CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 22 januari 2013 ( 1 )
Zaak C-239/12 P
Abdulbasit Abdulrahim
tegen
Raad van de Europese Unie,
Europese Commissie
„Hogere voorziening — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) — Beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qa’ida-netwerk en de Taliban — Verordening (EG) nr. 881/2002 — Verwijdering van betrokkene van lijst van personen, groepen of entiteiten waarvoor bevriezing van tegoeden en financiële middelen geldt — Procesbelang — Afdoening zonder beslissing”
|
1. |
Het Gerecht van de Europese Unie heeft recent een aantal beschikkingen houdende afdoening zonder beslissing gegeven, omdat de naam van de verzoekende partijen was verwijderd van de lijst waarbij beperkende maatregelen werden opgelegd. ( 2 ) |
|
2. |
De onderhavige hogere voorziening richt zich tegen de beschikking van het Gerecht van 28 februari 2012, Abdulrahim/Raad en Commissie (T-127/09; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij dit met name heeft geoordeeld dat geen beslissing meer behoefde te worden genomen op het beroep tot nietigverklaring dat A. Abdulrahim had ingesteld tegen verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan ( 3 ), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1330/2008 van de Europese Commissie van 22 december 2008 ( 4 ), of van deze laatste verordening. |
|
3. |
De problematiek die in deze hogere voorziening centraal staat, is of de verzoekers nog een procesbelang hebben wanneer de beperkende maatregelen die op hen van toepassing zijn, hangende het geding worden ingetrokken. ( 5 ) |
|
4. |
In deze conclusie zal ik de redenen uiteenzetten waarom ik meen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat er voor hem geen aanleiding meer was om op het beroep tot nietigverklaring van Abdulrahim uitspraak te doen, omdat hij geen procesbelang meer had. |
I – Toepasselijke bepalingen en voorgeschiedenis van het geding
|
5. |
Op 21 oktober 2008 is de naam van Abdulrahim toegevoegd aan de lijst opgesteld door het sanctiecomité dat is ingesteld bij resolutie 1267 (1999) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 15 oktober 1999 over de situatie in Afghanistan (hierna: „lijst van het sanctiecomité”). |
|
6. |
Bij verordening nr. 1330/2008 is de naam van Abdulrahim vervolgens toegevoegd aan de lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden en financiële middelen krachtens verordening nr. 881/2002 van de Raad moeten worden bevroren (hierna: „litigieuze lijst”). |
|
7. |
Bij verzoekschrift, waarvan het ondertekende origineel op 15 april 2009 bij de griffie van het Gerecht is ingekomen, heeft Abdulrahim tegen de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie beroep ingesteld, strekkende in wezen tot nietigverklaring van verordening nr. 881/2002 of van verordening nr. 1330/2008, voor zover deze handelingen op hem betrekking hadden, en vergoeding van de schade die als gevolg van deze handelingen beweerdelijk was geleden. Dit beroep is ingeschreven onder nummer T-127/09. |
|
8. |
Op 22 december 2010 heeft het sanctiecomité beslist de naam van Abdulrahim van zijn lijst te schrappen. |
|
9. |
Op 6 januari 2011 hebben de advocaten van Abdulrahim de Commissie aangeschreven met het verzoek zijn naam van de litigieuze lijst te schrappen. |
|
10. |
Bij verordening (EU) nr. 36/2011 van de Commissie van 18 januari 2011 tot 143e wijziging van verordening nr. 881/2002 ( 6 ), is de vermelding van Abdulrahim op de litigieuze lijst beëindigd. |
|
11. |
Bij brief die op 27 juli 2011 is ingekomen bij de griffie, heeft de Commissie het Gerecht een afschrift van verordening nr. 36/2011 doen toekomen. |
|
12. |
Bij brief van de griffie van 17 november 2011 zijn partijen verzocht zich schriftelijk uit te laten over de uit verordening nr. 36/2011 te trekken gevolgen, in het bijzonder gelet op het voorwerp van het beroep. |
|
13. |
In hun schriftelijke opmerkingen, neergelegd ter griffie op 6 december 2011, hebben de Raad en de Commissie het Gerecht verzocht te verklaren dat het verzoek tot nietigverklaring zonder voorwerp was geraakt en dat in dat verband geen beslissing meer behoefde te worden genomen. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding en verwijzing in de kosten hebben deze partijen hun conclusies gehandhaafd. |
|
14. |
Abdulrahim heeft zich tegen het verzoek om afdoening zonder beslissing van het verzoek tot nietigverklaring verzet. Zich baserend op met name het arrest van het Gerecht van 3 april 2008, PKK/Raad ( 7 ), heeft hij de argumenten aangevoerd die zijn samengevat in punt 19 van de bestreden beschikking, waarin het Gerecht daarop heeft geantwoord. |
II – Bestreden beschikking
|
15. |
De bestreden beschikking is gegeven op grond van artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, krachtens welk het Gerecht in iedere stand van het geding ambtshalve, na partijen te hebben gehoord, uitspraak kan doen over de middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn of kan vaststellen dat het beroep zonder voorwerp is geraakt en dat er niet op behoeft te worden beslist ( 8 ). Het Gerecht achtte zich door de stukken van het dossier voldoende ingelicht om uitspraak te kunnen doen zonder opening van de mondelinge behandeling. |
|
16. |
In punt 22 van deze beschikking heeft het eerst herinnerd aan de rechtspraak volgens welke het procesbelang van een verzoeker, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid moet bestaan in het stadium van de instelling van het beroep. Dit voorwerp van het geding moet, evenals het procesbelang, op straffe van afdoening zonder beslissing blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing, hetgeen onderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld. ( 9 ) |
|
17. |
In punt 24 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht ook herinnerd aan de rechtspraak volgens welke de intrekking, of onder omstandigheden opheffing, van de bestreden handeling door de verwerende instelling het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring doet verdwijnen, aangezien dit voor de verzoekende partij leidt tot het gewenste resultaat en haar volledige genoegdoening geeft. ( 10 ) |
|
18. |
