ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
13 februari 2014 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Artikelen 49 VWEU, 101 VWEU en 102 VWEU — Verordening (EEG) nr. 2454/92 — Verordening (EG) nr. 12/98 — Verhuur van motorvoertuigen met chauffeur — Nationale en regionale regelingen — Vergunning verleend door gemeenten — Voorwaarden — Zuiver interne situaties — Bevoegdheid van het Hof — Ontvankelijkheid van vragen”
In de gevoegde zaken C‑162/12 en C‑163/12,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (Italië) bij beslissingen van 19 oktober 2011 en 1 december 2011, ingekomen bij het Hof op 2 april 2012, in de procedures
Airport Shuttle Express scarl (C‑162/12),
Giovanni Panarisi (C‑162/12),
Società Cooperativa Autonoleggio Piccola arl (C‑163/12),
Gianpaolo Vivani (C‑163/12)
tegen
Comune di Grottaferrata,
in tegenwoordigheid van:
Federnoleggio,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, C. G. Fernlund, A. Ó Caoimh (rapporteur), C. Toader en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Impellizzeri, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 juni 2013,
gelet op de opmerkingen van:
|
— |
Airport Shuttle Express scarl, G. Panarisi, Società Cooperativa Autonoleggio Piccola arl, G. Vivani en Federnoleggio, vertegenwoordigd door P. Troianiello, avvocato, |
|
— |
Comune di Grottaferrata, vertegenwoordigd door M. Giustiniani en N. Moravia, avvocati, |
|
— |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en F. Moro als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 2013,
het navolgende
Arrest
|
1 |
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van de artikelen 3 VEU tot en met 6 VEU, 49 VWEU, 101 VWEU en 102 VWEU, van verordening (EEG) nr. 2454/92 van de Raad van 23 juli 1992 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands personenvervoer over de weg in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn (PB L 251, blz. 1), en van verordening (EG) nr. 12/98 van de Raad van 11 december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands personenvervoer over de weg in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn (PB 1998, L 4, blz. 10). |
|
2 |
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen, het ene tussen Airport Shuttle Express scarl (hierna: „Airport Shuttle Express”) en G. Panarisi, enerzijds, en Comune di Grottaferrata, anderzijds, en het andere tussen Società Cooperativa Autonoleggio Piccola arl (hierna: „Autonoleggio Piccola”) en G. Vivani, enerzijds, en Comune di Grottaferrata, anderzijds, over de schorsing van de vergunningen voor de uitoefening van de activiteit van verhuur van auto’s met chauffeur („noleggio con conducente”; hierna: „verhuur met chauffeur”). Federnoleggio, een vereniging van verhuurders van auto’s en autobussen met chauffeur heeft in de twee gedingen geïntervenieerd aan de zijde van verzoekers. |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
|
3 |
Verordening nr. 2454/92 is nietig verklaard bij arrest van 1 juni 1994, Parlement/Raad (C-388/92, Jurispr. blz. I-2067). |
|
4 |
Artikel 1 van verordening nr. 12/98 bepaalt: „Alle ondernemers in het beroepspersonenvervoer over de weg die houder zijn van de communautaire vergunning [...] worden op de in deze verordening vastgestelde voorwaarden en zonder discriminatie op grond van nationaliteit of vestigingsplaats, toegelaten tot het tijdelijk verrichten van binnenlands beroepspersonenvervoer over de weg in een andere lidstaat [...], zonder aldaar een zetel of andere vestiging te hebben. [...]” |
|
5 |
Volgens artikel 2, punt 4, van verordening nr. 12/98 geldt de volgende definitie voor de toepassing van deze verordening: „voertuigen”: „motorvoertuigen die qua bouwtype en uitrusting geschikt zijn voor het vervoer van meer dan negen personen – met inbegrip van de bestuurder – en die daarvoor bestemd zijn”. |
|
6 |
Zoals blijkt uit artikel 2, lid 2, sub d, van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376, blz. 36), is deze richtlijn niet van toepassing op diensten op het gebied van vervoer die binnen de werkingssfeer van titel VI van het derde deel van het VWEU vallen. |
Italiaans recht
Nationale regeling
|
7 |
Artikel 3 van de legge n. 21, recante quadro per il trasporto di persone mediante autoservizi pubblici non di linea (wet nr. 21 houdende het kader voor het personenvervoer met niet-geregelde openbare vervoersdiensten) van 15 januari 1992 (GURI nr. 18 van 23 januari 1992), zoals gewijzigd bij besluitwet nr. 207 van 30 december 2008 (GURI nr. 304 van 31 december 2008), die na wijziging in een wet is omgezet bij wet nr. 14 van 27 februari 2009 (supplemento ordinario bij GURI nr. 49 van 28 februari 2009; hierna: „wet nr. 21/1992”), bepaalt: „1. De dienst van verhuur met chauffeur is gericht op specifieke gebruikers die op de plaats van de stalling speciaal verzoeken om een prestatie van een bepaalde duur en/of een rit. 2. De voertuigen dienen in de stallingen te worden geparkeerd [...] 3. De vestiging van de vervoersonderneming en de stalling bevinden zich op het grondgebied van de vergunningverlenende gemeente.” |
|
8 |
Artikel 7 van wet nr. 21/1992 luidt: „1. De houders van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer of voor de verhuur van voertuigen met chauffeur kunnen, voor het vrij verrichten van hun eigen activiteiten: [...]
