Gevoegde zaken C‑103/12 en C‑165/12

Europees Parlement

en

Europese Commissie

tegen

Raad van de Europese Unie

„Beroep tot nietigverklaring — Besluit 2012/19/EU — Rechtsgrondslag — Artikel 43, leden 2 en 3, VWEU — Bilaterale overeenkomst tot verlening van een exploitatiemachtiging voor het overschot van de toegestane vangst — Keuze van de betrokken derde staat waaraan de Unie een machtiging verleent om biologische rijkdommen te exploiteren — Exclusieve economische zone — Politiek besluit — Vaststelling van de vangstmogelijkheden”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 26 november 2014

  1. Handelingen van de instellingen — Keuze van de rechtsgrondslag — Criteria — Besluit 2012/19 houdende goedkeuring namens de Unie van een verklaring inzake de toekenning van vangstmogelijkheden in wateren van de Unie aan vissersvaartuigen die de vlag van de Republiek Venezuela voeren — Vaststelling op grond van artikel 43, lid 3, VWEU — Ontoelaatbaarheid — Verplichting om een dergelijk besluit te baseren op artikel 43, lid 2, VWEU en artikel 218 VWEU

    (Art. 43, leden 2 en 3, VWEU en 218, lid 6, sub a‑v en b, VWEU; verordeningen van de Raad nr. 44/2012, art. 36, lid 1, en bijlage VIII, nr. 40/2013, art. 34, lid 1, en bijlage VIII, en nr. 43/2014, art. 40, lid 1, en bijlage VIII; besluit 2012/19 van de Raad)

  2. Internationale overeenkomsten — Sluiting — Internationale landbouw‑ en visserijovereenkomsten — Verklaring inzake de toekenning van vangstmogelijkheden in de wateren van de Europese Unie aan vissersvaartuigen van die staat, gericht aan een derde staat– Aanvragen voor vismachtigingen die door die derde staat zonder voorbehoud zijn ingediend — Toelaatbaarheid

    (Besluit 2012/19 van de Raad)

  3. Beroep tot nietigverklaring — Arrest houdende nietigverklaring — Gevolgen — Beperking door het Hof — Handhaving van de gevolgen van de bestreden handeling tot die handeling binnen een redelijke termijn wordt vervangen — Rechtvaardiging op grond van de rechtszekerheid

    (Art. 264, tweede alinea, VWEU; besluit 2012/19 van de Raad)

  1.  De keuze van de rechtsgrondslag van een Uniehandeling moet berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn, waaronder met name het doel en de inhoud van de handeling.

    Met de bij besluit 2012/19 van de Raad goedgekeurde verklaring inzake de toekenning van vangstmogelijkheden in wateren van de Europese Unie aan vissersvaartuigen die de vlag van de Bolivariaanse Republiek Venezuela voeren, in de exclusieve economische zone voor de kust van Frans-Guyana, wordt niet beoogd te zorgen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden in de zin van artikel 43, lid 3, VWEU, maar wordt die republiek de mogelijkheid geboden om onder de door de Unie gestelde voorwaarden deel te nemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone van Frans-Guyana.

    De bevoegde instellingen van de Unie beoordelen, gelet op de specifieke verantwoordelijkheid van de namens de kuststaat handelende Unie voor de exploitatie van de levende rijkdommen in exclusieve economische zone van de kuststaat, of de betrokken derde staat in staat is ervoor te zorgen dat de onder zijn vlag varende vaartuigen voldoen aan de aan de exploitatie verbonden voorwaarden, zoals met name de naleving van de in het betrokken gebied geldende bepalingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid van de Unie. Ten slotte nemen de instellingen van de Unie factoren in aanmerking zoals de betekenis van de levende rijkdommen van het betrokken gebied voor de economie van de kuststaat en diens andere nationale belangen, de behoeften van de ontwikkelingslanden in de betrokken regio en de noodzaak om de economische ontwrichting in de staten wier onderdanen gewoonlijk visten in die zone of die aanzienlijke inspanningen hebben verricht bij het onderzoek en de waarneming van visbestanden, tot een minimum te beperken.

