Zaak C‑292/11 P
Europese Commissie
tegen
Portugese Republiek
„Hogere voorziening — Uitvoering van een niet-nakomingsarrest van het Hof — Dwangsom — Vordering tot betaling — Intrekking van de nationale wettelijke regeling waarop de niet-nakoming berustte — Beoordeling door de Commissie van de door een lidstaat genomen maatregelen om een arrest van het Hof na te komen — Grenzen — Verdeling van de bevoegdheid tussen het Hof en het Gerecht”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 januari 2014
Beroep wegens niet-nakoming — Arrest van het Hof waarin de niet-nakoming wordt vastgesteld — Niet-nakoming van de verplichting om het arrest uit te voeren — Bijzondere gerechtelijke procedure om de uitvoering van arresten van het Hof af te dwingen — Behandeling van de niet-nakomingen die het Hof krachtens artikel 258 VWEU heeft vastgesteld
(Art. 258 VWEU en 260, lid 2, VWEU)
Beroep wegens niet-nakoming — Arrest van het Hof waarbij een niet-nakoming wordt vastgesteld van de verplichting tot uitvoering van een arrest en waarbij een dwangsom wordt opgelegd — Beoordeling door de Commissie van de door de lidstaat genomen maatregelen om het arrest van het Hof na te komen — Grenzen
(Art. 258 VWEU tot met 260 VWEU)
Gerechtelijke procedure — Verdeling van de bevoegdheid tussen het Hof en het Gerecht — Beroep tot nietigverklaring dat door een lidstaat is ingesteld tegen een besluit van de Commissie waarbij het bedrag wordt bepaald van de dwangsom die verschuldigd is ter uitvoering van een arrest van het Hof — Bevoegdheid van het Gerecht om toezicht uit te oefenen op de beoordeling door de Commissie van de betrokken nationale regeling — Grenzen
(Art. 256, lid 1, eerste alinea, VWEU en 260, lid 2, VWEU)
Gerechtelijke procedure — Motivering van arresten — Draagwijdte
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 36)
De in artikel 260 VWEU bedoelde procedure kan alleen betrekking hebben op de niet-nakoming van krachtens het VWEU op een lidstaat rustende verplichtingen die het Hof krachtens artikel 258 VWEU heeft vastgesteld.
Anders dan bij de in artikel 258 VWEU vastgestelde procedure, die ertoe strekt te doen vaststellen dat een gedraging van een lidstaat in strijd is met het Unierecht en die gedraging te doen ophouden, heeft de procedure van artikel 260 VWEU namelijk een veel beperkter doel, aangezien zij alleen beoogt een in gebreke gebleven lidstaat ertoe te brengen een niet-nakomingsarrest uit te voeren. Laatstgenoemde procedure moet dus als een bijzondere gerechtelijke procedure om de uitvoering van arresten van het Hof af te dwingen, met andere woorden als een executiemiddel, worden beschouwd.
(cf. punten 39, 40)
Wanneer in het kader van de toetsing van de uitvoering van een krachtens artikel 260 VWEU door het Hof gewezen arrest tussen de Commissie en de betrokken lidstaat een meningsverschil bestaat over de vraag of een nationale praktijk of regeling die niet eerder door het Hof is onderzocht, passend is om een dergelijk arrest uit te voeren, mag de Commissie niet door een besluit vast te stellen zelf een dergelijk meningsverschil beslechten en er de nodige gevolgen aan verbinden voor de berekening van de dwangsom.
Hoewel de Commissie in het kader van de uitvoering van een arrest van het Hof waarbij aan een lidstaat een dwangsom wordt opgelegd, inderdaad de maatregelen moet kunnen toetsen die deze lidstaat heeft genomen ter nakoming van het arrest van veroordeling, mag bij de uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid echter niet worden geraakt aan de uitsluitende bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het Unierecht. Aangezien volgens het stelsel van de artikelen 258 VWEU tot en met 260 VWEU alleen in een arrest van het Hof de rechten en verplichtingen van de lidstaten kunnen worden vastgesteld en de gedragingen die lidstaten kunnen worden beoordeeld, moet de Commissie bij de toetsing van de door een lidstaat ter nakoming van een arrest van het Hof genomen maatregelen en bij de inning van de op grond van de opgelegde sancties verschuldigde bedragen, rekening houden met de wijze waarop het Hof de niet-nakoming heeft afgebakend in zijn krachtens de artikelen 258 VWEU en 260 VWEU gewezen arrest.