[...] 2. In de in lid 1 genoemde gevallen is het toegestaan de vergunning over te dragen aan de daarin bedoelde lichamen en de eerder overgedragen vergunning weer in bezit te nemen in geval van uittreding uit, uitsluiting van of ontbinding van het lichaam. [...]” |
|
9 |
Artikel 8 van die wet luidt: „1. De vergunning voor het verrichten van taxivervoer en de vergunning voor de verhuur van voertuigen met chauffeur worden via een aanbestedingsprocedure door de gemeente verleend aan de personen die eigenaar zijn van een voertuig [...] of daarover beschikken op grond van een leasingovereenkomst; deze personen kunnen het voertuig alleen dan wel gemeenschappelijk beheren. 2. De vergunning betreft één enkel voertuig [...]. Een persoon kan [...] houder zijn van meerdere vergunningen voor de verhuur van voertuigen met chauffeur [...]. 3. Een vergunning voor de verhuur van voertuigen met chauffeur kan alleen worden verkregen en behouden, indien de belanghebbende op basis van een geldige titel beschikt over een vestiging [en] een stalling [...] die gelegen is op het grondgebied van de gemeente die de vergunning heeft afgegeven.” |
|
10 |
Artikel 11, leden 2 en 4, van wet nr. 21/1992 bepaalt: „2. Het opstappen door de klant, of de aanvang van de dienst, vindt plaats door vertrek vanaf het grondgebied van de gemeente die de vergunning voor taxivervoer heeft verleend, naar om het even welke bestemming, na voorafgaande instemming van de chauffeur indien de bestemming buiten het grondgebied van de gemeente of de agglomeratie ligt, onverminderd het bepaalde in artikel 4, lid 5. [...] 4. Reserveringen van voertuigen met chauffeur worden gedaan bij de betrokken stalling. Elke verhuur van een voertuig met chauffeur begint en eindigt bij de stalling die zich bevindt binnen de vergunningverlenende gemeente. Het voertuig dient daar terug te keren, zij het dat de klant op het grondgebied van andere gemeenten kan in- en uitstappen.” |
|
11 |
Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat artikel 14 bis, lid 2, van wet nr. 11 van 4 februari 2005, welke bepaling is ingevoegd door legge n. 88 del 7 luglio 2009, recante disposizioni per l’adempimento di obblighi derivanti dall’appartenenza dell’Italia alle Comunità europee (Legge comunitaria 2008) (wet nr. 88 van 7 juli 2009 houdende bepalingen tot uitvoering van uit het lidmaatschap van de Europese Gemeenschappen voortvloeiende verplichtingen – Gemeenschapswet 2008) (supplemento ordinario bij GURI nr. 161 van 14 juli 2009) bepaalt dat „voorschriften van de Italiaanse rechtsorde of nationale praktijken die discriminerende effecten meebrengen ten opzichte van de voorwaarden die gelden voor en de behandeling van gemeenschapsonderdanen die in Italië wonen, niet van toepassing zijn op Italiaanse burgers.” |
Regionale regeling van Lazio
|
12 |
Artikel 5 van de legge regionale del Lazio del 26 ottobre 1993, n. 58, recante disposizioni per l’esercizio del trasporto pubblico non di linea e norme concernenti il ruolo dei conducenti dei servizi pubblici di trasporto non di linea, di cui all’articolo 6 della legge n. 21/1992 (regionale wet nr. 58 van Lazio van 26 oktober 1993 inzake bepalingen betreffende het verrichten van niet-geregeld openbaar vervoer en voorschriften betreffende de rol van de chauffeurs van niet-geregelde openbaarvervoersdiensten, als bedoeld in artikel 6 van wet nr. 21/1992) (Bollettino ufficiale della Regione Lazio nr. 31 van10 november 1993), zoals gewijzigd bij artikel 58 van regionale wet nr. 27 van Lazio van 28 december 2006 (supplemento ordinario nr. 5 bij het Bollettino ufficiale della Regione Lazio nr. 36 van 30 december 2006; hierna: „regionale wet nr. 58/1993”) luidt: „De verhuur van voertuigen met chauffeur is gericht op specifieke gebruikers die bij de vestiging van de vervoerder speciaal verzoeken om een prestatie van een bepaalde duur en/of een rit. De klant stapt op, of de dienst vangt aan, op het grondgebied van de vergunningverlenende gemeente. De klant wordt vervoerd naar om het even welke bestemming. De voertuigen worden in de stallingen geparkeerd.” |
|
13 |
