Zaak C-387/11

Europese Commissie

tegen

Koninkrijk België

„Niet-nakoming — Artikelen 49 VWEU en 63 VWEU — Artikelen 31 en 40 EER-Overeenkomst — Belasting op inkomsten uit kapitaal en roerende goederen — Ingezeten en niet-ingezeten beleggingsvennootschappen — Roerende voorheffing — Verrekening van roerende voorheffing — Vrijstelling van inkomsten uit kapitaal en roerende goederen — Discriminatie — Rechtvaardigingsgronden”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 25 oktober 2012

  1. Vrijheid van vestiging – Vrij verkeer van kapitaal – Verdragsbepalingen – Werkingssfeer – Nationale wettelijke regeling die inkomsten uit kapitaal en roerende goederen die worden verkregen door niet-ingezeten beleggingsvennootschappen die geen vaste inrichting in lidstaat hebben, van bepaalde belastingvoordelen uitsluit – Toepasselijkheid van bepalingen betreffende zowel vrijheid van vestiging als vrij verkeer van kapitaal

    (Art. 49 VWEU en 63 VWEU)

  2. Vrijheid van vestiging – Vrij verkeer van kapitaal – Beperkingen – Belastingwetgeving – Nationale wettelijke regeling die inkomsten uit kapitaal en roerende goederen die worden verkregen door niet-ingezeten beleggingsvennootschappen die geen vaste inrichting in lidstaat hebben, van bepaalde belastingvoordelen uitsluit – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Geen

    (Art. 49 VWEU en 63 VWEU; EER-Overeenkomst, art. 31 en 40)

  3. Vrijheid van vestiging – Vrij verkeer van kapitaal – Beperkingen – Belastingwetgeving – Nationale wettelijke regeling die inkomsten uit kapitaal en roerende goederen die worden verkregen door niet-ingezeten beleggingsvennootschappen die geen vaste inrichting in lidstaat hebben, van bepaalde belastingvoordelen uitsluit – Ontoelaatbaarheid – Dubbelebelastingverdragen met andere staten – Geen invloed

    (Art. 49 VWEU en 63 VWEU)

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 33-35)

  2.  Door regels inzake de belasting op inkomsten uit kapitaal en roerende goederen te handhaven die verschillen naargelang deze inkomsten worden verkregen door ingezeten beleggingsvennootschappen of door niet-ingezeten beleggingsvennootschappen die geen vaste inrichting in de lidstaat hebben, is deze lidstaat de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 49 VWEU en 63 VWEU alsook de artikelen 31 en 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

    Een belastingwetgeving die bepaalde belastingvoordelen niet toekent voor inkomsten die worden verkregen door niet-ingezeten beleggingsvennootschappen die geen vaste inrichting in de lidstaat hebben, terwijl zij die wél toekent voor inkomsten die worden verkregen door ingezeten beleggingsvennootschappen, behandelt niet-ingezeten vennootschappen immers minder gunstig.

    Een dergelijk verschil in behandeling kan slechts verenigbaar met de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging worden geacht, indien dat verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.

    Ten zake van het risico dat inkomsten uit kapitaal en roerende goederen aan opeenvolgende belastingheffingen worden onderworpen, bevinden niet-ingezeten vennootschappen die deze inkomsten ontvangen, zich evenwel in een situatie die vergelijkbaar is met die van ingezeten vennootschappen, zodat niet-ingezeten vennootschappen die inkomsten verkrijgen, niet anders mogen worden behandeld dan ingezeten vennootschappen die inkomsten verkrijgen.

    Voorts wordt een dergelijke beperking niet gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang. Ten eerste wordt zij niet gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid te waarborgen, gelet op het feit dat een lidstaat die ervoor heeft gekozen om geen belasting over dit soort inkomsten te heffen van op zijn grondgebied gevestigde ontvangende vennootschappen, geen beroep kan doen op de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen ter rechtvaardiging van het feit dat hij belasting heft van ontvangende vennootschappen die in een andere lidstaat zijn gevestigd.

    Ten tweede wordt een dergelijke maatregel niet gerechtvaardigd door redenen die verband houden met de samenhang van het belastingstelsel, aangezien niet-ingezeten beleggingsvennootschappen hoe dan ook niet in aanmerking komen voor de vrijstelling van inkomsten uit kapitaal en roerende goederen die zij ontvangen van vennootschappen die gevestigd zijn in de lidstaat van heffing, en evenmin aanspraak kunnen maken op verrekening of teruggaaf van de roerende voorheffing, ongeacht de waarborgen die zij op het gebied van de belastingcontrole kunnen bieden.

