. In die procedure kan de bevoegde rechter niet ambtshalve het oneerlijke karakter van een beding in de overeenkomst tot hypothecaire geldlening toetsen alvorens de executie te bevelen, maar enkel de executoriale titel en de bijbehorende documenten formeel beoordelen, en voorts evenmin de hypothecaire executie schorsen wanneer de geëxecuteerde een declaratoire procedure aanspant om te doen vaststellen dat het beding oneerlijk is.

32

Onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Aziz (arrest van 14 maart 2013, C‑415/11) heeft de Juzgado de Primera Instancia no 17 de Palma de Mallorca dan ook verklaard dat die procedure mogelijk in strijd is met de regeling van richtlijn 93/13 zoals uitgelegd in de desbetreffende vaste rechtspraak van het Hof (zie arresten van 27 juni 2000, Océano Grupo Editorial en Salvat Editores, C-240/98-C-244/98, Jurispr. blz. I-4941; 26 oktober 2006, Mostaza Claro, C-168/05, Jurispr. blz. I-10421, en 4 juni 2009, Pannon GSM, C-243/08, Jurispr. blz. I-4713, en arrest Banco Español de Crédito, reeds aangehaald). Uit deze rechtspraak zou immers blijken dat de nationale rechter het oneerlijke karakter van een onder deze richtlijn vallend contractueel beding steeds ambtshalve dient te toetsen zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt.

33

Bovendien was de Juzgado de Primera Instancia no 17 de Palma de Mallorca van oordeel dat bij de behandeling van het hoofdgeding andere vragen rezen over met name de uitlegging van het begrip „oneerlijk beding” in artikel 3, leden 1 en 3, van de richtlijn en punt 1, sub e en g, en punt 2, sub a, van de bijlage daarbij. Of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding over de vervroegde beëindiging van de hypothecaire lening verenigbaar is met die bepalingen, is volgens de Juzgado de Primera Instancia no 17 de Palma de Mallorca immers niet duidelijk.

34

Daarop heeft de Juzgado de Primera Instancia no 17 de Palma de Mallorca de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Is de Spaanse hypothecaire executieprocedure verenigbaar met artikel 7 van [richtlijn 93/13] in zoverre zij niet als voorwaarde voor de verlening van verlof tot executie voorziet in de mogelijkheid van ambtshalve rechterlijke toetsing van een beding tot vervroegde beëindiging van de lening op eenzijdig verzoek van de bank, welk beding op zichzelf en in zijn concrete toepassing in de zaak als oneerlijk wordt beschouwd, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat dit beding onontbeerlijk is om voor deze professionele kredietverlener de weg vrij te maken voor deze voor haar gunstige executieprocedure?

2)

Wat dient, vanuit hetzelfde gezichtspunt van artikel 7 van [richtlijn 93/13], de handelingsruimte van de rechter met betrekking tot dit beding te zijn, wanneer hij heeft te beslissen over de verlening van verlof tot executie in de hypothecaire executieprocedure?

3)

Kan vanuit het gezichtspunt van artikel 3, leden 1 en 3, van [richtlijn 93/13] en punt 1, sub e en g, en punt 2, sub a, van de bijlage daarbij een contractueel beding dat de kredietverlenende bank toestaat om de leningsovereenkomst op basis van volkomen objectieve gronden, waarvan sommige zonder verband met de overeenkomst zelf, eenzijdig te ontbinden, in de onderhavige zaak wegens niet-betaling van vier maandelijkse termijnen van de hypotheek, op zichzelf beschouwd en tevens in zijn concrete toepassing in de zaak als oneerlijk worden aangemerkt?”

35

Bij beschikking van de president van het Hof van 20 juni 2013 zijn de zaken C‑537/12 en C‑116/13 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

36

Volgens artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering kan wanneer een gestelde prejudiciële vraag identiek is aan een vraag waarover het Hof reeds uitspraak heeft gedaan, wanneer het antwoord op een dergelijke vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of over het antwoord op een prejudiciële vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, het Hof in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.

37

Dit artikel moet in de onderhavige gevoegde zaken worden toegepast.

