|
28.5.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 160/13 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Riigikohus (Republiek Estland) op 25 maart 2011 — AS Pimix (in liquidatie)/Maksu- ja Tolliameti Lõuna maksu- ja tollikeskus; Põllumajandusministeerium (ministerie van Landbouw)
(Zaak C-146/11)
2011/C 160/15
Procestaal: Ests
Verwijzende rechter
Riigikohus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: AS Pimix (in liquidatie)
Verwerende partijen: Maksu- ja Tolliameti Lõuna maksu- ja tollikeskus; Põllumajandusministeerium (ministerie van Landbouw)
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie juncto artikel 58 van de Toetredingsakte in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (arresten van 11 december 2007, Skoma-Lux, C-161/06, Jurispr. blz. I-10841; 4 juni 2009, Balbiino, C-560/07, Jurispr. blz. I-4447, en 29 oktober 2009, Rakvere Lihakombinaat, C-140/08, Jurispr. blz. I-10533) aldus worden uitgelegd dat van een particulier de nakoming van de uit verordening (EG) nr. 1972/2003 van de Europese Commissie van 10 november 2003 (1) voortvloeiende verplichting kan worden geëist,
|
|
2) |
Kan uit artikel 58 van de Toetredingsakte juncto artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie alsook punt 3 van de considerans en artikel 4 van verordening (EG) nr. 1972/2003 van de Commissie van 10 november 2003 worden afgeleid dat een lidstaat van een particulier de belasting op overtollige voorraden kan invorderen, wanneer verordening nr. 1972/2003 op 1 mei 2004 niet in de Estse taal was bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, maar deze verordening, toen de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat later de belasting vaststelde, reeds in de Estse taal was bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie? |
(1) Verordening (EG) nr. 1972/2003 van de Commissie van 10 november 2003 betreffende de overgangsmaatregelen die voor het handelsverkeer van landbouwproducten moeten worden vastgesteld wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PB L 293, blz. 3).