Artikel 10 van regionale wet nr. 58/1993, met als opschrift „Verplichtingen van houders van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer en van een vergunning voor de verhuur van voertuigen met chauffeur”, bepaalt in lid 2: „Onverminderd het bepaalde [...], stapt de klant uitsluitend op en begint de dienst uitsluitend op het grondgebied van de vergunningverlenende gemeente, en wordt de klant naar om het even welke bestemming vervoerd, na voorafgaande instemming van de chauffeur indien de bestemming buiten het grondgebied van de gemeente ligt.” |
|
14 |
Artikel 17 van regionale wet nr. 58/1993 voorziet in de voorwaarden voor inschrijving in het provinciale register van chauffeurs. Lid 1, sub a, van dit artikel bepaalt dat als voorwaarde voor inschrijving geldt dat de betrokkene „Italiaans onderdaan of onderdaan van een land van de Europese Economische Gemeenschap [is]”. |
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
|
15 |
Bij besluiten van 1 februari 2011 heeft Comune di Grottaferrata (gemeente Grottaferrata) de door haar aan Panarisi en Vivani verleende vergunningen voor de verhuur van auto’s met chauffeur opgeschort voor de duur van dertig dagen, met ingang van 14 maart 2011. De reden daarvoor was de vastgestelde schending van de artikelen 3 en 11, lid 4, van wet nr. 21/1992 en van de artikelen 5 en 10 van regionale wet nr. 58/1993, voor zover in die bepalingen is voorzien in het exclusieve en verplichte gebruik van een stalling op het grondgebied van de gemeente die de vergunning voor de betrokken dienst heeft verleend, en daarin voorts is bepaald dat de dienst in deze stalling moet beginnen en eindigen. Uit controles was immers gebleken dat voor de voertuigen die werden gebruikt voor de dienst waarop deze vergunningen betrekking hebben, geen gebruik werd gemaakt van stallingen op het grondgebied van Comune di Grottaferrata, maar van stallingen op het grondgebied van Rome, waar de maatschappelijke zetels van Airport Shuttle Express en Autonoleggio Piccola zijn gevestigd, waaraan bedoelde vergunningen door Panarisi respectievelijk Vivani waren overgedragen. |
|
16 |
Airport Shuttle Express en Panarisi, alsook Autonoleggio Piccola en Vivani hebben bij de verwijzende rechter twee beroepen tot nietigverklaring van voormelde schorsingsmaatregelen ingesteld, waarvan zij de rechtmatigheid betwisten op basis van met name de Unierechtelijke regelingen op het gebied van het vervoer, de interne markt en de mededinging. |
|
17 |
De verwijzende rechter merkt op dat het niet-geregelde vervoer met chauffeur in het Unierecht niet specifiek is geregeld. Niettemin dient volgens hem in casu te worden gerefereerd aan de regeling van de Unie inzake personenvervoer. In dat verband is op de vervoersector het Unierecht betreffende de vrijheid van vestiging en de vrije mededinging volledig van toepassing. De verwijzende rechter verwijst met name naar de door verordening nr. 2454/92 beoogde liberalisering van het wegvervoer in de interne markt en naar die welke in de sector van busondernemingen door verordening nr. 12/98 tot stand is gebracht. Voorts verwijst hij naar artikel 92 VWEU. Wat de vrije mededinging betreft, refereert hij aan de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 3 VEU en 4, lid 3, VEU en met de artikelen 3 VWEU tot en met 6 VWEU. |
|
18 |
Volgens de verwijzende rechter lijken de relevante Italiaanse nationale en regionale regelingen in strijd te zijn met artikel 49 VWEU. Bovendien is hij van oordeel dat die regelingen maatregelen lijken te bevatten die een werkelijke mededinging tussen de exploitanten op de vervoersmarkt hinderen. |
|
19 |
In die omstandigheden heeft het Tribunale amministrativo regionale per il Lazio de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld, die in de zaken C‑162/12 en C‑163/12 in gelijkluidende bewoordingen zijn geformuleerd:
|
|
20 |
Bij beschikking van de president van het Hof van 2 mei 2012 zijn de zaken C‑162/12 en C‑163/12 voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd. |
Verzoeken ingediend na de sluiting van de mondelinge behandeling
|
21 |
