|
20.4.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 114/9 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 21 februari 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus — Finland) — A Oy
(Zaak C-123/11) (1)
(Vrijheid van vestiging - Artikel 49 VWEU - Belastingwetgeving - Fusie tussen in verschillende lidstaat gevestigde moedermaatschappij en dochteronderneming - Mogelijkheid voor moedermaatschappij tot aftrek van bedrijfsverlies van dochteronderneming - Uitsluiting voor niet-ingezeten dochterondernemingen)
2013/C 114/10
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Korkein hallinto-oikeus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: A Oy
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Korkein hallinto-oikeus — Uitlegging van de artikelen 49 VWEU en 54 VWEU — Vrijheid van vestiging — Nationale belastingwetgeving — Fusie van een in een lidstaat gevestigde moedermaatschappij met haar dochteronderneming die haar activiteit in een andere lidstaat heeft gestaakt — Mogelijkheid voor de overnemende vennootschap om het geconsolideerde verlies dat de overgenomen vennootschap uit haar bedrijfsactiviteiten in de andere lidstaat heeft geleden, in aftrek te brengen in haar vestigingsstaat
Dictum
|
1) |
De artikelen 49 VWEU en 54 VWEU verzetten zich in de omstandigheden van het hoofdgeding niet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke het voor een moedermaatschappij die fuseert met een in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming die haar activiteit heeft stopgezet, niet mogelijk is om het verlies dat deze dochteronderneming in de belastingjaren vóór de fusie heeft geleden, van haar belastbaar inkomen af te trekken, terwijl deze aftrekmogelijkheid volgens deze nationale wettelijke regeling wel bestaat wanneer de fusie met een ingezeten dochteronderneming wordt aangegaan. Een dergelijke nationale wettelijke regeling is niettemin onverenigbaar met het recht van de Unie wanneer de moedermaatschappij de mogelijkheid wordt ontzegd om aan te tonen dat haar niet-ingezeten dochteronderneming alle mogelijkheden tot verrekening van dat verlies heeft uitgeput, en dat zijzelf noch een derde dat verlies in haar lidstaat van vestiging kan verrekenen in toekomstige belastingjaren. |
|
2) |
De regels voor de berekening van het verlies van de niet-ingezeten dochteronderneming met het oog op overname van dat verlies door de ingezeten moedermaatschappij bij een transactie als die in het hoofdgeding, mogen niet leiden tot een ongelijke behandeling, vergeleken met de berekeningsregels die van toepassing zouden zijn wanneer deze fusie met een ingezeten dochteronderneming zou zijn aangegaan. |