De Commissie een ruimere beoordelingsmarge toekennen voor de toetsing van de maatregelen ter uitvoering van een krachtens artikel 260, lid 2, VWEU gewezen arrest, zou bovendien leiden tot schending van de procedurele rechten van verdediging waarover de lidstaten in het kader van een niet-nakomingsprocedure beschikken. Volgens de artikelen 258 VWEU tot en met 260 VWEU kunnen de lidstaten die volgens de Commissie de krachtens het Unierecht op hen rustende verplichtingen niet zijn nagekomen, immers hun standpunt met name te kennen geven tijdens een precontentieuze fase. Die fase van de procedure heeft precies tot doel, de betrokken lidstaat de gelegenheid te geven zijn verplichtingen na te komen of nuttig verweer te voeren tegen de grieven van de Commissie.
(cf. punten 41, 47‑49, 52, 55, 56)
In het kader van een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de Commissie waarbij het bedrag wordt bepaald dat een lidstaat verschuldigd is uit hoofde van de dwangsom waartoe hij door het Hof krachtens artikel 260, lid 2, VWEU is veroordeeld, mag het Gerecht zich niet uitspreken over de beoordeling door de Commissie of een nationale praktijk of regeling die niet eerder door het Hof is onderzocht, passend is om een dergelijk niet-nakomingsarrest uit te voeren. Anders zou het Gerecht namelijk onvermijdelijk uitspraak moeten doen over de verenigbaarheid van een dergelijke praktijk of regeling met het Unierecht en aldus inbreuk maken op de uitsluitende bevoegdheid van het Hof ter zake.
(cf. punt 51)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 72)
Zaak C‑292/11 P
Europese Commissie
tegen
Portugese Republiek
„Hogere voorziening — Uitvoering van een niet-nakomingsarrest van het Hof — Dwangsom — Vordering tot betaling — Intrekking van de nationale wettelijke regeling waarop de niet-nakoming berustte — Beoordeling door de Commissie van de door een lidstaat genomen maatregelen om een arrest van het Hof na te komen — Grenzen — Verdeling van de bevoegdheid tussen het Hof en het Gerecht”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 januari 2014
Beroep wegens niet-nakoming – Arrest van het Hof waarin de niet-nakoming wordt vastgesteld – Niet-nakoming van de verplichting om het arrest uit te voeren – Bijzondere gerechtelijke procedure om de uitvoering van arresten van het Hof af te dwingen – Behandeling van de niet-nakomingen die het Hof krachtens artikel 258 VWEU heeft vastgesteld
(Art. 258 VWEU en 260, lid 2, VWEU)
Beroep wegens niet-nakoming – Arrest van het Hof waarbij een niet-nakoming wordt vastgesteld van de verplichting tot uitvoering van een arrest en waarbij een dwangsom wordt opgelegd – Beoordeling door de Commissie van de door de lidstaat genomen maatregelen om het arrest van het Hof na te komen – Grenzen
(Art. 258 VWEU tot met 260 VWEU)
Gerechtelijke procedure – Verdeling van de bevoegdheid tussen het Hof en het Gerecht – Beroep tot nietigverklaring dat door een lidstaat is ingesteld tegen een besluit van de Commissie waarbij het bedrag wordt bepaald van de dwangsom die verschuldigd is ter uitvoering van een arrest van het Hof – Bevoegdheid van het Gerecht om toezicht uit te oefenen op de beoordeling door de Commissie van de betrokken nationale regeling – Grenzen
(Art. 256, lid 1, eerste alinea, VWEU en 260, lid 2, VWEU)
Gerechtelijke procedure – Motivering van arresten – Draagwijdte
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 36)
De in artikel 260 VWEU bedoelde procedure kan alleen betrekking hebben op de niet-nakoming van krachtens het VWEU op een lidstaat rustende verplichtingen die het Hof krachtens artikel 258 VWEU heeft vastgesteld.
