1. Vrij verkeer van personen – Werknemers – Begrip – Bestaan van arbeidsverhouding – Verrichting van reële en daadwerkelijke werkzaamheden – Algehele beoordeling van betrokken arbeidsverhouding
(Art. 45 VWEU)
2. Burgerschap van de Unie – Recht om vrij op grondgebied van lidstaten te reizen en te verblijven – Richtlijn 2004/38 – Beginsel van gelijke behandeling – Afwijking – Geen verplichting van gastlidstaat om studiefinanciering toe te kennen – Grenzen – Student die naast opleiding reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst verricht in gastlidstaat
(Art. 45 VWEU; verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 7, lid 2; richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, lid 1, sub c, en 24, lid 2)
1. Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 39-43)
2. De artikelen 7, lid 1, sub c, en 24, lid 2, van richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden moeten aldus worden uitgelegd dat niet kan worden geweigerd om aan een burger van de Unie die een opleiding in een gastlidstaat volgt en er daarnaast reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst verricht, zodat hij in aanmerking komt voor de status van „werknemer” in de zin van artikel 45 VWEU, de aan staatsburgers van die lidstaat toegekende studiefinanciering toe te kennen.
Het staat aan de nationale rechter om het noodzakelijke feitelijke onderzoek te doen om vast te stellen of de arbeid in loondienst van de betrokkene voldoende is om die status te verkrijgen.
De omstandigheid dat de betrokkene naar de gastlidstaat is gegaan met de hoofdbedoeling er zijn opleiding te volgen, is niet relevant voor het antwoord op de vraag of hij een „werknemer” in de zin van artikel 45 VWEU is, en dus op de vraag of hij overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap onder dezelfde voorwaarden als een staatsburger van de gastlidstaat recht heeft op die financiering.
(cf. punt 51, dictum)
Zaak C-46/12
L. N.
tegen
Styrelse for Videregående Uddannelser og Uddannelsesstøtte
(verzoek van het Ankenævn for Uddannelsesstøtten om een prejudiciële beslissing)
„Burgerschap van de Unie — Vrij verkeer van werknemers — Beginsel van gelijke behandeling — Artikel 45, lid 2, VWEU — Verordening (EEG) nr. 1612/68 — Artikel 7, lid 2 — Richtlijn 2004/38/EG — Artikel 24, leden 1 en 2 — Afwijking van beginsel van gelijke behandeling voor studiefinanciering in de vorm van studiebeurs of -lening — Burger van de Unie die in gastlidstaat studeert — Arbeid in loondienst die vóór en na begin van opleiding is verricht — Hoofddoel van betrokkene bij zijn aankomst in gastlidstaat — Weerslag op zijn kwalificatie als werknemer en op zijn recht op studiebeurs”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Derde kamer) van 21 februari 2013
Vrij verkeer van personen – Werknemers – Begrip – Bestaan van arbeidsverhouding – Verrichting van reële en daadwerkelijke werkzaamheden – Algehele beoordeling van betrokken arbeidsverhouding
(Art. 45 VWEU)
Burgerschap van de Unie – Recht om vrij op grondgebied van lidstaten te reizen en te verblijven – Richtlijn 2004/38 – Beginsel van gelijke behandeling – Afwijking – Geen verplichting van gastlidstaat om studiefinanciering toe te kennen – Grenzen – Student die naast opleiding reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst verricht in gastlidstaat
(Art. 45 VWEU; verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 7, lid 2; richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, lid 1, sub c, en 24, lid 2)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 39-43)
De artikelen 7, lid 1, sub c, en 24, lid 2, van richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden moeten aldus worden uitgelegd dat niet kan worden geweigerd om aan een burger van de Unie die een opleiding in een gastlidstaat volgt en er daarnaast reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst verricht, zodat hij in aanmerking komt voor de status van „werknemer” in de zin van artikel 45 VWEU, de aan staatsburgers van die lidstaat toegekende studiefinanciering toe te kennen.
Het staat aan de nationale rechter om het noodzakelijke feitelijke onderzoek te doen om vast te stellen of de arbeid in loondienst van de betrokkene voldoende is om die status te verkrijgen.
De omstandigheid dat de betrokkene naar de gastlidstaat is gegaan met de hoofdbedoeling er zijn opleiding te volgen, is niet relevant voor het antwoord op de vraag of hij een „werknemer” in de zin van artikel 45 VWEU is, en dus op de vraag of hij overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap onder dezelfde voorwaarden als een staatsburger van de gastlidstaat recht heeft op die financiering.
(cf. punt 51, dictum)