In punt 27 van deze beschikking heeft het Gerecht vastgesteld dat de Commissie bij verordening nr. 36/2011 de vermelding van de naam van Abdulrahim op de litigieuze lijst heeft beëindigd, welke vermelding terug te voeren was op verordening nr. 1330/2008. Deze beëindiging leidt tot opheffing van genoemde verordening voor zover deze handeling op Abdulrahim betrekking heeft. In punt 28 is het Gerecht van oordeel dat de bestreden beschikking voor Abdulrahim tot het gewenste resultaat leidt en hem volledige genoegdoening geeft, aangezien hij na de vaststelling van verordening nr. 36/2011 niet langer onderworpen is aan de voor hem bezwarende beperkende maatregelen. |
|
19. |
In de punten 29 en 30 van genoemde beschikking heeft het Gerecht eraan herinnerd dat het juist is dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring de verzoeker een belang bij de nietigverklaring van een in de loop van het geding ingetrokken handeling kan behouden, indien de nietigverklaring van die handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben. ( 11 ) In geval van nietigverklaring van een handeling is de instelling die deze handeling heeft vastgesteld, immers krachtens artikel 266 VWEU gehouden de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest. Deze maatregelen hebben geen betrekking op de verwijdering van de handeling als zodanig uit de communautaire rechtsorde, want dit volgt in se uit de nietigverklaring van de handeling door de rechter. Het gaat veeleer om het wegnemen van de onwettigheden die in het arrest houdende nietigverklaring zijn vastgesteld. De betrokken instelling kan aldus worden genoopt, de situatie van de verzoeker op passende wijze te herstellen, of te vermijden dat een identieke handeling wordt vastgesteld. ( 12 ) |
|
20. |
In punt 31 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht echter geoordeeld dat noch uit het dossier noch uit rekwirants betoog volgt dat het beroep tot nietigverklaring na de vaststelling van verordening nr. 36/2011 voor hem nog een voordeel kan opleveren in de zin van de in punt 22 van dezelfde beschikking aangehaalde rechtspraak, in die zin dat hij een procesbelang zou hebben behouden. |
|
21. |
Wat meer bepaald, in de eerste plaats, de omstandigheid aangaat dat de opheffing van een handeling van een instelling van de Unie geen erkenning van de onrechtmatigheid inhoudt en ex nunc werkt, in tegenstelling tot een arrest houdende nietigverklaring krachtens hetwelk de handeling met terugwerkende kracht uit de rechtsorde wordt verwijderd en geacht wordt nooit te hebben bestaan ( 13 ), heeft het Gerecht in punt 32 van de bestreden beschikking opgemerkt dat deze omstandigheid geen grond kan opleveren voor een belang van de verzoeker bij het verkrijgen van de nietigverklaring van de bestreden verordening. |
|
22. |
In punt 33 van genoemde beschikking heeft het Gerecht aangegeven dat in de omstandigheden van de onderhavige zaak immers niets erop wijst dat het ex tunc verdwijnen van die handeling verzoeker enig voordeel zou opleveren. Met name kan niet worden aangetoond dat de Commissie in geval van nietigverklaring er krachtens artikel 266 VWEU toe zou zijn gehouden om maatregelen te nemen die de alsdan vastgestelde onrechtmatigheid geheel zouden wegnemen. |
|
23. |
In punt 34 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht ten aanzien van de erkenning zelf van de gestelde onrechtmatigheid aangegeven dat dit weliswaar een van de vormen van schadeloosstelling is die in het kader van een schadevergoedingsactie krachtens de artikelen 268 VWEU en 340 VWEU worden nagestreefd, maar dat dit niet volstond als grondslag voor het voortbestaan van een objectief procesbelang bij de rechtszaak over de nietigverklaring van de handelingen van de instellingen als bedoeld in de artikelen 263 VWEU en 264 VWEU. In het tegenovergestelde geval zou een verzoekende partij altijd belang behouden bij een verzoek tot nietigverklaring van een handeling, ondanks de intrekking of opheffing ervan, hetgeen onverenigbaar zou zijn met rechtspraak bedoeld in de punten 24 en 29 van genoemde beschikking. |
|
24. |
Ten aanzien van de rechtspraak volgens welke een verzoekende partij een belang kan behouden bij de verkrijging van de nietigverklaring van een ingetrokken en vervangen besluit waarbij beperkende maatregelen zijn opgelegd ( 14 ), heeft het Gerecht in punt 35 van de bestreden beschikking vastgesteld dat deze tot stand is gekomen in een specifieke context, die verschilt van het onderhavige geval. Anders dan in het geval van verordening nr. 1330/2008 waren de in die zaken aan de orde zijnde handelingen immers niet alleen opgeheven, maar ook vervangen door nieuwe handelingen, waarbij de beperkende maatregelen ten aanzien van de betrokkenen waren gehandhaafd. De aanvankelijke gevolgen van de opgeheven handelingen bleven dus ten opzichte van de betrokken entiteiten bestaan via de handelingen die deze hadden vervangen. In de onderhavige zaak heeft verordening nr. 36/2011 de vermelding van rekwirant op de litigieuze lijst zonder meer tenietgedaan, waarmee ook verordening nr. 1330/2008 voor zover deze rekwirant aangaat, is opgeheven zonder dat deze vervangen is. De gevolgen die deze heeft gesorteerd, blijven dus niet voortbestaan. Bovendien is genoemde rechtspraak gebaseerd op het verschil tussen de gevolgen van de opheffing en die van de nietigverklaring van een handeling. Die omstandigheid is in casu irrelevant, zoals volgt uit punt 32 van de bestreden beschikking. |
|
25. |
In punt 36 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht aangegeven dat voor dit verschil steun kan worden gevonden in het arrest van het Hof van 3 december 2009, Hassan en Ayadi/Raad en Commissie. ( 15 ) In plaats van automatisch de conclusie te trekken dat het procesbelang van de betrokken rekwiranten in die zaken bleef voortbestaan, heeft het Hof in punt 57 van dit arrest immers ambtshalve de vraag opgeworpen of, gelet op het feit dat de litigieuze verordening was ingetrokken en met terugwerkende kracht was vervangen door een andere handeling, er in die zaken nog wel een beslissing behoefde te worden genomen. Daarnaast heeft het Hof in de punten 59 tot en met 63 van genoemd arrest een aantal bijzonderheden van het aan hem voorgelegde geval genoemd, op basis waarvan het in de punten 64 en 65 van datzelfde arrest tot de conclusie kon komen dat „in deze bijzondere omstandigheden”, en anders dan was geoordeeld in de beschikking van het Hof van 8 maart 1993, Lezzi Pietro/Commissie ( 16 ), de vaststelling van de nieuwe handeling (en de gelijktijdige opheffing van de litigieuze verordening) niet kon worden geacht gelijk te staan aan een loutere nietigverklaring van de litigieuze verordening. In de onderhavige zaak is van deze bijzonderheden geen sprake. Meer bepaald is verordening nr. 36/2011 in deze zaak definitief in die zin dat deze geen voorwerp van een beroep tot nietigverklaring meer kan zijn. Derhalve kan worden uitgesloten dat verordening nr. 1330/2008 opnieuw in werking treedt voor zover het rekwirant betreft, in tegenstelling tot hetgeen het Hof heeft vastgesteld in punt 63 van zijn reeds aangehaalde arrest Hassan en Ayadi/Raad en Commissie. |
