Zaak C‑589/12
Commissioners for Her Majesty’s Revenue & Customs
tegen
GMAC UK plc
[verzoek van het Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing — Btw — Zesde richtlijn (77/388/EEG) — Artikel 11, C, lid 1, eerste alinea — Rechtstreekse werking — Verlaging van de maatstaf van heffing — Verrichting van twee handelingen betreffende dezelfde goederen — Leveringen van goederen — Auto’s die op grond van een huurkoopovereenkomst worden verkocht, teruggenomen en openbaar wederverkocht — Rechtsmisbruik”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 3 september 2014
Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Maatstaf van heffing – Verlaging in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling – Ontbinding van een autohuurkoopovereenkomst waarbij de auto wordt wederverkocht – Lidstaat die een belastingplichtige verbiedt zich te beroepen op de rechtstreekse werking van de richtlijn met betrekking tot een dergelijke verlaging – Ontoelaatbaarheid – Voorwaarden
(Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 11, C, lid 1, eerste alinea)
Artikel 11, C, lid 1, eerste alinea, van de Zesde richtlijn (77/388) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting moet aldus worden uitgelegd dat bij ontbinding van een autohuurkoopovereenkomst waarbij de auto wordt wederverkocht, een lidstaat een belastingplichtige niet kan verbieden zich voor een handeling op de rechtstreekse werking van deze bepaling te beroepen op grond dat hij zich op bepalingen van nationaal recht kan beroepen voor een andere handeling betreffende dezelfde goederen en bij gezamenlijke toepassing van deze bepalingen globaal gezien een fiscaal resultaat ontstaat dat noch het nationaal recht, noch die richtlijn, indien afzonderlijk toegepast op deze handelingen, teweegbrengt of beoogt teweeg te brengen.
Artikel 11, C, lid 1, eerste alinea, van de Zesde richtlijn heeft immers rechtstreekse werking zodat het antwoord op de vraag of een belastingplichtige, na levering van een goed ter uitvoering van een huurkoopovereenkomst, het in deze bepaling toegekende recht op verlaging van de maatstaf van heffing heeft, afhangt van de omstandigheid dat zijn klanten hun betaalverplichting op grond van die overeenkomst geheel of gedeeltelijk niet nakomen.
Bijgevolg moet in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling het bedrag van de maatstaf van heffing van de autohuurkoopovereenkomst worden afgestemd op de tegenprestatie die de belastingplichtige op grond van die overeenkomst daadwerkelijk ontvangt. De door deze belastingplichtige ontvangen tegenprestatie die een derde heeft voldaan op grond van een andere handeling, in casu de openbare verkoop van de door de huurkoper teruggegeven auto, is van geen invloed op de conclusie dat deze belastingplichtige zich in het kader van de huurkoopovereenkomst kan beroepen op de rechtstreekse werking van artikel 11, C, lid 1, eerste alinea, van de Zesde richtlijn.
(cf. punten 36, 42, 49 en dictum)