    (cf. punten 38-40, 45, 51, 74-76, 80, 81, 83, dictum 1)

  3.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 55-58)


Zaak C-387/11

Europese Commissie

tegen

Koninkrijk België

„Niet-nakoming — Artikelen 49 VWEU en 63 VWEU — Artikelen 31 en 40 EER-Overeenkomst — Belasting op inkomsten uit kapitaal en roerende goederen — Ingezeten en niet-ingezeten beleggingsvennootschappen — Roerende voorheffing — Verrekening van roerende voorheffing — Vrijstelling van inkomsten uit kapitaal en roerende goederen — Discriminatie — Rechtvaardigingsgronden”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 25 oktober 2012

  1. Vrijheid van vestiging — Vrij verkeer van kapitaal — Verdragsbepalingen — Werkingssfeer — Nationale wettelijke regeling die inkomsten uit kapitaal en roerende goederen die worden verkregen door niet-ingezeten beleggingsvennootschappen die geen vaste inrichting in lidstaat hebben, van bepaalde belastingvoordelen uitsluit — Toepasselijkheid van bepalingen betreffende zowel vrijheid van vestiging als vrij verkeer van kapitaal

    (Art. 49 VWEU en 63 VWEU)

  2. Vrijheid van vestiging — Vrij verkeer van kapitaal — Beperkingen — Belastingwetgeving — Nationale wettelijke regeling die inkomsten uit kapitaal en roerende goederen die worden verkregen door niet-ingezeten beleggingsvennootschappen die geen vaste inrichting in lidstaat hebben, van bepaalde belastingvoordelen uitsluit — Ontoelaatbaarheid — Rechtvaardiging — Geen

    (Art. 49 VWEU en 63 VWEU; EER-Overeenkomst, art. 31 en 40)

  3. Vrijheid van vestiging — Vrij verkeer van kapitaal — Beperkingen — Belastingwetgeving — Nationale wettelijke regeling die inkomsten uit kapitaal en roerende goederen die worden verkregen door niet-ingezeten beleggingsvennootschappen die geen vaste inrichting in lidstaat hebben, van bepaalde belastingvoordelen uitsluit — Ontoelaatbaarheid — Dubbelebelastingverdragen met andere staten — Geen invloed

    (Art. 49 VWEU en 63 VWEU)

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 33-35)

  2.  Door regels inzake de belasting op inkomsten uit kapitaal en roerende goederen te handhaven die verschillen naargelang deze inkomsten worden verkregen door ingezeten beleggingsvennootschappen of door niet-ingezeten beleggingsvennootschappen die geen vaste inrichting in de lidstaat hebben, is deze lidstaat de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 49 VWEU en 63 VWEU alsook de artikelen 31 en 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

    Een belastingwetgeving die bepaalde belastingvoordelen niet toekent voor inkomsten die worden verkregen door niet-ingezeten beleggingsvennootschappen die geen vaste inrichting in de lidstaat hebben, terwijl zij die wél toekent voor inkomsten die worden verkregen door ingezeten beleggingsvennootschappen, behandelt niet-ingezeten vennootschappen immers minder gunstig.

    Een dergelijk verschil in behandeling kan slechts verenigbaar met de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging worden geacht, indien dat verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.

    Ten zake van het risico dat inkomsten uit kapitaal en roerende goederen aan opeenvolgende belastingheffingen worden onderworpen, bevinden niet-ingezeten vennootschappen die deze inkomsten ontvangen, zich evenwel in een situatie die vergelijkbaar is met die van ingezeten vennootschappen, zodat niet-ingezeten vennootschappen die inkomsten verkrijgen, niet anders mogen worden behandeld dan ingezeten vennootschappen die inkomsten verkrijgen.

    Voorts wordt een dergelijke beperking niet gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang. Ten eerste wordt zij niet gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid te waarborgen, gelet op het feit dat een lidstaat die ervoor heeft gekozen om geen belasting over dit soort inkomsten te heffen van op zijn grondgebied gevestigde ontvangende vennootschappen, geen beroep kan doen op de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen ter rechtvaardiging van het feit dat hij belasting heft van ontvangende vennootschappen die in een andere lidstaat zijn gevestigd.

    Ten tweede wordt een dergelijke maatregel niet gerechtvaardigd door redenen die verband houden met de samenhang van het belastingstelsel, aangezien niet-ingezeten beleggingsvennootschappen hoe dan ook niet in aanmerking komen voor de vrijstelling van inkomsten uit kapitaal en roerende goederen die zij ontvangen van vennootschappen die gevestigd zijn in de lidstaat van heffing, en evenmin aanspraak kunnen maken op verrekening of teruggaaf van de roerende voorheffing, ongeacht de waarborgen die zij op het gebied van de belastingcontrole kunnen bieden.

    (cf. punten 38-40, 45, 51, 74-76, 80, 81, 83, dictum 1)

  3.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 55-58)