|
26. |
Wat in de tweede plaats het feit aangaat dat een verzoekende partij een belang bij een verzoek tot nietigverklaring van een handeling van een instelling van de Unie kan behouden om te voorkomen dat de onwettigheid die aan die handeling zou kleven, zich in de toekomst weer voordoet ( 17 ), heeft het Gerecht er in punt 37 van de bestreden beschikking aan herinnerd dat een dergelijk procesbelang, dat voortvloeit uit artikel 266, eerste alinea, VWEU, slechts kan bestaan wanneer de gestelde onwettigheid zich in de toekomst kan herhalen, los van de omstandigheden van de zaak die tot het beroep aanleiding hebben gegeven. ( 18 ) In de onderhavige zaak wijst niets in het dossier erop dat dit het geval zou kunnen zijn. Integendeel, aangezien verordening nr. 36/2011 is vastgesteld met de specifieke situatie van rekwirant voor ogen, en blijkbaar ook de ontwikkeling van de situatie in Libië, heeft het Gerecht geoordeeld dat het niet waarschijnlijk leek dat de gestelde onwettigheid zich in de toekomst kon herhalen, los van de omstandigheden van de zaak die tot het beroep aanleiding hadden gegeven. |
|
27. |
Wat in de derde plaats het argument betrof dat eraan was ontleend dat er een hoger openbaar belang bij was dat de gestelde schending van een dwingende bepaling van internationaal recht niet onbestraft kon blijven, heeft het Gerecht in punt 38 van de bestreden beschikking overwogen dat dit argument, zonder enige straffeloosheid van de Commissie te erkennen, niet volstond als grondslag voor een persoonlijk belang van rekwirant bij voortzetting van de beroepsprocedure. Hoewel de Commissie de dwingende bepalingen van internationaal recht in acht moet nemen en niet het recht heeft om een beslissing vast te stellen op basis van elementen die door foltering waren verkregen, zoals rekwirant stelt, is rekwirant niet bevoegd om in het belang van de wet of de instellingen beroep in te stellen en kan hij enkel een persoonlijk belang of persoonlijke grieven doen gelden. ( 19 ) |
|
28. |
Aangaande in de vierde plaats mogelijke schadelijke gevolgen die uit de gestelde onwettigheid van verordening nr. 1330/2008 kunnen voortvloeien, heeft het Gerecht in punt 39 van de bestreden beschikking opgemerkt dat het door de verwerende instellingen gedane verzoek om de zaak zonder beslissing af te doen, uitsluitend betrekking had op het verzoek tot nietigverklaring. Het stond Abdulrahim volgens het Gerecht nog steeds vrij om met zijn schadevergoedingsactie op grond van de artikelen 268 VWEU en artikel 340, tweede en derde alinea, VWEU ( 20 ), vergoeding van de beweerdelijk geleden schade te vorderen. |
|
29. |
Aangaande, tot slot, in de vijfde plaats het argument ontleend aan de beweerde noodzaak om een beslissing over de gegrondheid van het onderhavige beroep te verkrijgen ten behoeve van de invordering van de aan rekwirant opgekomen kosten, verwijst het Gerecht naar de punten 69 tot en met 71 van de bestreden beschikking. |
|
30. |
Op basis van die uiteenzettingen komt het Gerecht in punt 41 van de bestreden beschikking tot de conclusie dat op het beroep tot nietigverklaring geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan. |
|
31. |
Aangaande de schadevordering oordeelt het Gerecht dat deze kennelijk rechtsgrondslag mist, althans kennelijk niet-ontvankelijk is, gelet op de processtukken, de aanwijzingen in het dossier en de door partijen in hun geschriften gegeven toelichtingen. |
|
32. |
Na in punt 45 van de bestreden beschikking te hebben herinnerd aan de voorwaarden waaronder de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie voor onrechtmatig gedrag van een van haar organen intreedt, heeft het Gerecht in punt 48 van deze beschikking geoordeeld dat de schade begroot noch bewezen was. |
|
33. |
Het Gerecht heeft, in punt 52 van de bestreden beschikking, tevens geoordeeld dat het causale verband niet was aangetoond, aangezien de beweerdelijk door Abdulrahim geleden materiële schade als gevolg van het feit dat zijn tegoeden, financiële activa en overige financiële middelen niet beschikbaar waren, bestaande in het ontnemen van het genot ervan, niet als directe en onmiddellijke oorzaak de vaststelling van de in casu aan de orde zijnde communautaire handelingen had, maar de vaststelling van eerdere beslissingen, namelijk de beslissing van het sanctiecomité van 21 oktober 2008 om zijn naam aan de lijst van bedoeld comité toe te voegen en de beslissing van de Britse autoriteiten om tegen hem beperkende maatregelen te nemen. |
III – Hogere voorziening
|
34. |
Rekwirant verzoekt het Hof:
|
|
35. |
Ter ondersteuning van zijn conclusies voert rekwirant twee middelen aan. |
|
36. |
Met zijn eerste middel, dat bestaat uit drie onderdelen, betoogt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet om een conclusie van de advocaat-generaal te verzoeken, en/of hem te vragen opmerkingen in te dienen over de eventuele opening van de mondelinge behandeling, en/of de mondelinge behandeling te openen met betrekking tot de vraag of het beroep tot nietigverklaring zonder voorwerp was geraakt. |
|
37. |
Met zijn tweede middel stelt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het beroep zonder voorwerp was geraakt. |
IV – Mijn beoordeling
A – Eerste middel
1. Eerste onderdeel: er is blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen conclusie van de advocaat-generaal te vragen
|
38. |
Rekwirant betoogt dat het Gerecht daarmee een schending heeft begaan van artikel 114, lid 4, van zijn Reglement voor de procesvoering, waarnaar wordt verwezen door artikel 113 daarvan, op grond waarvan de bestreden beschikking is vastgesteld. |
|
39. |
