Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 19 januari 2012 — Strafzaak tegen Patriciello

(Zaak C‑496/10)

„Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor procesvoering — Lid van het Europees Parlement — Protocol betreffende voorrechten en immuniteiten — Artikel 8 — Strafvervolging wegens belediging — Verklaringen afgelegd buiten gebouw van Parlement — Begrip ‚in uitoefening van ambt uitgebrachte mening’ — Immuniteit — Voorwaarden”

Voorrechten en immuniteiten van Europese Unie — Leden van het Europees Parlement — Immuniteit voor in uitoefening van hun ambt uitgebrachte meningen en stemmen — Begrip in uitoefening van ambt uitgebrachte mening — Toepassing in kader van procedure in rechte tegen lid van het Parlement — Bevoegdheid van aangezochte rechterlijke instantie (Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, art. 8) (cf. punten 15‑17, 19 en dictum)

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Ufficio del Giudice di Pace di Venafro — Uitlegging van de artikelen 9 en 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (PB 1967, 152, blz. 13) — Lid van het Europees Parlement beschuldigd van belediging wegens onterechte beschuldiging van een politiebeambte — Begrip „in de uitoefening van het parlementaire ambt uitgebrachte mening”

Dictum

Artikel 8 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat als bijlage aan het VEU, het VWEU en het Euratom-Verdrag is gehecht, moet aldus worden uitgelegd dat een door een Europees afgevaardigde buiten het Europees Parlement afgelegde verklaring die in zijn lidstaat van herkomst tot strafvervolging wegens belediging heeft geleid, slechts een in de uitoefening van zijn parlementair ambt uitgebrachte mening vormt die onder de in die bepaling neergelegde immuniteit valt, wanneer die verklaring een subjectieve beoordeling weergeeft die een rechtstreeks en voor de hand liggend verband vertoont met de uitoefening van dat ambt. De verwijzende rechterlijke instantie dient te beoordelen of die voorwaarden in de hoofdzaak zijn vervuld.