Zaak C-614/10

Europese Commissie

tegen

Republiek Oostenrijk

„Niet-nakoming — Richtlijn 95/46/EG — Verwerking van persoonsgegevens en vrij verkeer van die gegevens — Bescherming van natuurlijke personen — Artikel 28, lid 1 — Nationale toezichthoudende autoriteit — Onafhankelijkheid — Toezichthoudende autoriteit en bondskanselarij — Personele en organisatorische banden”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 16 oktober 2012

  1. Harmonisatie van wetgevingen – Bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens – Richtlijn 95/46 – Nationale toezichthoudende autoriteiten – Vereiste van onafhankelijkheid – Strekking – Nationale regeling die voorziet in personele en organisatorische banden tussen autoriteit en staat – Ontoelaatbaarheid – Niet-nakoming

    (Richtlijn 95/46 van het Europees Parlement en de Raad, art. 28, lid 1, tweede alinea)

  2. Harmonisatie van wetgevingen – Bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens – Richtlijn 95/46 – Nationale toezichthoudende autoriteiten – Vereiste van onafhankelijkheid – Strekking – Verplichting om over autonome begrotingslijn te beschikken – Geen

    (Verordening nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad, art. 43, lid 3; richtlijn 95/46 van het Europees Parlement en de Raad, art. 28, lid 1, tweede alinea)

  1.  De woorden „in volledige onafhankelijkheid” in artikel 28, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 95/46 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens moeten in die zin worden uitgelegd dat de autoriteiten die toezicht houden op de verwerking van persoonsgegevens, een onafhankelijkheid moeten genieten die hen in staat stelt om hun taken zonder beïnvloeding van buitenaf te vervullen. Dat een dergelijke autoriteit functionele onafhankelijkheid geniet, in die zin dat haar leden bij de uitoefening van hun functie onafhankelijk zijn en door geen enkele instructie zijn gebonden, volstaat in dit verband als zodanig niet om die toezichthoudende autoriteit voor elke beïnvloeding van buitenaf te behoeden. Met de bij genoemd artikel 28, lid 1, tweede alinea, vereiste onafhankelijkheid wordt niet alleen beoogd rechtstreekse beïnvloeding – in de vorm van instructies – uit te sluiten, maar tevens elke vorm van indirecte beïnvloeding die de beslissingen van de toezichthoudende autoriteit zou kunnen sturen. Gelet op de door de toezichthoudende autoriteiten vervulde rol van hoeders van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, vereist dit artikel 28, lid 1, tweede alinea, bovendien dat de beslissingen van deze autoriteiten, en dus de autoriteiten zelf, boven iedere verdenking van partijdigheid verheven zijn.

    Een lidstaat die niet alle nodige maatregelen neemt om te verzekeren dat de nationale wettelijke regeling, wat de nationale toezichthoudende autoriteit betreft, voldoet aan het criterium van onafhankelijkheid, meer specifiek, door een regeling in te stellen op grond waarvan

    – de bestuurder ervan een staatsambtenaar is die is onderworpen aan bestuurlijk toezicht,

    – het secretariaat ervan is geïntegreerd in de diensten van de nationale overheid, en

    – de nationale regeringsleider een onvoorwaardelijk recht heeft op informatie over alle aspecten van het beheer van de autoriteit,

    komt bijgevolg de krachtens artikel 28, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 95/46 op hem rustende verplichtingen niet na.

    (cf. punten 41-43, 52, 66 en dictum)

  2.  Om aan het criterium van onafhankelijkheid van artikel 28, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 95/46 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens te kunnen voldoen hoeft een nationale toezichthoudende autoriteit niet te beschikken over een autonome begrotingslijn, zoals die welke is voorzien in artikel 43, lid 3, van verordening nr. 45/2001 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. De lidstaten zijn immers niet verplicht om in hun nationale wettelijke regeling voorschriften op te nemen die vergelijkbaar zijn met die van hoofdstuk V van verordening nr. 45/2001, om aan hun toezichthoudende autoriteit(en) volledige onafhankelijkheid te verzekeren, en zij kunnen dus bepalen dat vanuit het oogpunt van het begrotingsrecht de toezichthoudende autoriteit onder een bepaalde afdeling van een ministerie valt. De toekenning van het personeel en de materiële middelen die noodzakelijk zijn voor een dergelijke autoriteit, mag echter niet beletten dat deze haar taken „in volledige onafhankelijkheid” vervult in de zin van artikel 28, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 95/46.