Wat dat aangaat, hoef ik slechts de rechtspraak van het Hof in herinnering te brengen dat de verplichting voor het Gerecht om de advocaat-generaal te horen alvorens uitspraak te doen, moet worden gelezen in samenhang met de artikelen 2, lid 2, 18 en 19 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, waaruit volgt dat de aanwijzing van een rechter van het Gerecht als advocaat-generaal facultatief is wanneer het Gerecht in kamers zetelt en dat de verwijzingen naar de advocaat-generaal in dit Reglement alleen van toepassing zijn wanneer ook daadwerkelijk een rechter als advocaat-generaal is aangewezen. ( 21 ) Nu er geen advocaat-generaal is aangewezen om de Tweede kamer van het Gerecht in zaak T-127/09 bij te staan, was er geen verplichting om een advocaat-generaal te horen alvorens te verklaren dat er geen uitspraak meer behoefde te worden gedaan. Het Gerecht heeft op dit punt dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. |
|
40. |
Het eerste onderdeel van het eerste middel moet dan ook worden afgewezen. |
2. Tweede onderdeel: er is blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de verzoekende partij niet te vragen om opmerkingen over de eventuele opening van de mondelinge behandeling in te dienen
|
41. |
Rekwirant baseert zich op een vergelijking tussen het Reglement voor de procesvoering van het Hof, in de versie die gold toen het onderhavige beroep werd ingesteld, en het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, en op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor zijn stelling dat het Gerecht de mondelinge behandeling niet achterwege mocht laten zonder hem te eerst te verzoeken hierover opmerkingen in te dienen. |
|
42. |
Ik hoef hier slechts vast te stellen dat de bewoordingen van de artikelen 113 en 114, leden 3 en 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet een dergelijke verplichting tot raadpleging van partijen opleggen. Zoals de Raad terecht aangeeft, heeft het Gerecht in overeenstemming met artikel 113 van zijn Reglement voor de procesvoering gehandeld door partijen te verzoeken een schriftelijk standpunt in te nemen over de gevolgen die uit de vaststelling van verordening nr. 36/2011 moesten worden getrokken, in het bijzonder gelet op het voorwerp van het beroep. Na partijen te hebben gehoord, heeft het Gerecht in overeenstemming met artikel 114, lid 3, van dit Reglement gehandeld door te beslissen dat de mondelinge behandeling niet hoefde te worden geopend alvorens uitspraak te doen. Op dit punt kan het Gerecht geen onjuiste rechtsopvatting worden verweten. |
|
43. |
Het tweede onderdeel van het eerste middel moet dus worden afgewezen. |
3. Derde onderdeel: blijk van een onjuiste rechtsopvatting door te verzuimen de mondelinge behandeling te openen
|
44. |
Rekwirant meent dat het Gerecht slechts uitzonderlijk de mogelijkheid heeft om af te zien van de mondelinge behandeling, en legt de nadruk op het wezenlijke belang ervan. Volgens rekwirant zou de mondelinge behandeling slechts achterwege mogen worden gelaten in gevallen waarin geen enkele rechtsvraag of feitelijke vraag van belang meer speelt. Hij merkt op dat het Gerecht meteen uitspraak heeft gedaan na het antwoord dat hij het Gerecht had toegezonden over het behoud van zijn procesbelang en de summiere opmerkingen van de Commissie en de Raad. |
|
45. |
Rekwirant geeft te kennen dat nagenoeg de gehele redenering van het Gerecht betrekking heeft op onderwerpen en rechtspraak waarover geen debat heeft plaatsgevonden en dat hem niet de gelegenheid is geboden om hierover schriftelijk of mondeling te worden gehoord. Afgezien van de aangehaalde rechtspraak, heeft het Gerecht met name feiten aangevoerd betreffende de situatie in Libië en de vermeende onwaarschijnlijkheid dat het gestelde onrechtmatige handelen zich in de toekomst herhaalt. |
|
46. |
Net als de Commissie kan ik er hier mee volstaan erop te wijzen dat het Gerecht krachtens de artikelen 113 en 114, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering de bestreden beschikking mocht vaststellen zonder de mondelinge behandeling te openen, aangezien het zich voldoende voorgelicht achtte en rekwirant de mogelijkheid heeft gehad om schriftelijke opmerkingen over de kwestie in te dienen. ( 22 ) Overigens heeft rekwirant, zoals de Raad opmerkt, niet concreet aangegeven welke nieuwe elementen hij bij het Gerecht had kunnen aandragen tijdens een terechtzitting, vergeleken met de schriftelijke opmerkingen die hij heeft ingediend. |
|
47. |
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat het derde onderdeel van dit middel moet worden afgewezen. |
|
48. |
Daar geen van de drie onderdelen van het eerste middel slaagt, moet het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen. |
B – Tweede middel
|
49. |
Volgens rekwirant heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat zijn beroep zonder voorwerp was geraakt en dat er geen beslissing op het verzoek tot nietigverklaring meer behoefde te worden genomen. In algemene zin uit hij kritiek op de strikte beoordeling van het Gerecht dat de uitkomst van de procedure bij voortzetting ervan niet in het voordeel van rekwirant kon zijn. |
|
50. |
Meer in het bijzonder volgt uit het door rekwirant voor het Hof ontwikkelde betoog dat hij bestrijdt dat de schrapping van zijn naam uit de litigieuze lijst, die de opheffing van verordening nr. 1330/2008 met zich brengt, zodanig is dat dit hem „volledige genoegdoening” geeft, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld in punt 28 van de bestreden beschikking. Daarmee komt rekwirant in werkelijkheid op tegen de negatieve beoordeling door het Gerecht van het voortbestaan van zijn procesbelang. |
|
51. |
Om een procesbelang te hebben, moet de verzoeker zich kunnen beroepen op de nuttige werking die de nietigverklaring van de bestreden handeling voor hem zal hebben. ( 23 ) Het vereiste van een procesbelang bestaat zowel op het gebied van beroepen tot nietigverklaring als op het gebied van hogere voorzieningen. ( 24 ) Het moet niet alleen een persoonlijk belang, maar ook een actueel belang zijn. |
|
52. |
De persoonlijke dimensie van het procesbelang wordt gekenmerkt door het feit dat de bestreden handeling in de belangensfeer van de rekwirant ingrijpt, in die zin dat zulk een handeling hem schade moet berokkenen. ( 25 ) Anders gezegd, moet bedoelde handeling op de positie van de verzoeker „een negatieve invloed” hebben ( 26 ), en die invloed moet in de vorm van schade tot uiting komen. ( 27 ) Hoewel deze regel enige nuanceringen kent ( 28 ), heeft niemand er in beginsel belang bij om de rechtmatigheid van een voor hem gunstige beslissing te betwisten ( 29 ). |
|
53. |
