BESCHIKKING VAN HET HOF (Tiende kamer)
6 maart 2014 (*)
„Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering – Vierde richtlijn (78/660/EEG) – Artikel 2, lid 3 – Beginsel van getrouw beeld – Artikel 2, lid 4 – Informatieplicht – Artikel 2, lid 5 – Afwijkingsplicht – Artikel 32 – Waardering tegen historische kostprijs – Verwerving door vennootschap van actiefbestanddeel om niet”
In zaak C‑510/12,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Beroep te Gent (België) bij beslissing van 30 oktober 2012, ingekomen bij het Hof op 9 november 2012, in de procedure
Bloomsbury NV
tegen
Belgische Staat,
geeft
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: E. Juhász, kamerpresident, A. Rosas en C. Vajda (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: A. Calot Escobar,
gelet op het besluit, de advocaat-generaal gehoord, om uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking, overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het beginsel dat de jaarrekening een getrouw beeld moet geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap, welk beginsel is neergelegd in artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn (78/660/EEG) van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel [44, lid 2, sub g, EG] betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PB L 222, blz. 11; hierna: „Vierde richtlijn”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Bloomsbury NV (hierna: „Bloomsbury”) en de Belgische Staat over de boekhoudkundige verwerking van de overname om niet van aandelen door deze vennootschap.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn bepaalt:
„3. De jaarrekening moet een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap.
4. Wanneer de toepassing van deze richtlijn niet voldoende is om het in lid 3 bedoelde getrouwe beeld te geven, moeten aanvullende inlichtingen worden verstrekt.
5. Indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat toepassing van een bepaling van deze richtlijn in strijd is met de in lid 3 bedoelde verplichting, dient van deze bepaling te worden afgeweken opdat een getrouw beeld in de zin van lid 3 wordt gegeven. Zulk een afwijking moet in de toelichting worden meegedeeld en naar behoren worden gemotiveerd onder vermelding van de invloed ervan op het vermogen, de financiële positie en het resultaat. De lidstaten kunnen de uitzonderingsgevallen nader omschrijven en de daarmee overeenstemmende afwijkende regeling vaststellen.”
4 Artikel 31, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
„De lidstaten zorgen ervoor dat de waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt volgens de onderstaande algemene beginselen:
[...]
c) het voorzichtigheidsbeginsel moet steeds in acht worden genomen en in het bijzonder geldt het volgende:
aa) winsten mogen slechts worden opgenomen voor zover zij op de balansdatum gerealiseerd zijn;
[...]”
5 Artikel 32 van deze richtlijn luidt:
„De waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 34 tot en met 42, die zijn gebaseerd op het beginsel van de aanschaffings‑ of vervaardigingskosten.”
Belgisch recht
6 De verwijzende rechter merkt op dat artikel 35, eerste alinea, van het Koninklijk Besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen (hierna: „uitvoeringsbesluit”) bepaalt dat elk actiefbestanddeel wordt gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans wordt opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen. Volgens de tweede alinea van dat artikel wordt onder „aanschaffingswaarde” verstaan, de aanschaffingsprijs, de vervaardigingsprijs of de inbrengwaarde.
7 Artikel 24, eerste alinea, van het uitvoeringsbesluit bepaalt dat de jaarrekening een getrouw beeld moet geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap. Voorts bepaalt artikel 29 van het uitvoeringsbesluit dat indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat de toepassing van de daarin vervatte waarderingsregels niet leidt tot nakoming van het bepaalde in artikel 24, eerste alinea, van deze waarderingsregels moet worden afgeweken.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
8 Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft Mercator & Noordstar NV in 2001 151 aandelen in Aliplast NV om niet overgedragen aan Bloomsbury. Bloomsbury heeft deze verwerving om niet niet in haar jaarrekening opgenomen.
9 Volgens de Belgische belastingadministratie had Bloomsbury deze verwerving om niet tegen de werkelijke waarde moeten boeken, zijnde een bedrag van 881 206 EUR, waarbij dit bedrag naderhand bij het fiscale resultaat van Bloomsbury voor 2001 had moeten worden gevoegd. Bloomsbury stelt te hebben gehandeld overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, op grond waarvan activa tegen hun historische kostprijs moeten worden gewaardeerd.
10 De verwijzende rechter stelt vast dat artikel 24 van het uitvoeringsbesluit artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn in Belgisch recht omzet. De beslechting van het voor hem aanhangige geding hangt volgens hem af van de uitlegging van dat artikel 2, met name van het antwoord op de vraag of om niet verkregen activa in de boekhouding van een vennootschap moeten worden opgenomen en zo ja op welke wijze en aan welke waarde dit moet gebeuren.