    (cf. punt 58)


Zaak C-614/10

Europese Commissie

tegen

Republiek Oostenrijk

„Niet-nakoming — Richtlijn 95/46/EG — Verwerking van persoonsgegevens en vrij verkeer van die gegevens — Bescherming van natuurlijke personen — Artikel 28, lid 1 — Nationale toezichthoudende autoriteit — Onafhankelijkheid — Toezichthoudende autoriteit en bondskanselarij — Personele en organisatorische banden”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 16 oktober 2012

  1. Harmonisatie van wetgevingen — Bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens — Richtlijn 95/46 — Nationale toezichthoudende autoriteiten — Vereiste van onafhankelijkheid — Strekking — Nationale regeling die voorziet in personele en organisatorische banden tussen autoriteit en staat — Ontoelaatbaarheid — Niet-nakoming

    (Richtlijn 95/46 van het Europees Parlement en de Raad, art. 28, lid 1, tweede alinea)

  2. Harmonisatie van wetgevingen — Bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens — Richtlijn 95/46 — Nationale toezichthoudende autoriteiten — Vereiste van onafhankelijkheid — Strekking — Verplichting om over autonome begrotingslijn te beschikken — Geen

    (Verordening nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad, art. 43, lid 3; richtlijn 95/46 van het Europees Parlement en de Raad, art. 28, lid 1, tweede alinea)

  1.  De woorden „in volledige onafhankelijkheid” in artikel 28, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 95/46 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens moeten in die zin worden uitgelegd dat de autoriteiten die toezicht houden op de verwerking van persoonsgegevens, een onafhankelijkheid moeten genieten die hen in staat stelt om hun taken zonder beïnvloeding van buitenaf te vervullen. Dat een dergelijke autoriteit functionele onafhankelijkheid geniet, in die zin dat haar leden bij de uitoefening van hun functie onafhankelijk zijn en door geen enkele instructie zijn gebonden, volstaat in dit verband als zodanig niet om die toezichthoudende autoriteit voor elke beïnvloeding van buitenaf te behoeden. Met de bij genoemd artikel 28, lid 1, tweede alinea, vereiste onafhankelijkheid wordt niet alleen beoogd rechtstreekse beïnvloeding – in de vorm van instructies – uit te sluiten, maar tevens elke vorm van indirecte beïnvloeding die de beslissingen van de toezichthoudende autoriteit zou kunnen sturen. Gelet op de door de toezichthoudende autoriteiten vervulde rol van hoeders van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, vereist dit artikel 28, lid 1, tweede alinea, bovendien dat de beslissingen van deze autoriteiten, en dus de autoriteiten zelf, boven iedere verdenking van partijdigheid verheven zijn.

    Een lidstaat die niet alle nodige maatregelen neemt om te verzekeren dat de nationale wettelijke regeling, wat de nationale toezichthoudende autoriteit betreft, voldoet aan het criterium van onafhankelijkheid, meer specifiek, door een regeling in te stellen op grond waarvan

    – de bestuurder ervan een staatsambtenaar is die is onderworpen aan bestuurlijk toezicht,

    – het secretariaat ervan is geïntegreerd in de diensten van de nationale overheid, en

    – de nationale regeringsleider een onvoorwaardelijk recht heeft op informatie over alle aspecten van het beheer van de autoriteit,

    komt bijgevolg de krachtens artikel 28, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 95/46 op hem rustende verplichtingen niet na.

    (cf. punten 41-43, 52, 66 en dictum)

  2.  Om aan het criterium van onafhankelijkheid van artikel 28, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 95/46 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens te kunnen voldoen hoeft een nationale toezichthoudende autoriteit niet te beschikken over een autonome begrotingslijn, zoals die welke is voorzien in artikel 43, lid 3, van verordening nr. 45/2001 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. De lidstaten zijn immers niet verplicht om in hun nationale wettelijke regeling voorschriften op te nemen die vergelijkbaar zijn met die van hoofdstuk V van verordening nr. 45/2001, om aan hun toezichthoudende autoriteit(en) volledige onafhankelijkheid te verzekeren, en zij kunnen dus bepalen dat vanuit het oogpunt van het begrotingsrecht de toezichthoudende autoriteit onder een bepaalde afdeling van een ministerie valt. De toekenning van het personeel en de materiële middelen die noodzakelijk zijn voor een dergelijke autoriteit, mag echter niet beletten dat deze haar taken „in volledige onafhankelijkheid” vervult in de zin van artikel 28, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 95/46.

    (cf. punt 58)