De nietigverklaring van de bestreden handeling moet ten gunste komen van de verzoeker, hem een voordeel opleveren. Zoals advocaat-generaal Lenz het zegt, is vereist dat de „rechtspositie van de verzoeker zich verbetert” ( 30 ) als gevolg van de eventuele nietigverklaring van de bestreden handeling, wil het procesbelang een persoonlijke dimensie hebben. De verzoeker moet voordeel kunnen trekken uit de nietigverklaring, in die zin dat deze alle ongunstige gevolgen van de betrokken handeling voor zijn rechtspositie wegneemt. ( 31 ) Zo uitgedrukt, is het vereiste dat het belang persoonlijk is, een afspiegeling van de idee dat een verzoeker niet in het belang van de wet kan handelen. ( 32 ) |
|
54. |
Bovendien veronderstelt het procesbelang dat de verzoeker aantoont dat de in geding zijnde handeling zijn rechtspositie of financiële positie rechtstreeks en met zekerheid raakt, zodat het arrest hem ook daadwerkelijk genoegdoening kan geven, ook al is dat zuiver moreel. ( 33 ) Beslissend in het kader van het onderzoek van de voorwaarde van het persoonlijk belang is dat de handeling voor de verzoeker daadwerkelijk bezwarend is. Het volstaat dus niet dat de bestreden handeling op zich bezwarend is. Anders gezegd kan het procesbelang niet in abstracto worden beoordeeld, maar aan de hand van de persoonlijke situatie van de verzoeker. ( 34 ) |
|
55. |
Het staat aan de verzoeker om het bewijs te leveren dat zijn financiële of rechtspositie wordt geraakt, hoewel dit bewijs in werkelijkheid reeds uit het voorwerp van het beroep af te leiden kan zijn. De omstandigheid dat de verzoeker de adressaat van een voor hem ongunstige beslissing is, is soms voldoende geacht om zijn procesbelang te erkennen. ( 35 ) |
|
56. |
De temporele dimensie van het procesbelang houdt in dat dit moet bestaan op het moment van instelling van het beroep en hangende de procedure moet blijven voortbestaan. Zoals het Gerecht heeft aangegeven in punt 22 van de bestreden beschikking, moet het voorwerp van het beroep, evenals het procesbelang, op straffe van afdoening zonder beslissing voortbestaan tot aan de uitspraak van de rechterlijke beslissing. Dit veronderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld. Meer bepaald, en het Gerecht heeft hier ook aan herinnerd in punt 29 van diezelfde beschikking, kan de verzoekende partij in het kader van een beroep tot nietigverklaring een belang bij nietigverklaring van een hangende het geding opgeheven handeling behouden, indien de nietigverklaring van de handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan sorteren. |
|
57. |
Zoals het Gerecht nader uiteen heeft kunnen zetten in een andere zaak, is het in het belang van een goede rechtsbedeling dat het kan vaststellen dat er geen uitspraak op het beroep meer behoeft te worden gedaan wanneer een verzoeker die aanvankelijk een procesbelang had, elk persoonlijk belang bij de nietigverklaring van de bestreden handeling heeft verloren als gevolg van een gebeurtenis die na de instelling van bedoeld beroep heeft plaatsgevonden. ( 36 ) |
|
58. |
Ik meen echter dat het Gerecht in de bestreden beschikking het voortbestaan van een procesbelang bij rekwirant uiterst strikt is nagegaan. Net als laatstgenoemde meen ik dat de redenering van het Gerecht vatbaar is voor kritiek op meerdere punten. |
|
59. |
Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld in punt 32 van de bestreden beschikking, ben ik van mening dat de omstandigheid dat een handeling van een instelling van de Unie is opgeheven, geen erkenning van de onrechtmatigheid ervan is en enkel ex nunc een gevolg sorteert, in tegenstelling tot een arrest houdende nietigverklaring krachtens hetwelk de nietig verklaarde handeling met terugwerkende kracht uit de rechtsorde wordt verwijderd en wordt geacht nooit te hebben bestaan ( 37 ), in dier voege dat dit in de context van de onderhavige zaak bij Abdulrahim grond kan opleveren voor een belang bij de nietigverklaring van verordening nr. 1330/2008. Volgens mij is het in dat verband onjuist te verklaren, zoals het Gerecht in punt 33 van de bestreden beschikking heeft gedaan, dat „in de omstandigheden van de onderhavige zaak niets erop wijst dat het ex tunc verdwijnen van deze handeling voor Abdulrahim van enig voordeel is”. |
|
60. |
Rekwirant heeft immers een persoonlijk belang dat blijft voortbestaan ondanks de opheffing van de bestreden handeling hangende het geding, dat daarin moet worden gezocht dat zijn inschrijving op de litigieuze lijst met terugwerkende kracht uit de rechtsorde van de Unie verdwijnt. Dit is de essentie zelve van de nietigverklaring van een handeling van de Unie door de rechter. Anders dan hetgeen het Gerecht beslissend lijkt te achten in punt 33 van de bestreden beschikking, is het in dat verband van weinig belang dat de Commissie en/of de Raad in geval van een arrest houdende nietigverklaring niet gehouden zullen zijn, krachtens artikel 266 VWEU, om aanvullende maatregelen te treffen om de onrechtmatigheden die zijn geconstateerd in het arrest houdende nietigverklaring volledig weg te nemen. |
|
61. |
In de context van maatregelen tot bevriezing van tegoeden als aan de orde in de onderhavige zaak, die onmiskenbaar bezwarend zijn voor de betrokkenen, niet alleen doordat het gebruik van hun recht op eigendom wordt ingeperkt, maar ook doordat zij publiekelijk worden aangewezen als in verband staand met een terroristische organisatie ( 38 ), is het volgens mij evident dat een verzoeker er een constant belang bij heeft dat hij, ondanks de opheffing van de handeling van de Unie in kwestie, van de Unierechter verkrijgt dat deze erkent dat hij nooit op de litigieuze lijst had mogen worden geplaatst, of dat dit niet had gemogen op basis van de procedure die door de instellingen van de Unie is gevolgd. Vanuit het oogpunt van de verzoeker en de genoegdoening die hij met de instelling van een beroep tot nietigverklaring tegen zijn inschrijving tracht te verkrijgen, is een dergelijke erkenning van de formele en/of materiële onrechtmatigheid van de bestreden handeling niet gelijk te stellen met de opheffing van zijn inschrijving voor de toekomst. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat een dergelijke opheffing voor de toekomst niet de twijfel wegneemt ten aanzien van de gegrondheid van zijn inschrijving en/of de rechtmatigheid van de procedure die heeft geleid tot deze inschrijving binnen de Unie. |
|
62. |
Het voortbestaan van het procesbelang dat rekwirant kan inroepen, is in de omstandigheden van de onderhavige zaak terug te voeren op de volgende elementen. |
|
63. |