Twee vragen in zaak C‑537/12 en eerste twee vragen in zaak C‑116/13

38

Met deze vragen, die tezamen dienen te worden behandeld, wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een regeling van een lidstaat zoals die in de hoofdgedingen, waarbij de executierechter bij hypothecaire executie niet ambtshalve of op verzoek van de consument kan toetsen of een beding dat is opgenomen in de overeenkomst waaruit de gevorderde schuld voortvloeit en dat ten grondslag ligt aan de executoriale titel, oneerlijk is, en evenmin voorlopige maatregelen kan opleggen ter verzekering van de volle werking van de einduitspraak van de rechter die de desbetreffende declaratoire procedure behandelt en bevoegd is om te oordelen of dat beding oneerlijk is.

39

Volgens vaste rechtspraak berust het beschermingsstelsel van richtlijn 93/13 op de gedachte dat de consument zich tegenover de handelaar in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de handelaar beschikt (arrest Aziz, reeds aangehaald, punt 44).

40

Gelet op deze zwakke positie bepaalt artikel 6, lid 1, van deze richtlijn dat oneerlijke bedingen de consument niet binden. Volgens de rechtspraak gaat het om een dwingende bepaling die beoogt het in de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt (arrest Aziz, punt 45).

41

In dit verband heeft het Hof reeds herhaaldelijk geoordeeld dat de nationale rechter ambtshalve moet toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is, en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de handelaar moet compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt (arrest Aziz, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42

Het Hof heeft voorts vastgesteld dat richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een rechter die om een betalingsbevel is verzocht, zelfs indien hij daartoe over de nodige gegevens ten aanzien van het recht en van de feiten beschikt, niet ambtshalve, wanneer de consument geen verzet heeft aangetekend, in limine litis of op enig ander moment in de procedure kan toetsen of een beding over vertragingsrente in een overeenkomst tussen een handelaar en een consument oneerlijk is (arrest Banco Español de Crédito, reeds aangehaald, punt 57).

43

Bovendien was het Hof in punt 64 van het arrest Aziz van oordeel dat deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een regeling van een lidstaat waarbij bij hypothecaire executie geen verzetsgronden omtrent het oneerlijke karakter van een aan de executoriale titel ten grondslag liggend contractueel beding kunnen worden aangevoerd en de rechter in de declaratoire procedure, die bevoegd is om te oordelen of dat beding oneerlijk is, geen voorlopige maatregelen, waaronder met name de schorsing van de executie, kan opleggen wanneer deze maatregelen noodzakelijk zijn ter verzekering van de volle werking van zijn einduitspraak.

44

Uit die rechtspraak kan dus duidelijk worden afgeleid hoe de prejudiciële vragen moeten worden beantwoord, aangezien zij in wezen betrekking hebben op de uit de richtlijn voortvloeiende omschrijving van de taken van de rechter die bevoegd is om verlof tot hypothecaire executie te verlenen, in het kader van hetzelfde procesrecht als het procesrecht dat het Hof in het arrest Aziz heeft onderzocht.

45

Bij gebreke van harmonisatie van de nationale regelingen inzake gedwongen verkoop zijn de nadere regels met betrekking tot de verzetsgronden die mogelijk zijn bij hypothecaire executie, en met betrekking tot de bevoegdheden die de executierechter in dit stadium heeft om te oordelen over de rechtmatigheid van bedingen in consumentenovereenkomsten, krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van hun interne rechtsorde, op voorwaarde evenwel dat die nadere regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door het Unierecht aan de consument verleende rechten niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie naar analogie arrest Aziz, punt 50).

46

Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, beschikt het Hof niet over gegevens die twijfel doen ontstaan over de overeenstemming van de regeling in de hoofdgedingen met dit beginsel.