    Genoemde verklaring strekt er dus toe een algemeen kader tot stand te brengen voor het machtigen van onder Venezolaanse vlag varende vissersvaartuigen om in het gebied in kwestie te vissen, welk kader later nader is uitgewerkt in diverse bepalingen van verschillende verordeningen. Hieruit volgt dat het aan de Bolivariaanse Republiek Venezuela gedane aanbod geen technische maatregel of uitvoeringsmaatregel is, maar een maatregel waarvoor een autonoom besluit moet worden genomen dat moet worden vastgesteld met inachtneming van de politieke belangen die de Unie nastreeft, met name in het visserijbeleid. Bijgevolg betreft de litigieuze verklaring een bevoegdheid waarbij het aan de wetgever van de Unie is om een besluit te nemen en valt besluit 2012/19, waarbij die verklaring namens de Unie is goedgekeurd, binnen de werkingssfeer van artikel 43, lid 2, VWEU, en niet binnen die van artikel 43, lid 3, VWEU.

    Verder is het zo dat die verklaring onder artikel 218 VWEU valt, aangezien zij een bestanddeel van een internationale overeenkomst is. Besluit 2012/19 moet dus worden vastgesteld op grond van artikel 43, lid 2, VWEU juncto artikel 218, lid 6, sub a‑v, VWEU, en niet op grond van artikel 43, lid 3, VWEU juncto artikel 218, lid 6, sub b, VWEU.

    (cf. punten 51, 58, 75, 76, 78‑83, 85, dictum 1)

  2.  Een aan een derde staat gerichte verklaring inzake de toekenning van vangstmogelijkheden in de wateren van de Europese Unie aan vissersvaartuigen die de vlag van die staat voeren, in de exclusieve economische zone voor de kust van een lidstaat, is een door de Unie namens de betrokken kuststaat gedaan aanbod aan de derde staat, mits die staat ervoor zorgt dat de onder zijn vlag varende vaartuigen die in dat gebied vissen, de aldaar geldende bepalingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid van de Unie naleven. Naar aanleiding van het door de Unie gedane aanbod heeft deze derde staat specifieke aanvragen voor vismachtigingen ingediend bij de Unie en bij de indiening daarvan geen voorbehoud gemaakt bij de voorwaarden van dat aanbod, zodat hij moet worden geacht te hebben ingestemd met het door de Unie middels die verklaring gedane aanbod. Hieruit volgt dat die verklaring van de Unie en de instemming daarmee van de derde staat tezamen moeten worden aangemerkt als een tussen hen gesloten overeenkomst met betrekking tot de machtiging om onder de in de verklaring genoemde voorwaarden een deel van het overschot van de toegestane vangst in de exclusieve economische zone van de betrokken lidstaat te exploiteren.

    (cf. punten 68, 70, 71, 73, 83, 84)

  3.  Met besluit 2012/19 houdende goedkeuring, namens de Europese Unie, van een verklaring inzake de toekenning van vangstmogelijkheden in wateren van de Europese Unie aan vissersvaartuigen die de vlag van de Bolivariaanse Republiek Venezuela voeren in de exclusieve economische zone voor de kust van Frans-Guyana, waarbij aan de Bolivariaanse Republiek Venezuela machtiging wordt verleend om het overschot van de toegestane vangst in de exclusieve economische zone van Frans-Guyana te exploiteren, wordt beoogd te zorgen voor de continuïteit van de aanlandingen door onder Venezolaanse vlag varende vaartuigen in Frans-Guyana, aangezien de in dat departement gevestigde verwerkende industrie afhankelijk is van die aanlandingen. De nietigverklaring van dat besluit met onmiddellijke ingang zou ertoe kunnen leiden dat die continuïteit in het gedrang komt en dat de betrokken marktdeelnemers dus ernstige negatieve gevolgen ondervinden. Daar sprake is van ernstige redenen van rechtszekerheid, moeten de gevolgen van dat besluit dus worden gehandhaafd tot aan de inwerkingtreding, binnen een redelijke termijn, van een nieuw besluit dat is gebaseerd op de juiste rechtsgrondslag.

    (cf. punten 91‑93, dictum 2)