Anders dan bij de in artikel 258 VWEU vastgestelde procedure, die ertoe strekt te doen vaststellen dat een gedraging van een lidstaat in strijd is met het Unierecht en die gedraging te doen ophouden, heeft de procedure van artikel 260 VWEU namelijk een veel beperkter doel, aangezien zij alleen beoogt een in gebreke gebleven lidstaat ertoe te brengen een niet-nakomingsarrest uit te voeren. Laatstgenoemde procedure moet dus als een bijzondere gerechtelijke procedure om de uitvoering van arresten van het Hof af te dwingen, met andere woorden als een executiemiddel, worden beschouwd.
(cf. punten 39, 40)
Wanneer in het kader van de toetsing van de uitvoering van een krachtens artikel 260 VWEU door het Hof gewezen arrest tussen de Commissie en de betrokken lidstaat een meningsverschil bestaat over de vraag of een nationale praktijk of regeling die niet eerder door het Hof is onderzocht, passend is om een dergelijk arrest uit te voeren, mag de Commissie niet door een besluit vast te stellen zelf een dergelijk meningsverschil beslechten en er de nodige gevolgen aan verbinden voor de berekening van de dwangsom.
Hoewel de Commissie in het kader van de uitvoering van een arrest van het Hof waarbij aan een lidstaat een dwangsom wordt opgelegd, inderdaad de maatregelen moet kunnen toetsen die deze lidstaat heeft genomen ter nakoming van het arrest van veroordeling, mag bij de uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid echter niet worden geraakt aan de uitsluitende bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het Unierecht. Aangezien volgens het stelsel van de artikelen 258 VWEU tot en met 260 VWEU alleen in een arrest van het Hof de rechten en verplichtingen van de lidstaten kunnen worden vastgesteld en de gedragingen die lidstaten kunnen worden beoordeeld, moet de Commissie bij de toetsing van de door een lidstaat ter nakoming van een arrest van het Hof genomen maatregelen en bij de inning van de op grond van de opgelegde sancties verschuldigde bedragen, rekening houden met de wijze waarop het Hof de niet-nakoming heeft afgebakend in zijn krachtens de artikelen 258 VWEU en 260 VWEU gewezen arrest.
De Commissie een ruimere beoordelingsmarge toekennen voor de toetsing van de maatregelen ter uitvoering van een krachtens artikel 260, lid 2, VWEU gewezen arrest, zou bovendien leiden tot schending van de procedurele rechten van verdediging waarover de lidstaten in het kader van een niet-nakomingsprocedure beschikken. Volgens de artikelen 258 VWEU tot en met 260 VWEU kunnen de lidstaten die volgens de Commissie de krachtens het Unierecht op hen rustende verplichtingen niet zijn nagekomen, immers hun standpunt met name te kennen geven tijdens een precontentieuze fase. Die fase van de procedure heeft precies tot doel, de betrokken lidstaat de gelegenheid te geven zijn verplichtingen na te komen of nuttig verweer te voeren tegen de grieven van de Commissie.
(cf. punten 41, 47‑49, 52, 55, 56)
In het kader van een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de Commissie waarbij het bedrag wordt bepaald dat een lidstaat verschuldigd is uit hoofde van de dwangsom waartoe hij door het Hof krachtens artikel 260, lid 2, VWEU is veroordeeld, mag het Gerecht zich niet uitspreken over de beoordeling door de Commissie of een nationale praktijk of regeling die niet eerder door het Hof is onderzocht, passend is om een dergelijk niet-nakomingsarrest uit te voeren. Anders zou het Gerecht namelijk onvermijdelijk uitspraak moeten doen over de verenigbaarheid van een dergelijke praktijk of regeling met het Unierecht en aldus inbreuk maken op de uitsluitende bevoegdheid van het Hof ter zake.
(cf. punt 51)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punt 72)