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 31 oktober 2013, aangevuld door een op 21 november 2013 neergelegd addendum, hebben Airport Shuttle Express en Panarisi, Autonoleggio Piccola en Vivani alsook Federnoleggio verzocht om de mondelinge behandeling te heropenen. Volgens hen is gezien de conclusies van de advocaat-generaal een dergelijke heropening vereist om te voorzien in bepaalde feitelijke leemten ter zake van de vraag naar de ontvankelijkheid van de verzoeken om een prejudiciële beslissing en voorts om een debat mogelijk te maken over de eventuele invloed die de procedure tot verlening van de vergunningen voor de verhuur met chauffeur door de Italiaanse gemeenten op die kwestie zou kunnen hebben. |
|
22 |
Subsidiair verzoeken bedoelde betrokkenen het Hof om op basis van artikel 101, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de verwijzende rechter verduidelijkingen te vragen. |
|
23 |
Volgens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen. |
|
24 |
Evenwel zij eraan herinnerd dat de advocaat-generaal krachtens artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak heeft in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin hij overeenkomstig het Statuut van het Hof moet optreden. Bij de uitoefening van deze taak staat het hem in voorkomend geval vrij een verzoek om een prejudiciële beslissing te analyseren door dit in een ruimere context te plaatsen dan die welke door de verwijzende rechter of door de partijen in het hoofdgeding strikt is afgebakend. Aangezien de conclusie van de advocaat-generaal noch de motivering die daaraan ten grondslag ligt, het Hof bindt, hoeft niet noodzakelijkerwijs overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling te worden heropend wanneer de advocaat-generaal een punt met betrekking tot het recht opwerpt waarover partijen geen standpunten hebben kunnen uitwisselen (zie met name arresten van 22 mei 2008, Feinchemie Schwebda en Bayer CropScience, C-361/06, Jurispr. blz. I-3865, punt 34; 11 april 2013, Novartis Pharma, C‑535/11, punt 31, en 12 december 2013, Carratù, C‑361/12, punt 19). |
|
25 |
In deze omstandigheden kan het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling niet worden aanvaard. |
|
26 |
Wat betreft de in artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering geboden mogelijkheid om de verwijzende rechter verduidelijkingen te vragen, blijkt uit vaste rechtspraak, waaraan thans uitdrukking wordt gegeven in artikel 94, sub b en c, van dat Reglement, dat aangezien de verwijzingsbeslissing de basis vormt voor de prejudiciële verwijzingsprocedure voor het Hof, het onontbeerlijk is dat de nationale rechter in de verwijzingsbeslissing zelf het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding duidelijk doet uitkomen en minstens beknopt uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde Unierechtelijke voorschriften verzoekt, en aangeeft welk verband hij ziet tussen deze voorschriften en de in het aan hem voorgelegde geschil toepasselijke nationale wettelijke regeling (zie in die zin met name beschikking van 28 juni 2000, Laguillaumie, C-116/00, Jurispr. blz. I-4979, punten 23 en 24, en arresten van 19 april 2007, Asemfo, C-295/05, Jurispr. blz. I-2999, punt 33, en 21 februari 2013, Mora IPR, C‑79/12, punt 37). |
|
27 |
In die omstandigheden acht het Hof het in het kader van de onderhavige zaken niet passend om de verwijzende rechter verduidelijkingen te vragen. |
Beantwoording van de verzoeken om een prejudiciële beslissing
|
28 |
Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verschillende Unierechtelijke bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan nationale en regionale regelingen betreffende de voorwaarden voor de afgifte van een vergunning voor en de uitoefening van de activiteit van verhuur met chauffeur. |
|
29 |
Gezien de formulering van de vragen, zij om te beginnen eraan herinnerd dat het Hof zich in het kader van artikel 267 VWEU niet kan uitspreken over de uitlegging van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of over de verenigbaarheid daarvan met het Unierecht (zie met name arresten van 18 november 1999, Teckal, C-107/98, Jurispr. blz. I-8121, punt 33, en 23 maart 2006, Enirisorse, C-237/04, Jurispr. blz. I-2843, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