47

Uit de stukken blijkt immers dat volgens het Spaanse procesrecht de executierechter bij hypothecaire executie de overeenkomst waaruit de gevorderde schuld voortvloeit, niet ambtshalve of op verzoek van een partij kan onderzoeken op grond van overwegingen die niet tot de uitdrukkelijk genoemde verzetsgronden behoren, noch voorlopige maatregelen kan opleggen ter verzekering van de volle werking van de einduitspraak van de rechter in de declaratoire procedure en dit niet alleen wanneer de rechter in de declaratoire procedure beoordeelt of een beding in een tussen een handelaar en een consument gesloten overeenkomst in het licht van artikel 6 van richtlijn 93/13 oneerlijk is, maar ook wanneer deze rechter nagaat of dat beding in strijd is met de nationale regels van openbare orde, hetgeen evenwel ter zijner beoordeling staat.

48

Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, is het vaste rechtspraak dat elk geval waarin de vraag rijst of een nationale procesregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die regel in de gehele procedure en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure voor de verschillende nationale instanties (arrest Aziz, punt 53).

49

In de onderhavige gevallen blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken dat bij hypothecaire executie de geëxecuteerde zich volgens artikel 695 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering uitsluitend kan verzetten op grond van het tenietgaan van de zekerheid of van de verbintenis waarvoor de zekerheid is gesteld, de onjuiste berekening van het verschuldigde bedrag wanneer de schuld waarvoor de zekerheid is gesteld het slotsaldo vertegenwoordigt van een rekening tussen de executant en de geëxecuteerde, of de omstandigheid dat sprake is van een andere hypotheek of zekerheid, die eerder is ingeschreven dan de zekerheid waarop de procedure betrekking heeft.

50

Overeenkomstig artikel 698 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt op ieder ander bezwaar van de schuldenaar, daaronder begrepen bezwaren die de nietigheid van de titel alsmede de opeisbaarheid, de vaststaande aard, het tenietgaan of het bedrag van de vordering betreffen, in de desbetreffende procedure beslist, zonder dat dit leidt tot schorsing of vertraging van de in het desbetreffende hoofdstuk bedoelde procedure.

51

Bovendien worden voorlopige aantekeningen met betrekking tot verzoeken tot nietigverklaring van de hypotheek of andere aantekeningen waarbij geen sprake is van een van de gevallen waarin de executie kan worden geschorst, volgens artikel 131 van de hypotheekwet op grond van het in artikel 133 van die wet bedoelde doorhalingsbevel doorgehaald, mits zij zijn gemaakt nadat de afgifte van de verklaring omtrent zekerheden in de marge werd vermeld.

52

Hieruit volgt dat naar Spaans procesrecht de uiteindelijke verkrijging van een verhypothekeerde zaak door een derde steeds onomkeerbaar is, zelfs wanneer het oneerlijke karakter van het door de consument voor de rechter in de declaratoire procedure bestreden beding tot nietigverklaring van de hypothecaire executie leidt, tenzij die consument een voorlopige aantekening met betrekking tot het verzoek tot nietigverklaring van de hypotheek heeft gemaakt vóór de genoemde vermelding in de marge (arrest Aziz, punt 57).

53

In dit verband moet echter worden vastgesteld dat, rekening houdend met het verloop en de specifieke kenmerken van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde hypothecaire executie, laatstgenoemde situatie heel onwaarschijnlijk is, aangezien er een aanzienlijk risico is dat de betrokken consument die voorlopige aantekening niet binnen de daartoe voorgeschreven termijn maakt, hetzij vanwege het zeer snelle verloop van de betrokken executie, hetzij omdat hij de omvang van zijn rechten niet kent of ten volle beseft (zie arrest Aziz, punt 58).

54

Zoals het Hof in punt 59 van het arrest Aziz reeds heeft geoordeeld, doet een dergelijke procedure afbreuk aan de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 beoogde bescherming doordat de rechter in de declaratoire procedure, tot wie de consument zich heeft gewend stellende dat een aan een executoriale titel ten grondslag liggend contractueel beding oneerlijk is, in de onmogelijkheid verkeert om voorlopige maatregelen tot schorsing of vertraging van de hypothecaire executie te gelasten wanneer dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn ter verzekering van de volle werking van zijn einduitspraak.

