|
27.8.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 252/16 |
Hogere voorziening ingesteld op 8 juni 2011 door Mitteldeutsche Flughafen AG, Flughafen Leipzig/Halle GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 24 maart 2011 in de gevoegde zaken T-443/08 en T-455/08, Freistaat Sachsen e.a./Europese Commissie
(Zaak C-288/11 P)
2011/C 252/30
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirantes: Mitteldeutsche Flughafen AG, Flughafen Leipzig/Halle GmbH (vertegenwoordigers: M. Núñez-Müller en J. Dammann, Rechtsanwälte)
Andere partijen in de procedure: Freistaat Sachsen, Land Sachsen-Anhalt, Bondsrepubliek Duitsland, Arbeitsgemeinschaft Deutscher Verkehrsflughäfen eV (ADV), Europese Commissie
Conclusies
|
— |
punt 4 van het dictum van het bestreden arrest, waarbij het beroep in zaak T-455/08 wordt verworpen voor het overige, en de desbetreffende beslissing over de kosten in punt 6 vernietigen; |
|
— |
de zaak zelf afdoen en het beroep in zaak T-455/08 toewijzen waar dat strekt tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking voor zover de Europese Commissie daarin vaststelt dat de door Duitsland voor de aanleg van een nieuwe start- en landingsbaan zuid en de bouw van de bijbehorende luchthaveninstallaties op de luchthaven Leipzig-Halle genomen maatregel tot kapitaalinbreng, staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (ex artikel 87, lid 1, EG) vormt; |
|
— |
de Europese Commissie verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en — ter vervanging van punt 7 van het dictum van het bestreden arrest — in die van de procedure in eerste aanleg in zaak T-455/08. |
Middelen en voornaamste argumenten
De onderhavige hogere voorziening is gericht tegen het arrest waarbij het Gerecht rekwirantes’ beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2008/948/EG van de Commissie van 23 juli 2008 betreffende maatregelen van Duitsland ten gunste van DHL en Flughafen Leipzig/Halle GmbH, gedeeltelijk heeft verworpen.
De hogere voorziening is inhoudelijk beperkt: zij is niet gericht tegen punt 3 van het dictum van het bestreden arrest, waarbij het Gerecht artikel 1 van de litigieuze beschikking gedeeltelijk nietig heeft verklaard, maar uitsluitend tegen punt 4 van dat dictum, waarmee het Gerecht het beroep heeft verworpen „voor het overige”. Bijgevolg ziet de hogere voorziening evenmin op de vergunning die op grond van artikel 107, lid 3, VWEU in de tweede helft van de zin van artikel 1 van de litigieuze beschikking wordt verleend; zij is integendeel enkel gericht tegen de kwalificatie van de betrokken financieringsmaatregelen als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
Ter onderbouwing van hun hogere voorziening voeren rekwirantes de volgende middelen aan.
Het bestreden arrest schendt artikel 107, lid 1, VWEU. Anders dan het Gerecht oordeelt, is Flughafen Leipzig/Halle GmbH uit het oogpunt van de betrokken infrastructuurmaatregelen en de financiering daarvan geen onderneming in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. De aanleg van infrastructuur voor een regionale luchthaven vormt geen economische activiteit. Bijgevolg zijn de regels betreffende staatssteun niet van toepassing op de onderhavige situatie.
Voorts schendt het bestreden arrest het verbod van terugwerkende kracht, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. In de litigieuze beschikking heeft de Commissie de op 9 december 2005 bekendgemaakte mededeling inzake communautaire richtsnoeren voor financiering van luchthavens en aanloopsteun van de overheid voor luchtvaartmaatschappijen met een regionale luchthaven als thuishaven, retroactief op de reeds op 4 november 2004 vastgestelde infrastructuurmaatregelen toegepast. Het Gerecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van retroactieve toepassing van de richtsnoeren 2005 en houdt daarmee, in strijd met de voormelde beginselen, een door de Commissie tot stand gebrachte tegenstrijdige en feitelijk onjuiste rechtssituatie in stand. Verder gaat het bestreden arrest eraan voorbij dat de zogeheten richtsnoeren voor het luchtverkeer 1994, ingevolge dewelke de financiering door de overheid van luchthaveninfrastructuur een algemene maatregel is en dus niet aan het toezicht op staatssteun onderworpen is, nog altijd van kracht zijn.
Het bestreden arrest schendt ook artikel 1, sub b-v, respectievelijk de artikelen 17 en 18 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (1), omdat het Gerecht de bepalingen van voormelde verordening inzake bestaande steun niet op de door hem als staatssteun gekwalificeerde kapitaalinbreng van 4 november 2004 heeft toegepast.
Het bestreden arrest maakt ten slotte inbreuk op de in het VWEU neergelegde bevoegdheidsverdeling. Met zijn uitlegging van het begrip „onderneming” in artikel 107, lid 1, VWEU schendt het Gerecht het primaire recht, aangezien het maatregelen van de lidstaten aan het toezicht op staatssteun onderwerpt, terwijl die maatregelen niet onder de regels inzake staatssteun vallen.
Tot slot schendt het bestreden arrest, wegens onvolledigheid van de gronden, nog de motiveringsplicht ex artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
(1) PB L 83, blz. 1.