11 Daarom heeft het Hof van Beroep te Gent de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Dient artikel 2[, leden 3, 4 en 5,] van de Vierde richtlijn [...] in die zin te worden uitgelegd dat, in het geval waarin een vennootschap een belangrijk actief om niet verwerft en er derhalve geen aanschaffingswaarde is die zij kan boeken, met het gevolg dat een vertekend beeld ontstaat van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap, het belangrijk om niet verkregen actief in kwestie toch moet worden geboekt aan zijn werkelijke waarde?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
12 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een vennootschap die een actiefbestanddeel om niet verwerft, dat tegen zijn werkelijke waarde in haar jaarrekening moet opnemen.
13 Krachtens artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan het Hof, wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, op ieder moment, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, op voorstel van de rechter-rapporteur beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.
14 In casu dient van deze bepaling toepassing te worden gemaakt aangezien het antwoord op de prejudiciële vraag duidelijk kan worden afgeleid uit het arrest van 3 oktober 2013, GIMLE (C‑322/12, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
15 Blijkens de verwijzingsbeslissing ligt aan het hoofdgeding een fiscaal geschil ten grondslag, aangezien de Belgische belastingadministratie stelt dat de om niet verkregen aandelen tegen hun werkelijke waarde moeten worden geboekt, met als gevolg dat de verwerving van deze aandelen belastbaar wordt op basis van hun werkelijke waarde.
16 In dit verband heeft het Hof reeds kunnen preciseren dat de Vierde richtlijn niet ertoe strekt de voorwaarden vast te leggen waaronder de fiscale autoriteiten van de lidstaten de jaarrekening van de vennootschappen als basis kunnen of moeten nemen voor de bepaling van de grondslag en het bedrag van de belastingen, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vennootschapsbelasting. Het is evenwel geenszins uitgesloten dat de jaarrekening door de lidstaten als uitgangspunt voor fiscale doeleinden wordt gebruikt (arrest van 7 januari 2003, BIAO, C‑306/99, Jurispr. blz. I‑1, punt 70). Geen enkele bepaling van de Vierde richtlijn verbiedt de lidstaten dus om de gevolgen van de daarin neergelegde boekhoudregels vanuit fiscaal oogpunt te corrigeren, om te komen tot een belastbare winst die beter aansluit bij de economische realiteit (arrest GIMLE, reeds aangehaald, punt 28).
17 In dit verband zij eraan herinnerd dat de Vierde richtlijn de nationale voorschriften inzake de indeling en de inhoud van de jaarrekening en het jaarverslag, en de waarderingsmethoden beoogt te coördineren, teneinde de deelnemers in deze vennootschappen en derden te beschermen. Daartoe stelt de Vierde richtlijn volgens de derde overweging van de considerans ervan minimumvereisten vast inzake de omvang van de openbaar te maken financiële gegevens (reeds aangehaalde arresten BIAO, punt 69, en GIMLE, punt 29).
18 De Vierde richtlijn neemt het beginsel van het getrouwe beeld, waarvan de naleving de hoofddoelstelling van de richtlijn vormt, als basis om de inhoud van de jaarrekening te coördineren (arresten van 27 juni 1996, Tomberger, C‑234/94, Jurispr. blz. I‑3133, punt 17, en 14 september 1999, DE + ES Bauunternehmung, C‑275/97, Jurispr. blz. I‑5331, punt 26, en arrest GIMLE, reeds aangehaald, punt 30). Volgens dit beginsel van artikel 2, leden 3 tot en met 5, van deze richtlijn moet de jaarrekening een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap.
19 Artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn, waarin het beginsel van het getrouwe beeld is vervat, maakt deel uit van afdeling 1 van deze richtlijn, „Algemene bepalingen”. Afdeling 7 van deze richtlijn, met het opschrift „Waarderingsregels”, bepaalt volgens welke regels de posten in de jaarrekening moeten worden gewaardeerd. Tot die regels behoren ook de in artikel 31 van die richtlijn vermelde algemene beginselen.
20 Het Hof heeft reeds gepreciseerd dat het beginsel van het getrouwe beeld zo veel mogelijk dient te worden toegepast langs de lijnen van de in artikel 31 van de Vierde richtlijn neergelegde algemene waarderingsbeginselen. In dat kader is het in artikel 31, lid 1, sub c, van deze richtlijn neergelegde voorzichtigheidsbeginsel van bijzonder belang (reeds aangehaalde arresten Tomberger, punt 18, en GIMLE, punt 32).