55

Daarnaast doet een dergelijke procedure afbreuk aan de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 beoogde bescherming doordat zij ook tot gevolg heeft dat de executierechter in de onmogelijkheid verkeert om ambtshalve of op verzoek van de consument te toetsen of een beding dat is opgenomen in de overeenkomst waaruit de gevorderde schuld voortvloeit en dat in casu ten grondslag ligt aan de executoriale titel, oneerlijk is, alsook om voorlopige maatregelen tot schorsing of vertraging van de hypothecaire executie te gelasten wanneer dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn ter verzekering van de volle werking van de einduitspraak van de rechter in de declaratoire procedure, voor wie de consument aanvoert dat het beding oneerlijk is.

56

Zonder die mogelijkheid kan, zoals het Hof heeft geoordeeld, met de uitspraak van de rechter in de declaratoire procedure waarbij het oneerlijke karakter van het aan de hypotheek ten grondslag liggende contractuele beding wordt vastgesteld en de executie dus nietig wordt verklaard, in alle gevallen waarin, zoals in de hoofdgedingen, de executie van de verhypothekeerde onroerende zaak reeds vóór deze uitspraak heeft plaatsgevonden, aan de consument immers slechts bescherming achteraf worden geboden die uitsluitend in schadevergoeding bestaat en die onvolledig en ontoereikend is en geen geschikt en doeltreffend middel vormt om een einde te maken aan het gebruik van dat beding, hetgeen in strijd is met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 (arrest Aziz, punt 60).

57

Dit geldt des te meer wanneer, zoals in de hoofdgedingen, de zaak waarop de hypothecaire zekerheid betrekking heeft, de woning is van de gelaedeerde consument en zijn gezin, aangezien met een dergelijke consumentenbescherming die zich beperkt tot betaling van schadevergoeding, niet kan worden voorkomen dat die woning definitief en onomkeerbaar verloren gaat (arrest Aziz, punt 61).

58

Kredietverstrekkers kunnen dus reeds door de hypothecaire executieprocedure te starten, mits aan de voorwaarden is voldaan, aan de consument de door richtlijn 93/13 beoogde bescherming in wezen ontnemen, hetgeen tevens in strijd is met de rechtspraak van het Hof dat de specifieke kenmerken van de gerechtelijke procedure, waar in een nationaalrechtelijke context de handelaar en de consument tegenover elkaar staan, geen factor kunnen vormen die de rechtsbescherming kan doorkruisen die de consument op grond van deze richtlijn dient toe te komen (arrest Aziz, punt 62).

59

In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde Spaanse regeling niet in overeenstemming is met het doeltreffendheidsbeginsel voor zover het daarbij onmogelijk of uiterst moeilijk is om in de door kredietverstrekkers ingeleide hypothecaire executieprocedures waarin consumenten verwerende partij zijn, de met deze richtlijn beoogde bescherming van de consument te handhaven (arrest Aziz, punt 63).

60

Gelet op een en ander dient op de twee vragen in zaak C‑537/12 en de eerste twee vragen in zaak C‑116/13 te worden geantwoord dat richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een regeling van een lidstaat zoals die in de hoofdgedingen, waarbij de executierechter bij hypothecaire executie niet ambtshalve of op verzoek van de consument kan toetsen of een beding dat is opgenomen in de overeenkomst waaruit de gevorderde schuld voortvloeit en dat ten grondslag ligt aan de executoriale titel, oneerlijk is, en evenmin voorlopige maatregelen, waaronder met name de schorsing van de executie, kan opleggen wanneer deze maatregelen noodzakelijk zijn ter verzekering van de volle werking van de einduitspraak van de rechter die de desbetreffende declaratoire procedure behandelt en bevoegd is om te oordelen of dat beding oneerlijk is.

Derde vraag in zaak C‑116/13

61

Met deze vraag vraagt de verwijzende rechter in wezen om verduidelijking van de uitlegging van artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 93/13 en punt 1, sub e en g, en punt 2, sub a, van de bijlage daarbij om te kunnen beoordelen of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding over de „vervroegde beëindiging van de hypothecaire lening” al dan niet oneerlijk is.

62

In het arrest Aziz diende het Hof een soortgelijke vraag te beantwoorden, zodat de nationale rechter met name kon oordelen of een beding betreffende vervroegde beëindiging van langlopende overeenkomsten tot hypothecaire geldlening oneerlijk was. Het antwoord op de onderhavige vraag kan dus duidelijk worden afgeleid uit de overwegingen in dat arrest.