In de eerste plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de verzoeker een belang bij een verzoek tot nietigverklaring van een handeling van een instelling van de Unie kan behouden, teneinde te kunnen voorkomen dat de onwettigheid die aan die handeling zou kleven, zich in de toekomst weer voordoet. ( 39 ) In een andere formulering blijft het procesbelang voortbestaan wanneer de nietigverklaring van de bestreden handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben, met name door de herhaling van een onrechtmatige handeling van de instellingen te voorkomen. ( 40 ) Een dergelijk procesbelang vloeit voort uit artikel 266, eerste alinea, VWEU, op grond waarvan de instelling die de nietig verklaarde handeling heeft vastgesteld, gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof. ( 41 ) |
|
64. |
Het is juist dat het Hof heeft gepreciseerd dat dit procesbelang alleen kan bestaan indien de gestelde onwettigheid zich in de toekomst kan herhalen, onafhankelijk van de omstandigheden van de zaak die aanleiding hebben gegeven tot het door de verzoeker ingestelde beroep. Anders dan het Gerecht in punt 37 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld, is aan deze voorwaarde evenwel voldaan in het kader van het door rekwirant ingestelde beroep tot nietigverklaring. Met dit beroep wordt immers beoogd de verenigbaarheid van de bestreden verordening met het Unierecht vanuit procedureel oogpunt te bestrijden, meer bepaald wat het recht om te worden gehoord en het recht op effectief rechterlijk toezicht betreft. Rekwirant behoudt dus een belang bij een uitspraak over de rechtmatigheid van de procedure die heeft geleid tot zijn inschrijving op de litigieuze lijst binnen de Unie, opdat de gestelde onrechtmatigheid zich in de toekomst niet weer voordoet in het kader van een analoge procedure die tegen hem wordt gevoerd. ( 42 ) Een arrest van de Unierechter zou de instellingen van de Unie er in voorkomend geval toe kunnen brengen, in de toekomst passende wijzigingen aan te brengen in de regeling over inschrijving op de lijsten. ( 43 ) |
|
65. |
In de tweede plaats kan rekwirant zich er rechtsgeldig op beroepen dat de erkenning van de beweerde onrechtmatigheid hem in eer kan herstellen, door herstel van zijn reputatie. Ik ben dus van mening dat rekwirant er op zijn minst moreel belang bij heeft, door de Unierechter te doen vaststellen dat hij nooit in de litigieuze lijst had mogen worden opgenomen of dat dit niet had gemogen op grond van de door de instellingen van de Unie gevolgde procedure. ( 44 ) Ik wijs er voorts op dat rekwirant in zijn verzoek tot nietigverklaring ook zijn recht op een privéleven en een familieleven inroept, vanuit de invalshoek van de schade die zijn reputatie te lijden heeft gehad. ( 45 ) Los van een schadevergoedingsactie, kan een arrest houdende nietigverklaring dus een vorm van compensatie voor de door rekwirant geleden morele schade vormen. |
|
66. |
Ik verschil dus van mening met de Commissie en de Raad, waar deze instellingen stellen dat een arrest houdende nietigverklaring gestoeld op procedurele middelen, er niet toe kan bijdragen dat rekwirants reputatie wordt hersteld. Het schijnt mij immers toe dat een dergelijk betoog voorbij gaat aan het feit dat vorm en inhoud nauw samenhangen, zodat een procedurele onregelmatigheid van invloed kan zijn op de inhoud van de bestreden handeling. ( 46 ) Dit geldt temeer wanneer, zoals in casu, de verzoeker schending aanvoert van zijn recht om te worden gehoord, waardoor het hem niet mogelijk is geweest het bewijs te leveren dat hij geen enkele band met een terroristische organisatie had en dus niet op de litigieuze lijst had mogen worden ingeschreven. |
|
67. |
In de derde plaats heeft het Gerecht verzuimd rekening te houden met de rechtspraak volgens welke een verzoeker ook een belang bij een verzoek tot nietigverklaring van een voor hem bezwarende handeling kan behouden, voor zover de vaststelling van onrechtmatigheid door de Unierechter als basis kan dienen voor een eventuele schadevergoedingsactie, die moet leiden tot een passende vergoeding voor de schade die hij als gevolg van de bestreden handeling heeft geleden. ( 47 ) |
|
68. |
Deze elementen tonen volgens mij aan dat rekwirant als gevolg van de opheffing van de bestreden handeling hangende het geding, geen „volledige” genoegdoening heeft gekregen. Hij heeft weliswaar een deel gekregen van datgene wat hij wilde verkrijgen, namelijk de schrapping van zijn naam van de litigieuze lijst en de gevolgen die dit heeft, doch daarmee zijn niet de eventuele gebreken die aan de inschrijving op die lijst kleven, weggenomen. Bij rekwirant is dus niet elk persoonlijk procesbelang verdwenen. |
|
69. |
Ofschoon ik kan erkennen dat er een verschil bestaat tussen zaken waarin de betrokken beperkende maatregelen zijn opgeheven en vervangen, met handhaving van de belanghebbende op de litigieuze lijst ( 48 ), en de onderhavige zaak waarin rekwirants naam zonder meer van de litigieuze lijst is geschrapt, zoals het Gerecht heeft uiteengezet in de punten 35 en 36 van de bestreden beschikking, preciseer ik ook dat een dergelijk verschil om de hierboven uiteengezette redenen geenszins met zich meebrengt dat rekwirants procesbelang in de tweede situatie zou moeten worden geacht te zijn verdwenen. |
|
70. |
Gelet op een en ander ben ik van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat er voor hem geen aanleiding meer was om op het verzoek tot nietigverklaring uitspraak te doen, omdat rekwirant geen procesbelang meer had. Hieruit volgt dat het tweede middel slaagt en dat de bestreden beschikking dus moet worden vernietigd. Ik geef het Hof tevens in overweging deze zaak naar het Gerecht terug te verwijzen voor een uitspraak op Abdulrahims verzoek tot nietigverklaring, en de beslissing over de kosten aan te houden. |
V – Conclusie
|
71. |
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
|
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Beschikkingen Gerecht van 6 juli 2011, SIR/Raad (T-142/11) en Petroci/Raad (T-160/11); 7 december 2011, Fellah/Raad (T-255/11); 15 december 2011, Gooré/Raad (T-285/11); 17 januari 2012, Afriqiyah Airways/Raad (T-436/11); 31 januari 2012, Ayadi/Commissie (T-527/09); 17 februari 2012, Dagher/Raad (T-218/11); 24 april 2012, El Fatmi/Raad (T-76/07, T-362/07 en T-409/08); 4 juni 2012, Attey e.a./Raad (T-118/11, T-123/11 en T-124/11), en Ezzedine e.a./Raad (T-131/11, T-132/11, T-137/11, T-139/11–T-141/11, T-144/11–T-148/11 en T-182/11), en 3 juli 2012, Ghreiwati/Raad (T-543/11).