21 Ingevolge artikel 31, lid 1, sub c, van de Vierde richtlijn, waarin het voorzichtigheidsbeginsel is neergelegd, wordt het beginsel van het getrouwe beeld geëerbiedigd wanneer alle elementen – gerealiseerde winsten, lasten, baten, risico’s en verliezen – die werkelijk op het betrokken boekjaar betrekking hebben, in aanmerking worden genomen (reeds aangehaalde arresten Tomberger, punt 22; BIAO, punt 123, en GIMLE, punt 33). In het bijzonder bepaalt dit lid 1, sub c‑aa, dat winsten slechts in de jaarrekening mogen worden opgenomen voor zover zij op de balansdatum gerealiseerd zijn.
22 Het beginsel van het getrouwe beeld moet ook worden begrepen tegen de achtergrond van het in artikel 32 van de Vierde richtlijn vervatte beginsel dat de waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt op basis van de aanschaffings‑ of vervaardigingskosten van de activa (arrest GIMLE, reeds aangehaald, punt 34).
23 Krachtens dat artikel steunt het getrouwe beeld dat de jaarrekening van een vennootschap moet geven, op een waardering van de activa die is gebaseerd op de historische kostprijs en niet op de werkelijke waarde ervan (arrest GIMLE, reeds aangehaald, punt 35).
24 Weliswaar bepaalt artikel 2, lid 5, van de Vierde richtlijn dat indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat toepassing van een bepaling van deze richtlijn in strijd is met de in lid 3 van dat artikel 2 bedoelde verplichting, van deze bepaling dient te worden afgeweken opdat een getrouw beeld in de zin van dat lid 3 wordt gegeven (arrest GIMLE, reeds aangehaald, punt 36).
25 Ingevolge artikel 2, lid 5, van deze richtlijn is het bijgevolg denkbaar dat in uitzonderingsgevallen moet worden afgeweken van artikel 32 van diezelfde richtlijn – dat bepaalt dat de activa op basis van de aanschaffings‑ of vervaardigingsprijs worden gewaardeerd – wanneer de toepassing van die methode een vertekend beeld zou geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap (arrest GIMLE, reeds aangehaald, punt 37).
26 Het feit dat activa ondergewaardeerd zijn in de boekhouding van een vennootschap, bijvoorbeeld na de verkrijging om niet van activa met een werkelijke positieve waarde, kan op zich evenwel geen „uitzonderingsgeval” vormen in de zin van artikel 2, lid 5, van de Vierde richtlijn (arrest GIMLE, reeds aangehaald, punt 38).
27 De omstandigheid dat bepaalde activa ondergewaardeerd kunnen zijn in de boekhouding van een vennootschap, namelijk wanneer hun aanschaffingsprijs lager is dan hun werkelijke waarde, vormt immers slechts het logische gevolg van de door de Uniewetgever in artikel 32 van de Vierde richtlijn gemaakte keuze om de activa niet op grond van hun werkelijke waarde, maar op grond van hun historische kostprijs te waarderen (arrest GIMLE, reeds aangehaald, punt 39).
28 Bovendien strookt het met het in artikel 31, lid 1, sub c, van de Vierde richtlijn neergelegde voorzichtigheidsbeginsel dat bepaalde activa, zoals aandelen, ondergewaardeerd zijn in de boekhouding van een vennootschap doordat zij op basis van hun aanschaffings‑ of vervaardigingsprijs zijn gewaardeerd. In het bijzonder zou in de boekhouding van de vennootschap een meerwaarde tot uitdrukking komen, te weten het verschil tussen de werkelijke waarde en de aanschaffingsprijs van deze activa, indien deze activa tegen hun werkelijke waarde werden gewaardeerd. Dit zou in strijd zijn met artikel 31, lid 1, sub c‑aa, van die richtlijn, volgens hetwelk winsten slechts mogen worden opgenomen voor zover zij op de balansdatum zijn gerealiseerd (arrest GIMLE, reeds aangehaald, punt 40).
29 Evenwel dient te worden benadrukt dat artikel 2, lid 4, van de Vierde richtlijn de verplichting oplegt, aanvullende inlichtingen te verstrekken wanneer de toepassing van deze richtlijn niet voldoende is om een getrouw beeld te geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming. Dat kan het geval zijn wanneer een onderneming een actiefbestanddeel bezit waarvan de aanschaffingsprijs aanzienlijk lager is dan de werkelijke waarde ervan.
30 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het een vennootschap die een actiefbestanddeel om niet verwerft, niet verplicht dat actiefbestanddeel tegen de werkelijke waarde ervan op te nemen in haar jaarrekening.
Kosten
31 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn (78/660/EEG) van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel [44, lid 2, sub g, EG] betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen moet aldus worden uitgelegd dat het een vennootschap die een actiefbestanddeel om niet verwerft, niet verplicht dat actiefbestanddeel tegen de werkelijke waarde ervan op te nemen in haar jaarrekening.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.