|
10.9.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 269/22 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský súd v Prešove (Slowaakse Republiek) op 23 mei 2011 — Erika Šujetová/Rapid life životná poisťovňa, as
(Zaak C-252/11)
2011/C 269/41
Procestaal: Slowaaks
Verwijzende rechter
Krajský súd v Prešove
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Erika Šujetová
Verwerende partij: Rapid life životná poisťovňa, as
Prejudiciële vragen
|
1) |
Verzetten de artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1), zich tegen de toepassing van een bepaling van nationaal recht op grond waarvan de territoriale bevoegdheid voor de herziening van een arbitraal vonnis altijd en alleen toekomt aan de rechter binnen het rechtsgebied van wie zich, overeenkomstig een arbitrageovereenkomst of een arbitragebeding, de zetel van het scheidsgerecht of de plaats waar de arbitrageprocedure is gevoerd, bevindt, wanneer die rechter tot de bevinding komt dat die arbitrageovereenkomst of dat arbitragegeding een oneerlijk beding in de zin van artikel 3, lid 1, van voornoemde richtlijn vormt? |
|
2) |
Zo de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, verzetten de artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, zich dan tegen de toepassing van een bepaling van nationaal recht op grond waarvan de (in de eerste vraag bedoelde) rechter, na het arbitraal vonnis eventueel te hebben vernietigd, de procedure ten gronde (dat wil zeggen betreffende de vordering waarvan het scheidsgerecht kennis heeft genomen) moet voortzetten zonder opnieuw te hebben onderzocht of hij daarvoor territoriaal bevoegd is, hoewel, zo de vordering tegen de consument van meet af aan bij de rechter was ingesteld en niet bij het scheidsgerecht, de territoriale bevoegdheid voor de procedure vanaf het begin aan de rechter van de woonplaats van de consument zou zijn toegekomen? |
(1) PB L 95, blz. 29.