30 |
Uit vaste rechtspraak blijkt dat wanneer de vragen onjuist zijn geformuleerd of buiten het kader van de bij artikel 267 VWEU aan het Hof verleende opdracht treden, het aan het Hof staat om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (zie met name arrest van 11 maart 2010, Attanasio Group, C-384/08, Jurispr. blz. I-2055, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Met het oog hierop staat het aan het Hof de hem voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren (zie met name arrest Attanasio Group, reeds aangehaald, punt 19; en arresten van 14 oktober 2010, Fuß, C-243/09, Jurispr. blz. I-9849, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2012, Byankov, C‑249/11, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
31 |
Overeenkomstig die rechtspraak kan worden aangenomen dat de verwijzende rechter, hoewel zijn vragen blijkens de bewoordingen ervan een directe toepassing van het Unierecht op de hoofdgedingen lijken te beogen, in feite verzoekt om uitlegging van dit recht tegen de achtergrond van de gegevens, feitelijk en rechtens, van de hoofdgedingen. |
|
32 |
Vervolgens moet worden opgemerkt, zoals ook de advocaat-generaal in punt 20 van haar conclusie heeft gedaan, dat de in de prejudiciële vragen vermelde verordening nr. 12/98 geen toepassing vindt op de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde activiteit, aangezien deze verordening volgens artikel 2, punt 4, ervan enkel geldt voor motorvoertuigen die qua bouwtype en uitrusting geschikt zijn voor het vervoer van meer dan negen personen – met inbegrip van de chauffeur – en die daarvoor bestemd zijn. Overigens blijkt uit punt 3 van het onderhavige arrest dat verordening nr. 2454/92 door het Hof nietig is verklaard. |
|
33 |
Bovendien worden in de prejudiciële vragen naast de artikelen 49 VWEU, 101 VWEU en 102 VWEU, de artikelen „3 VEU [tot en met] 6 VEU” vermeld. Met betrekking tot de in de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU vervatte mededingingsregels kan uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing, niettegenstaande de onduidelijkheid ervan op dit punt, worden afgeleid (zie naar analogie met name arrest Byankov, reeds aangehaald, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak) dat daarmee in feite mogelijkerwijs wordt beoogd die bepalingen, gelezen in samenhang met de artikelen 4, lid 3, VEU respectievelijk 106 VWEU, uit te leggen tegen de achtergrond van de feiten van de hoofdgedingen. |
|
34 |
Overigens, zoals de Europese Commissie terecht heeft opgemerkt, betreffen de prejudiciële vragen verplichtingen voortvloeiend uit de in geding zijnde regelingen, die ruimer zijn dan de verplichtingen waarvan de vermeende schending aanleiding heeft gegeven tot de hoofdgedingen. Zoals blijkt uit punt 15 van het onderhavige arrest, betreffen de hoofdgedingen immers slechts de schending van de verplichtingen om uitsluitend gebruik te maken van een stalling op het grondgebied van de gemeente die de vergunning voor de verhuur met chauffeur heeft verleend, en de verplichting om elke vervoersdienst in die stalling te beginnen en te beëindigen. |
|
35 |
Zoals zij zijn geformuleerd, lijken de prejudiciële vragen daarnaast echter ook betrekking te hebben op, ten eerste, de verplichting dat de vestiging van de vervoersonderneming zich op het grondgebied van de vergunningverlenende gemeente dient te bevinden, ten tweede, het vereiste dat de reserveringen voor het huren van voertuigen met chauffeur worden gedaan bij de voor die activiteit gebruikte stalling, en ten derde, de verplichting om gebruikers uitsluitend te laten instappen op het grondgebied van de vergunningverlenende gemeente. Wat deze drie verplichtingen betreft, zijn de prejudiciële vragen dus hypothetisch. |
|
36 |
In die omstandigheden moeten de prejudiciële vragen in die zin worden opgevat dat daarmee in wezen wordt gevraagd of artikel 49 VWEU of de mededingingsregels van de Unie aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan nationale of regionale regelingen zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn, voor zover deze voorzien in de verplichtingen dat de voor de verhuur met chauffeur gebruikte stalling zich moet bevinden op het grondgebied van de gemeente die de vergunning voor die activiteit heeft afgegeven, dat de voor die activiteit gebruikte voertuigen in die stalling moeten worden geparkeerd en dat elke dienst in die stalling moet beginnen en eindigen. |