63

Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft de bevoegdheid van het Hof betrekking op de uitlegging van het begrip „oneerlijk beding”, als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 en de bijlage daarbij, alsmede op de criteria die de nationale rechter kan of moet toepassen wanneer hij een contractueel beding toetst aan deze richtlijn, met dien verstande dat het aan die rechter staat om, rekening houdend met die criteria, zich in het licht van de omstandigheden van het betrokken geval uit te spreken over de concrete kwalificatie van een bepaald contractueel beding. Daaruit volgt dat het Hof zich in zijn antwoord dient te beperken tot het verschaffen van aanwijzingen waarmee de verwijzende rechter geacht wordt rekening te houden bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van het betrokken beding (zie arrest van 26 april 2012, Invitel, C‑472/10, punt 22, en arrest Aziz, punt 66).

64

Daarnaast moet erop worden gewezen dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 met een verwijzing naar de begrippen goede trouw en aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument, slechts in abstracto de elementen omschrijft die een oneerlijk karakter geven aan een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (arrest Aziz, punt 67).

65

Zoals het Hof reeds heeft aangegeven moet, om te bepalen of een beding een „aanzienlijke verstoring van het evenwicht” tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Aan de hand van een dergelijk vergelijkend onderzoek kan de nationale rechter bepalen of, en in voorkomend geval in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan die welke het geldende nationale recht bepaalt. Daarbij is het ook relevant om na te gaan in welke juridische situatie de consument verkeert gelet op de middelen waarover hij volgens de nationale regeling beschikt om een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen (arrest Aziz, punt 68).

66

Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een dergelijke verstoring van het evenwicht „in strijd met de goede trouw” wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter volgens de rechtspraak van het Hof na te gaan of de handelaar door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld (arrest Aziz, punt 69).

67

In dit verband moet er ook op worden gewezen dat de bijlage waar artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13 naar verwijst, slechts een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen bevat die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt (arrest Aziz, punt 70).

68

Meer in het bijzonder betreft punt 1, sub e en g, van deze bijlage de bedingen die respectievelijk tot doel of tot gevolg hebben de consument die zijn verplichtingen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen en de handelaar toe te staan een overeenkomst voor onbepaalde tijd zonder redelijke opzegtermijn op te zeggen, tenzij er sprake is van gewichtige redenen. Voorts is in punt 2, sub a, van de bijlage aangegeven dat punt 1, sub g, niet in de weg staat aan bedingen waarbij de verlener van financiële diensten zich het recht voorbehoudt om een overeenkomst voor onbepaalde tijd eenzijdig te beëindigen en wel zonder opzegtermijn als er een geldige reden is, mits op de handelaar de verplichting rust om de andere contractpartij(en) hiervan onmiddellijk op de hoogte te stellen.

69

Het staat aan de Juzgado de Primera Instancia no 17 de Palma de Mallorca om aan de hand van deze criteria te beoordelen of het aan de orde zijnde beding over de vervroegde beëindiging van de hypothecaire lening, op grond waarvan de kredietinstelling voor bepaalde tijd gesloten overeenkomsten tot geldlening eenzijdig kan ontbinden en dus terugbetaling van de nog uitstaande hoofdsom plus rente kan eisen wanneer de schuldenaar zijn contractuele verplichtingen gedurende een beperkte periode niet nakomt, oneerlijk is.

70

Het staat aan de verwijzende rechter om met name na te gaan of aan de mogelijkheid voor de kredietverstrekker om de overeenkomst eenzijdig te ontbinden de voorwaarde is verbonden dat de consument een hoofdverplichting in het kader van de desbetreffende contractuele relatie niet is nagekomen, of deze mogelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin die niet-nakoming voldoende ernstig is in vergelijking met de looptijd en het bedrag van de lening, of deze mogelijkheid afwijkt van de regels die van toepassing zijn wanneer partijen geen regeling hebben getroffen, zodat het voor de consument moeilijker is, gelet op de procedurele middelen waarover hij beschikt, om toegang tot de rechter te krijgen en zijn recht van verdediging uit te oefenen, en of het nationale recht in geschikte en doeltreffende middelen voorziet die de consument aan wie een dergelijk beding is tegengeworpen, in staat stellen om de gevolgen van de eenzijdige ontbinding van de overeenkomst tot geldlening ongedaan te maken (zie in die zin arrest Aziz, punten 73 en 75).

