Zaak C-591/10
Littlewoods Retail Ltd e.a.
tegen
Her Majesty’s Commissioners of Revenue and Customs
[verzoek van de High Court of Justice (England and Wales), Chancery Division, om een prejudiciële beslissing]
„Tweede en Zesde btw-richtlijn — Voorbelasting — Teruggaaf van overschot — Betaling van rente — Voorwaarden”
Samenvatting van het arrest
Recht van Europese Unie — Rechten toegekend aan particulieren — Belastingen geheven in strijd met recht van Unie — Teruggaaf van belasting over toegevoegde waarde en betaling van rente op bedrag daarvan — Voorwaarden — Toepassing van nationaal recht — Grenzen — Inachtneming van doeltreffendheids- en gelijkwaardigheidsbeginsel — Toetsing door nationale rechter
(Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 11, C, lid 1)
Het recht van de Unie moet aldus moet worden uitgelegd dat de belastingplichtige die te veel belasting over de toegevoegde waarde heeft betaald, welke door de betrokken lidstaat in strijd met de Unierechtelijke regels inzake belasting over de toegevoegde waarde is geheven, recht heeft op teruggaaf van de in strijd met het Unierecht geheven belasting alsook op betaling van rente over de terug te geven hoofdsom. Het staat aan de nationale rechter om, met inachtneming van het doeltreffendheids- en het gelijkwaardigheidsbeginsel, uit te maken of over de terug te geven hoofdsom „enkelvoudige rente” dan wel „samengestelde rente” of nog een ander soort rente dient te worden betaald.
Het doeltreffendheidsbeginsel, dat een lidstaat verbiedt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk te maken, verlangt dat de nationale voorschriften inzake met name de berekening van de eventueel verschuldigde rente niet ertoe leiden dat de belastingplichtige geen passende vergoeding krijgt voor het verlies dat hij als gevolg van de onverschuldigde betaling van belasting over de toegevoegde waarde heeft geleden. Het staat aan de nationale rechter dit te onderzoeken.
Het gelijkwaardigheidsbeginsel veronderstelt dat de betrokken nationale bepaling gelijkelijk van toepassing is op vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het Unierecht en op vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het nationale recht, voor zover die vorderingen hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak hebben. Dit beginsel kan evenwel niet aldus worden uitgelegd, dat een lidstaat verplicht is zijn gunstigste nationale regeling toe te passen op alle vorderingen die op een bepaald gebied van het recht worden ingesteld. Om zich ervan te vergewissen of dit beginsel is geëerbiedigd, moet de verwijzende rechter, die als enige rechtstreeks bekend is met de procedurevoorschriften voor beroepen tot restitutie tegen de staat, nagaan of de procedureregels die in het nationale recht de bescherming van de door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten moeten waarborgen, in overeenstemming zijn met dit beginsel, en zowel het voorwerp als de voornaamste kenmerken onderzoeken van vorderingen op basis van nationaal recht, waarvan wordt gesteld dat het vergelijkbare vorderingen zijn. Uit dien hoofde staat het aan de nationale rechter na te gaan of de betrokken beroepen vergelijkbaar zijn wat hun voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken betreft.
(cf. punten 28-31, 34 en dictum)