Zaak C-394/11

Valeri Hariev Belov

tegen

CHEZ Elektro Balgaria AD e.a.

(verzoek van de Komisia za zashtita ot diskriminatsia een prejudiciële beslissing)

„Prejudiciële verwijzing — Artikel 267 VWEU — Begrip ‚nationale rechterlijke instantie’ — Onbevoegdheid van het Hof”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 31 januari 2013

Prejudiciële vragen – Voorlegging aan het Hof – Nationale rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU – Begrip

(Art. 267 VWEU)

Om vast te stellen of een nationaal orgaan dat krachtens de wet functies van verschillende aard uitoefent, als „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU moet worden aangemerkt, dient te worden nagegaan wat de specifieke aard is van de functies die het uitoefent in de bijzondere normatieve context waarin het zich tot het Hof wendt.

In dit verband kan een dergelijk orgaan niet als rechterlijke instantie worden aangemerkt wanneer, met betrekking tot de procedure waarin het zich tot het Hof wendt, wordt vastgesteld dat deze procedure kan worden ingeleid op initiatief van een partij, maar tevens ambtshalve door het orgaan, dat de toepasselijke voorschriften en de uitkomsten van de procedure dezelfde zijn ongeacht of de procedure wordt ingeleid middels een beroep dan wel ambtshalve, dat het orgaan op eigen gezag andere personen dan degenen die door de verzoekende partij zijn aangewezen, in de procedure kan betrekken, en dat het orgaan, wanneer zijn beslissing wordt aangevochten, de hoedanigheid van verweerder heeft en zijn beslissing kan intrekken.

(cf. punten 41, 43, 47-50)


Zaak C-394/11

Valeri Hariev Belov

tegen

CHEZ Elektro Balgaria AD e.a.

(verzoek van de Komisia za zashtita ot diskriminatsia een prejudiciële beslissing)

„Prejudiciële verwijzing — Artikel 267 VWEU — Begrip ‚nationale rechterlijke instantie’ — Onbevoegdheid van het Hof”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 31 januari 2013

Prejudiciële vragen — Voorlegging aan het Hof — Nationale rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU — Begrip

(Art. 267 VWEU)

Om vast te stellen of een nationaal orgaan dat krachtens de wet functies van verschillende aard uitoefent, als „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU moet worden aangemerkt, dient te worden nagegaan wat de specifieke aard is van de functies die het uitoefent in de bijzondere normatieve context waarin het zich tot het Hof wendt.

In dit verband kan een dergelijk orgaan niet als rechterlijke instantie worden aangemerkt wanneer, met betrekking tot de procedure waarin het zich tot het Hof wendt, wordt vastgesteld dat deze procedure kan worden ingeleid op initiatief van een partij, maar tevens ambtshalve door het orgaan, dat de toepasselijke voorschriften en de uitkomsten van de procedure dezelfde zijn ongeacht of de procedure wordt ingeleid middels een beroep dan wel ambtshalve, dat het orgaan op eigen gezag andere personen dan degenen die door de verzoekende partij zijn aangewezen, in de procedure kan betrekken, en dat het orgaan, wanneer zijn beslissing wordt aangevochten, de hoedanigheid van verweerder heeft en zijn beslissing kan intrekken.

(cf. punten 41, 43, 47-50)