22.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 85/7


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 januari 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Upper Tribunal (Immigration and Asylum Chamber) London — Verenigd Koninkrijk) — Secretary of State for the Home Department/M. G.

(Zaak C-400/12) (1)

(Verzoek om prejudiciële beslissing - Richtlijn 2004/38/EG - Artikel 28, lid 3, sub a - Bescherming tegen verwijdering - Berekeningsmethode voor periode van tien jaar - Inaanmerkingneming van tijd in gevangenis)

2014/C 85/11

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Upper Tribunal (Immigration and Asylum Chamber) London

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Secretary of State for the Home Department

Verwerende partij: M. G.

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Upper Tribunal (Immigration and Asylum Chamber) London — Uitlegging van artikel 28, lid 3, sub a, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77) — Besluit tot verwijdering om dwingende redenen van openbare veiligheid, genomen ten aanzien van een Europese burger die de laatste tien jaar in het gastland heeft verbleven en tot een gevangenisstraf is veroordeeld — Begrip verblijf van tien jaar in een gastland — Mogelijkheid om een detentieperiode mee te tellen — Berekening van de vereiste verblijfsduur vanaf de aanvang van het verblijf, dan wel door achteruit te tellen vanaf het besluit tot verwijdering — Effect in dit laatste geval van aan dit besluit voorafgaande detentie

Dictum

1)

Artikel 28, lid 3, sub a, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG moet aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde verblijfsperiode van tien jaar in beginsel ononderbroken dient te zijn en door achteruittelling moet worden berekend vanaf de datum van het besluit tot verwijdering van de betrokkene.

2)

Artikel 28, lid 3, sub a, van richtlijn 2004/38 moet aldus worden uitgelegd dat een door de betrokkene in de gevangenis doorgebrachte periode in beginsel het ononderbroken karakter van het verblijf in de zin van deze bepaling kan doorbreken en een negatieve invloed kan hebben op de toekenning van de verhoogde bescherming waarin deze bepaling voorziet, zelfs indien deze persoon gedurende de tien jaar voorafgaand aan zijn gevangenisstraf in het gastland heeft verbleven. Deze omstandigheid kan echter worden meegewogen bij de algehele beoordeling die vereist is om te bepalen of de eerder met het gastland opgebouwde banden van integratie al dan niet zijn verbroken.


(1)  PB C 331 van 27.10.2012.