|
11.8.2012
|
NL
|
Publicatieblad van de Europese Unie
|
C 243/6
|
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank te Rotterdam (Nederland) op 18 mei 2012 — Strafzaak tegen Belgian Shell NV
(Zaak C-242/12)
2012/C 243/10
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank te Rotterdam
Partij in het hoofdgeding
Belgian Shell NV
Prejudiciële vragen
|
1)
|
Moet een partij diesel worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de (oude (1) en nieuwe (2)) EVOA, in de volgende omstandigheden:
|
a)
|
de partij bestaat uit Ultra Light Sulphur Diesel, die ongewild vermengd is geraakt met Methyl Tertiary Butyl Ether;
|
|
b)
|
de partij blijkt na levering aan een koper — door de vermenging — niet aan de tussen de koper en verkoper overeengekomen specificaties te voldoen (het is daarmee: „off-spec”);
|
|
c)
|
de partij wordt — na reclame door de koper — uit hoofde van de koopovereenkomst teruggenomen door de verkoper en deze betaalt de koopprijs terug;
|
|
d)
|
de verkoper heeft de intentie om de partij — al dan niet na vermenging met een ander product — weer op de markt te brengen.
|
|
|
2)
|
Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is:
|
a)
|
is er een moment aan te wijzen in bovengenoemde feitelijke omstandigheden vanaf hetwelk dit het geval is?
|
|
b)
|
verandert de status van de partij naar niet-afvalproduct op enig moment tussen de aflevering aan de koper en een nieuwe menging door of namens de verkoper, en zo ja, op welk moment?
|
|
|
3)
|
Is het voor het antwoord op vraag 1 van belang:
|
a)
|
of de partij op dezelfde wijze gebruikt kon worden als brandstof als pure ULSD, maar door zijn lagere vlampunt niet meer voldeed aan (veiligheids)eisen;
|
|
b)
|
of de partij door de nieuwe samenstelling door de koper niet mocht worden opgeslagen onder een milieuvergunning;
|
|
c)
|
of de partij door de koper niet gebruikt kon worden voor het doel waarvoor deze was aangekocht, namelijk verkoop als diesel-brandstof aan de pomp;
|
|
d)
|
of de wil van de koper wel of niet op teruggave aan de verkoper onder de koopovereenkomst was gericht;
|
|
e)
|
of de wil van de verkoper inderdaad was gericht op terugname van de partij met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt;
|
|
f)
|
of de partij wel of niet hersteld kan worden, hetzij in de originele beoogde staat, hetzij tot een product dat verhandelbaar is tegen een prijs die de marktwaarde van de oorspronkelijke partij ULSD benadert;
|
|
g)
|
of die herstelhandeling een gebruikelijk productieproces is;
|
|
h)
|
of de marktwaarde van de partij in de staat waarin het zich bevindt op het moment dat het wordt teruggenomen door de verkoper, (nagenoeg) overeenkomt met de prijs van een product dat wel aan de overeengekomen specificaties voldoet;
|
|
i)
|
of de teruggenomen partij in de staat waarin het zich bevindt op het moment dat het wordt teruggenomen, zonder bewerking op de markt kan worden verkocht;
|
|
j)
|
of de handel in producten zoals de partij gebruikelijk is en in het handelsverkeer niet als handel in afvalstoffen wordt beschouwd?
|
|
(1) Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (oude EVOA) (PB L 30, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (nieuwe EVOA) (PB L 190, blz. 1).