|
37 |
Wat dienaangaande in de eerste plaats het mededingingsrecht van de Unie betreft, zij opgemerkt dat de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU, al hebben zij uitsluitend betrekking op de handelingen van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de lidstaten, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, dat een samenwerkingsverplichting in het leven roept, evenwel voorschrijven dat de lidstaten geen maatregelen, zelfs niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, mogen nemen of handhaven die het nuttige effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken (zie arresten van 16 november 1977, GB-Inno-BM, 13/77, Jurispr. blz. 2115, punt 31; 9 september 2003, CIF, C-198/01, Jurispr. blz. I-8055, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 december 2010, Yellow Cab Verkehrsbetrieb, C-338/09, Jurispr. blz. I-13927, punt 25). |
|
38 |
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, echter noodzakelijk dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd. Die eisen gelden in het bijzonder op het gebied van de mededinging, dat door complexe feitelijke en juridische situaties wordt gekenmerkt (zie met name arrest Attanasio Group, reeds aangehaald, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 10 mei 2012, Duomo Gpa e.a., C‑357/10–C‑359/10, punt 22). |
|
39 |
In het onderhavige geval verschaffen de verwijzingsbeslissingen het Hof evenwel niet de gegevens, rechtens en feitelijk, die het nodig heeft om de voorwaarden vast te stellen waaronder regelingen als die van de hoofdgedingen onder de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 4, lid 3, VEU respectievelijk 106 VWEU zouden kunnen vallen. In het bijzonder verstrekken deze beslissingen geen enkele inlichting over het verband dat daarin wordt gelegd tussen dat recht en de hoofdgedingen of het voorwerp ervan. |
|
40 |
Voor zover de prejudiciële vragen een uitlegging van die bepalingen betreffen, moeten zij dus niet-ontvankelijk worden verklaard (zie naar analogie met name arrest Duomo Gpa e.a., reeds aangehaald, punt 24). |
|
41 |
Wat in de tweede plaats artikel 49 VWEU betreft, staat vast dat alle elementen van de hoofdgedingen binnen één enkele lidstaat zijn gesitueerd. Bijgevolg dient te worden nagegaan of het Hof in de onderhavige zaken bevoegd is om een uitspraak te doen over deze bepaling (zie naar analogie met name arresten van 31 januari 2008, Centro Europa 7, C-380/05, Jurispr. blz. I-349, punt 64, en 22 december 2010, Omalet, C-245/09, Jurispr. blz. I-13771, punten 9 en 10, alsook arrest Duomo Gpa e.a., reeds aangehaald, punt 25). |
|
42 |
Regelingen als die in de hoofdgedingen, die volgens de bewoordingen ervan zonder onderscheid van toepassing zijn op het grondgebied van de Italiaanse Republiek gevestigde marktdeelnemers en op in andere lidstaten gevestigde marktdeelnemers, kunnen immers in het algemeen slechts onder de bepalingen inzake de in het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden vallen voor zover zij van toepassing zijn op situaties die een verband vertonen met het handelsverkeer tussen de lidstaten (zie in die zin met name arresten van 7 mei 1997, Pistre e.a., C-321/94-C-324/94, Jurispr. blz. I-2343, punt 45, en 5 december 2000, Guimont, C-448/98, Jurispr. blz. I-10663, punt 21, alsook arrest Duomo Gpa e.a., reeds aangehaald, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
43 |
Wat meer in het bijzonder artikel 49 VWEU betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat deze bepaling niet kan worden toegepast op activiteiten die geen enkel aanknopingspunt hebben met een van de situaties waarop het recht van de Unie ziet, en waarvan alle relevante elementen geheel in de interne sfeer van één enkele lidstaat liggen (zie in die zin met name arresten van 8 december 1987, Gauchard, 20/87, Jurispr. blz. 4879, punt 12; 20 april 1988, Bekaert, 204/87, Jurispr. blz. 2029, punt 12; 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse regering, C-212/06, Jurispr. blz. I-1683, punt 33, en 21 juni 2012, Susisalo e.a., C‑84/11, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