71

Gelet op al het voorgaande moet dus op de derde vraag in zaak C‑116/13 worden geantwoord dat artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 93/13 en punt 1, sub e en g, en punt 2, sub a, van de bijlage daarbij aldus moeten worden uitgelegd dat het voor de beoordeling van de vraag of een op de vervroegde beëindiging van een hypothecaire lening betrekking hebbend beding als dat in het hoofdgeding oneerlijk is, met name van wezenlijk belang is of:

aan de mogelijkheid voor de kredietverstrekker om de overeenkomst eenzijdig te ontbinden de voorwaarde is verbonden dat de consument een hoofdverplichting in het kader van de desbetreffende contractuele relatie niet is nagekomen;

deze mogelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin die niet-nakoming voldoende ernstig is in vergelijking met de looptijd en het bedrag van de lening;

deze mogelijkheid afwijkt van de regels die van toepassing zijn wanneer partijen geen regeling hebben getroffen, zodat het voor de consument moeilijker is, gelet op de procedurele middelen waarover hij beschikt, om toegang tot de rechter te krijgen en zijn recht van verdediging uit te oefenen, en

het nationale recht in geschikte en doeltreffende middelen voorziet die de consument aan wie een dergelijk beding is tegengeworpen, in staat stellen om de gevolgen van de eenzijdige ontbinding van de overeenkomst tot geldlening ongedaan te maken.

Het staat aan de verwijzende rechter om dit te beoordelen in het licht van alle omstandigheden van het bij hem aanhangige geding.

Kosten

72

Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een regeling van een lidstaat zoals die in de hoofdgedingen, waarbij de executierechter bij hypothecaire executie niet ambtshalve of op verzoek van de consument kan toetsen of een beding dat is opgenomen in de overeenkomst waaruit de gevorderde schuld voortvloeit en dat ten grondslag ligt aan de executoriale titel, oneerlijk is, en evenmin voorlopige maatregelen, waaronder met name de schorsing van de executie, kan opleggen wanneer deze maatregelen noodzakelijk zijn ter verzekering van de volle werking van de einduitspraak van de rechter die de desbetreffende declaratoire procedure behandelt en bevoegd is om te oordelen of dat beding oneerlijk is.

 

2)

Artikel 3, leden 1 en 3, van richtlijn 93/13 en punt 1, sub e en g, en punt 2, sub a, van de bijlage daarbij moeten aldus worden uitgelegd dat het voor de beoordeling van de vraag of een op de vervroegde beëindiging van een hypothecaire lening betrekking hebbend beding als dat in het hoofdgeding oneerlijk is, met name van wezenlijk belang is of:

aan de mogelijkheid voor de kredietverstrekker om de overeenkomst eenzijdig te ontbinden de voorwaarde is verbonden dat de consument een hoofdverplichting in het kader van de desbetreffende contractuele relatie niet is nagekomen;

deze mogelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin die niet-nakoming voldoende ernstig is in vergelijking met de looptijd en het bedrag van de lening;

deze mogelijkheid afwijkt van de regels die van toepassing zijn wanneer partijen geen regeling hebben getroffen, zodat het voor de consument moeilijker is, gelet op de procedurele middelen waarover hij beschikt, om toegang tot de rechter te krijgen en zijn recht van verdediging uit te oefenen, en

het nationale recht in geschikte en doeltreffende middelen voorziet die de consument aan wie een dergelijk beding is tegengeworpen, in staat stellen om de gevolgen van de eenzijdige ontbinding van de overeenkomst tot geldlening ongedaan te maken.

Het staat aan de verwijzende rechter om dit te beoordelen in het licht van alle omstandigheden van het bij hem aanhangige geding.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Spaans.