7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 260/12


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 18 juli 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Plovdiv — Bulgarije) — AES-3C MARITZA EAST 1 EOOD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite, Plovdiv

(Zaak C-124/12) (1)

(Belasting over toegevoegde waarde - Richtlijn 2006/112/EG - Artikelen 168, sub a, en 176 - Recht op aftrek - Uitgaven in verband met verwerving van goederen en diensten die voor personeel zijn bestemd - Personeel dat ter beschikking is gesteld van belastingplichtige die recht op aftrek uitoefent maar door andere belastingplichtige wordt tewerkgesteld)

2013/C 260/21

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen sad Plovdiv

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: AES-3C MARITZA EAST 1 EOOD

Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite, Plovdiv

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Administrativen sad Plovdiv — Uitlegging van de artikelen 168, sub a, en 176 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Werkingssfeer — Beperking van het recht op aftrek van voorbelasting — Onderneming die geen eigen personeel heeft, maar voltijdse werknemers inhuurt op grond van een overeenkomst tot terbeschikkingstelling van personeel dat voor een andere onderneming werkt — Ontzegging van het recht op aftrek van de btw over ontvangen vervoerdiensten, werkkleding en beschermende uitrusting voor de werknemers, alsook over uitgaven voor dienstreizen van de werknemers, omdat de onderneming deze goederen en diensten kosteloos ter beschikking stelt van natuurlijke personen die voor haar werken maar van wie zij niet de werkgever is

Dictum

1)

De artikelen 168, sub a, en 176, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling volgens welke een belastingplichtige die kosten maakt voor vervoerdiensten, werkkleding, beschermende uitrusting en dienstreizen van personen die voor hem werken, niet gerechtigd is om de belasting over de toegevoegde waarde over deze kosten af te trekken, op grond dat die personen hem door een andere onderneming ter beschikking zijn gesteld en dus niet als personeel van de belastingplichtige in de zin van deze wettelijke regeling kunnen worden aangemerkt, ook al kunnen die kosten worden geacht een rechtstreeks en onmiddellijk verband te hebben met de algemene kosten van al zijn economische activiteiten.

2)

Artikel 176, tweede alinea, van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat bij zijn toetreding tot de Unie een beperking van het recht op aftrek invoert krachtens een nationale wettelijke bepaling volgens welke goederen of diensten die voor handelingen om niet of voor andere activiteiten dan de economische activiteit van de belastingplichtige zijn bestemd, van het recht op aftrek zijn uitgesloten, terwijl de nationale wettelijke regeling die tot op de datum van toetreding van kracht was, niet in een dergelijke beperking voorzag.

Het staat aan de nationale rechterlijke instantie om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen zoveel mogelijk in overeenstemming met het recht van de Unie uit te leggen. Indien zou blijken dat een dergelijke uitlegging niet mogelijk is, dient de nationale rechterlijke instantie deze bepalingen buiten toepassing te laten op grond dat zij niet verenigbaar zijn met artikel 176, tweede alinea, van richtlijn 2006/112.


(1)  PB C 151 van 26.5.2012