44 |
Het is juist dat uit rechtspraak die is voortgekomen uit het reeds aangehaalde arrest Guimont blijkt dat zelfs in een zuiver nationale situatie, een antwoord op vragen over de fundamentele vrijheden van het Unierecht voor de verwijzende rechter toch nuttig zou kunnen zijn, met name wanneer het nationale recht hem voorschrijft dat een nationale burger dezelfde rechten toekomen als een burger van een andere lidstaat in dezelfde situatie aan het recht van de Unie kan ontlenen (zie met name arrest van 1 juli 2010, Sbarigia, C-393/08, Jurispr. blz. I-6337, punt 23, en arrest Susisalo e.a., reeds aangehaald, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
45 |
In casu ziet het geval waarnaar in de in het vorige punt vermelde rechtspraak wordt verwezen in de context van de hoofdgedingen op de rechten die een onderdaan van een andere lidstaat dan de Italiaanse Republiek aan het Unierecht zou kunnen ontlenen indien hij zich in dezelfde situatie als verzoekers in de hoofdgedingen zou bevinden. |
|
46 |
Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt evenwel dat de verzoekers in de hoofdgedingen reeds in Italië zijn gevestigd en beschikken over een vergunning om de activiteit van verhuur met chauffeur uit te oefenen vanuit Comune di Grottaferrata. Hun vergunningen zijn tijdelijk geschorst wegens de niet-naleving van bepaalde vergunningsvoorwaarden. Bedoelde verzoekers hebben niet het voornemen zich elders – in Italië of in een andere lidstaat – te vestigen. Met hun beroepen stellen zij het algemene systeem tot regeling van die activiteit of de wijze waarop de vergunningen worden verleend, niet ter discussie. Zij beogen slechts bepaalde voorwaarden van de hun reeds verleende vergunningen buiten toepassing te laten verklaren. |
|
47 |
Bijgevolg zou een onderdaan van een andere lidstaat dan de Italiaanse Republiek die zich in dezelfde situatie als verzoekers in de hoofdgedingen bevindt, reeds per hypothese duurzaam een economische activiteit uitoefenen vanuit een vestiging op het Italiaanse grondgebied. |
|
48 |
De hoofdgedingen zijn dus vergelijkbaar met de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het voornoemde arrest Sbarigia, waarin het ging om een beslissing over de eventuele toekenning van een afwijking inzake de openingstijden aan een bepaalde apotheek en waarin het dus volstrekt onduidelijk was hoe de beslissing daarover gevolgen kon hebben voor uit andere lidstaten afkomstige marktdeelnemers (zie arrest van 5 december 2013, Venturini e.a., C‑159/12–C‑161/12, punt 27). |
|
49 |
In die omstandigheden blijkt dat de uitlegging van artikel 49 VWEU betreffende de vrijheid van vestiging niet relevant is in het kader van de bij de verwijzende rechter aanhangige gedingen. |
|
50 |
Gelet op het voorgaande is het Hof in casu niet bevoegd om artikel 49 VWEU uit te leggen tegen de achtergrond van de feiten van de hoofdgedingen. |
|
51 |
Gelet op een en ander is het Hof niet bevoegd om de onderhavige door het Tribunale amministrativo regionale per il Lazio ingediende verzoeken om een prejudiciële beslissing te beantwoorden voor zover deze betrekking hebben op de uitlegging van artikel 49 VWEU. Voor zover die verzoeken de uitlegging van andere bepalingen van Unierecht betreffen, moeten zij niet-ontvankelijk worden verklaard. |
Kosten
|
52 |
Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht: |
|
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd om de verzoeken om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (Italië) bij beslissingen van 19 oktober 2011 en 1 december 2011, in de gevoegde zaken C‑162/12 en C‑163/12 te beantwoorden voor zover deze betrekking hebben op de uitlegging van artikel 49 VWEU. Voor zover die verzoeken de uitlegging van andere bepalingen van Unierecht betreffen, zijn zij niet-ontvankelijk. |
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Italiaans.