( 3 ) PB L 139, blz. 9.
( 4 ) PB L 345, blz. 60.
( 5 ) In andere zaken die bij het Hof aanhangig zijn, zoals de zaak Ayadi/Commissie (C-183/12 P), is een vergelijkbare problematiek aan de orde. Bovendien is in het kader van de gevoegde zaken Commissie e.a./Kadi (C-584/10 P, C-593/10 P en C-595/10 P), nog aanhangig bij het Hof, Kadi in de loop van het geding van de litigieuze lijst gehaald, net als Boni-Claverie in het kader van de zaak Boni-Claverie/Raad (C-480/11 P), nog aanhangig bij het Hof. Zie ook arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba (C-417/11 P), waarin het Hof in het kader van de behandeling in hogere voorziening geen consequenties ten aanzien van het procesbelang van Bamba had getrokken uit het feit dat zij na een periodiek heronderzoek, hangende het geding, van de lijst van personen waarop de aan de orde zijnde beperkende maatregelen van toepassing waren, niet meer in de lijst was opgenomen (punt 88).
( 6 ) PB L 14, blz. 12, met rectificatie in PB 2011, L 36, blz. 12.
( 7 ) T-229/02, punten 46-51.
( 8 ) In deze bepaling is nader uiteengezet dat de beslissing wordt genomen met inachtneming van het bepaalde in artikel 114, leden 3 („[t]enzij het Gerecht anders beslist, geschiedt de verdere behandeling van het verzoek mondeling”) en 4 („[n]a de advocaat-generaal te hebben gehoord, beslist het Gerecht op het verzoek of voegt het met de zaak ten gronde”) van genoemd Reglement.
( 9 ) Het Gerecht heeft in dat verband verwezen naar het arrest van het Hof van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie (C-362/05 P, Jurispr. blz. I-4333, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en het arrest van het Gerecht van 10 december 2010, Ryanair/Commissie (T-494/08-T-500/08 en T-509/08, Jurispr. blz. II-5723, punten 42 en 43).
( 10 ) Het Gerecht heeft in dat verband verwezen naar zijn beschikking van 28 maart 2006, Mediocurso/Commissie (T-451/04, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak); en de reeds aangehaalde beschikkingen SIR/Raad (punt 18) en Petroci/Raad (punt 15).
( 11 ) Het heeft in dit verband verwezen naar zijn beschikkingen van 14 maart 1997, Arbeitsgemeinschaft Deutscher Luftfahrt-Unternehmen en Hapag-Lloyd/Commissie (T-25/96, Jurispr. blz. II-363, punt 16), en 10 maart 2005, IMS Health/Commissie (T-184/01, Jurispr. blz. II-817, punt 38).
( 12 ) Het Gerecht verwijst in dat verband naar de reeds aangehaalde beschikking Arbeitsgemeinschaft Deutscher Luftfahrt-Unternehmen en Hapag-Lloyd/Commissie (punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 13 ) Het Gerecht haalt in dat kader zijn arrest van 13 december 1995, Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie (T-481/93 en T-484/93, Jurispr. blz. II-2941, punt 46) aan.
( 14 ) Zie in die zin, naast het reeds aangehaalde arrest PKK/Raad (punten 46-51), arresten Gerecht van 12 december 2006, Organisation des Modjahedines du peuple d’Iran/Raad (T-228/02, Jurispr. blz. II-4665, punt 35); 11 juli 2007, Al-Aqsa/Raad (T-327/03, punt 39), en 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad (T-256/07, Jurispr. blz. II-3019, punt 48).
( 15 ) C-399/06 P en C-403/06 P, Jurispr. blz. I-11393.
( 16 ) C-123/92, Jurispr. blz. I-809.
( 17 ) Het Gerecht heeft wat deze casuspositie betreft verwezen naar het reeds aangehaalde arrest Wunenburger/Commissie (punt 50).
( 18 ) Ibidem (punten 51 en 52).
( 19 ) Het Gerecht haalt in dat kader het arrest aan van het Hof van 30 juni 1983, Schloh/Raad (85/82, Jurispr. blz. 2105, punt 14).
( 20 ) Dit verzoek is onderzocht in de punten 42 e.v. van de bestreden beschikking.
( 21 ) Beschikkingen van 25 juni 2009, Srinivasan/Europese Ombudsman (C-580/08 P, punt 35), en 22 oktober 2010, Seacid/Parlement en Raad (C-266/10 P, punt 11); en arrest van 22 september 2011, Bell & Ross/BHIM (C-426/10 P, Jurispr. blz. I-8849, punt 28).
( 22 ) Zie met name arrest van 19 januari 2006, AIT/Commissie (C-547/03 P, Jurispr. blz. I-845, punt 35), en beschikking van 8 december 2006, Polyelectrolyte Producers Group/Raad en Commissie (C-368/05 P, punt 46).
( 23 ) Zie punt 19 van de conclusie van advocaat-generaal Tesauro in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie (C-19/93 P, Jurispr. blz. I-3319).
