8.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 379/9


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 18 oktober 2012 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato — Italië) — Rosanna Valenza (C-302/11 en C-304/11), Maria Laura Altavista (C-303/11), Laura Marsella, Simonetta Schettini, Sabrina Tomassini (C-305/11)/Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato

(Gevoegde zaken C-302/11–C-305/11) (1)

(Sociale politiek - Richtlijn 1999/70/EG - Raamovereenkomst EVV, UNICE et CEEP over arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - Clausule 4 - Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in overheidssector - Nationale mededingingsautoriteit - Consolideringsprocedure - Aanstelling van werknemers met arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als statutair ambtenaar zonder openbaar vergelijkend onderzoek - Bepaling van anciënniteit - Geheel buiten beschouwing laten van tijdvakken van dienst vervuld in kader van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - Discriminatieverbod)

2012/C 379/15

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Rosanna Valenza (C-302/11 en C-304/11), Maria Laura Altavista (C-303/11), Laura Marsella, Simonetta Schettini, Sabrina Tomassini (C-305/11)

Verwerende partij: Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato

Voorwerp

Verzoeken om een prejudiciële beslissing — Consiglio di Stato — Uitlegging van de clausules 4 en 5 van de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43) — Nationale wettelijke regeling op grond waarvan overheidsdiensten, in afwijking van het beginsel dat overheidsambtenaren bij wege van een openbaar vergelijkend onderzoek dienen te worden aangeworven, arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd kunnen sluiten met werknemers die reeds op grond van overeenkomsten voor bepaalde tijd bij hen werkzaam waren — Niet-inaanmerkingneming van de onder de eerdere overeenkomst voor bepaalde tijd verworven anciënniteit, zelfs niet in geval de arbeidsverhouding zonder onderbreking wordt voortgezet

Dictum

Clausule 4 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moet aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan nationale wettelijke bepalingen zoals aan de orde in de hoofdgedingen, die volledig uitsluiten dat een overheidsorgaan dat een werknemer met een overeenkomst voor bepaalde tijd in vaste dienst aanstelt als statutair ambtenaar in het kader van een specifieke procedure voor consolidering van de arbeidsverhouding van die werknemer, voor de vaststelling van diens anciënniteit rekening houdt met tijdvakken waarin hij bij dat orgaan op basis van een overeenkomst voor bepaalde tijd in dienst is geweest, tenzij die uitsluiting gerechtvaardigd is om „objectieve redenen” in de zin van de punten 1 en/of 4 van die clausule. Het enkele feit dat de werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gedurende die tijdvakken in dienst is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst of verhouding voor bepaalde tijd, vormt geen dergelijke objectieve reden.


(1)  PB C 252 van 27.8.2011.