|
28.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 129/3 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 6 maart 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Oberste Patent- und Markensenat — Oostenrijk) — Backaldrin Österreich The Kornspitz Company GmbH/Pfahnl Backmittel GmbH
(Zaak C-409/12) (1)
((Merken - Richtlijn 2008/95/EG - Artikel 12, lid 2, sub a - Vervallenverklaring - Merk dat door toedoen of nalaten van merkhouder tot in handel gebruikelijke benaming is geworden van waar of dienst waarvoor het is ingeschreven - Perceptie van woordteken ‚KORNSPITZ’ door verkopers enerzijds en eindverbruikers anderzijds - Enkel verlies van onderscheidend vermogen uit oogpunt van eindverbruikers))
(2014/C 129/03)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberste Patent- und Markensenat
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Backaldrin Österreich The Kornspitz Company GmbH (vertegenwoordigers: E. Enging-Deniz, Rechtsanwalt)
Verwerende partij: Pfahnl Backmittel GmbH (vertegenwoordigers: M. Gumpoldsberger, Rechtsanwalt)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberster Patent- und Markensenat — Uitlegging van artikel 12, lid 2, sub a, van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 299, blz. 25) — Gronden voor vervallenverklaring — Ingeschreven woordmerk dat voor de consument de gebruikelijke benaming is geworden voor de betrokken waar omdat de tussenpersonen niet meedelen dat het een merk betreft — Afwezigheid van alternatieve benamingen om de betrokken waar aan te duiden — Nalaten van de merkhouder
Dictum
|
1) |
Artikel 12, lid 2, sub a, van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat in een situatie als die van het hoofdgeding de houder van een merk de door dit merk verleende rechten kan verliezen voor een waar waarvoor het merk is ingeschreven wanneer het merk door toedoen of nalaten van deze houder louter uit het oogpunt van de eindverbruikers ervan de gebruikelijke benaming voor deze waar is geworden. |
|
2) |
Artikel 12, lid 2, sub a, van richtlijn 2008/95 moet aldus worden uitgelegd dat als „nalaten” in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt het feit dat de houder van een merk de verkopers niet ertoe aanzet om dit merk meer te gebruiken bij de verkoop van een waar waarvoor het merk is ingeschreven. |
|
3) |
Artikel 12, lid 2, sub a, van richtlijn 2008/95 moet aldus worden uitgelegd dat voor de vervallenverklaring van een merk niet is vereist dat wordt nagegaan of alternatieve benamingen bestaan voor een waar waarvan dit merk de in de handel gebruikelijke benaming is geworden. |