( 24 ) Zie wat hogere voorzieningen betreft met name de reeds aangehaalde arresten Rendo e.a./Commissie (punt 13), en Hassan en Ayadi/Raad en Commissie (punt 58), en arrest van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran (C-27/09 P, Jurispr. blz. I-13427, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 25 ) Cassia, P., „L’accès des personnes physiques ou morales au juge de la légalité des actes communautaires”, Dalloz, 2002, blz. 464.
( 26 ) Arrest Gerecht van 30 april 1998, Cityflyer Express/Commissie (T-16/96, Jurispr. blz. II-757, punt 34).
( 27 ) Cassia, P., op. cit., blz. 464.
( 28 ) Zie op dit punt Rideau, J., Jurisclasseur Europe, fascicule 330, punt 88.
( 29 ) Zie met name beschikking van de president van het Gerecht van 15 maart 1995, Cantine dei colli Berici/Commissie (T-6/95 R, Jurispr. blz. II-647, punt 29).
( 30 ) Zie punt 9 van de conclusie van advocaat-generaal Lenz in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 mei 1994, Codorniu/Raad (C-309/89, Jurispr. blz. I-1853).
( 31 ) Wathelet, M., „Contentieux européen”, Larcier, 2010, blz. 186.
( 32 ) Van Raepenbusch, S., L’intérêt à agir dans le contentieux communautaire, „Mélanges en hommage à Georges Vandersanden”, Bruylant, 2008, blz. 384.
( 33 ) Ibidem, blz. 385.
( 34 ) Ibidem, blz. 389 en 390. De auteur haalt aan: arrest Hof van 12 december 1967, Bauer/Commissie (15/67, Jurispr. blz. 498), en arrest Gerecht van 9 november 2004, Vega Rodríguez/Commissie (T-285/02 en T-395/02, JurAmbt. blz. I-A-333 en II-1527, punt 25), en beschikking Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 mei 2006, Schmit/Commissie (F-3/05, JurAmbt. blz. I-A-1-9 en II-A-1-33, punt 40).
( 35 ) Zie voor besluiten waarbij een concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, arresten Gerecht van 25 maart 1999, Gencor/Commissie (T-102/96, Jurispr. blz. II-753, punt 42) en 15 december 1999, Kesko/Commissie (T-22/97, Jurispr. blz. II-3775, punt 57).
( 36 ) Beschikking van het Gerecht van 17 oktober 2005, First Data e.a./Commissie (T-28/02, Jurispr. blz. II-4119, punt 36).
( 37 ) Zie ten aanzien van dit onderscheid met name de reeds aangehaalde arresten van het Gerecht Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie (punt 46), en Organisation des Modjahedines du peuple d’Iran/Raad (punt 35).
( 38 ) Zo heeft het Hof erkend dat de beperkende maatregelen een belangrijke weerslag hebben op de rechten en vrijheden van de daardoor getroffen personen, Zie met name arrest Hassan en Ayadi/Raad en Commissie, reeds aangehaald (punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C-229/05 P, Jurispr. blz. I-439, punt 110).
( 39 ) Arrest Wunenburger/Commissie, reeds aangehaald (punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 40 ) Zie met name arrest Hof van 24 juni 1986, AKZO Chemie en AKZO Chemie UK/Commissie (53/85, Jurispr. blz. 1965, punt 21), en arresten Gerecht van 9 november 1994, Scottish Football/Commissie (T-46/92, Jurispr. blz. II-1039, punt 14), en 11 mei 2010, PC-Ware Information Technologies/Commissie (T-121/08, Jurispr. blz. II-1541, punten 39 en 40). Zie ook, in het kader van een hogere voorziening, arrest Hof van 3 september 2009, Moser Baer India/Raad (C-535/06 P, Jurispr. blz. I-7051, punt 25).
( 41 ) Arrest Wunenburger/Commissie, reeds aangehaald (punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 42 ) Zie naar analogie arrest Hof, Wunenburger/Commissie, reeds aangehaald (punten 52-59), en arrest Gerecht van 18 maart 2009, Shanghai Excell M&E Enterprise en Shanghai Adeptech Precision/Raad (T-299/05, Jurispr. blz. II-565, punten 48-52).
( 43 ) Zie in die zin arrest van 6 maart 1979, Simmenthal/Commissie (92/78, Jurispr. blz. 777, punt 32).
( 44 ) Zie voor het morele belang dat een verzoeker bij de beslechting van een geschil moet hebben, met name arresten van 10 juni 1980, M./Commissie (155/78, Jurispr. blz. 1797, punt 6), en 22 december 2008, Gordon/Commissie (C-198/07 P, Jurispr. blz. I-10701, punten 42-45), alsook punten 49-53 van mijn conclusie in de zaak die tot dit laatste arrest heeft geleid. Zie ook arrest Gerecht van 21 maart 2002, Shaw en Falla/Commissie (T-131/99, Jurispr. blz. II-2023, punt 36).
( 45 ) Zie punt 99 van het verzoekschrift in zaak T-127/09.
( 46 ) Aangezien een procedurele onregelmatigheid van invloed heeft kunnen zijn op de wettigheid van de bestreden verordening, heeft rekwirant een wettig belang om zich te beroepen op de eventuele niet-inachtneming van wezenlijke vormvoorschriften: zie arrest van 7 mei 1991, Oliveira/Commissie (C-304/89, Jurispr. blz. I-2283, punt 17).
( 47 ) Zie met name arresten Hof van 5 maart 1980, Könecke Fleischwarenfabrik/Commissie (76/79, Jurispr. blz. 665, punt 9), 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie (C-68/94 en C-30/95, Jurispr. blz. I-1375, punt 74), 13 juli 2000, Parlement/Richard (C-174/99 P, Jurispr. blz. I-6189, punten 33 en 34), en 6 december 2007, Marcuccio/Commissie (C-59/06 P, punt 32). Zie ook beschikking Gerecht van 29 mei 1997, Contargyris/Raad (T-6/96, JurAmbt. blz. I-A-119 en II-357, punt 32), en arrest Gerecht Shanghai Excell M & E Enterprise en Shanghai Adeptech Precision/Raad, reeds aangehaald (punt 53).
( 48 ) Zie met name de arresten die in voetnoot 14 van deze conclusie zijn aangehaald, alsook arrest Hassan en Ayadi/Raad en Commissie, reeds aangehaald.