CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 20 september 2011 (1)

Zaak C‑505/10

Partrederiet Sea Fighter

tegen

Skatteministeriet

[verzoek van het Højesteret (Denemarken) om een prejudiciële beslissing]

„Richtlijn 92/81/EEG – Accijns op minerale oliën – Vrijstellingen – Brandstof, gebruikt door een graafmachine die vast is aangebracht op een schip en onafhankelijk van de motor van dit schip functioneert – Begrip ‚vaart’”





1.        De prejudiciële vraag die door het Højesteret (Denemarken) wordt gesteld, betreft de belastingvrijstelling voor minerale oliën die worden gebruikt als brandstof voor de vaart op communautaire wateren en die niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen zijn bestemd. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de strekking van het begrip „vaart” in de zin van artikel 8, lid 1, sub c, van richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën(2), en wel in verband met werkzaamheden die worden verricht door een graafmachine die vast is aangebracht op een schip, maar dankzij een eigen motor en brandstoftank onafhankelijk werkt van de aandrijfmotor van het schip.

2.        Het geschil tussen partijen in het hoofdgeding heeft betrekking op de belasting van de minerale olie die door deze graafmachine wordt verbruikt. De Deense belastingautoriteiten zijn van mening dat accijns moet worden geheven op de minerale olie die wordt verbruikt bij de baggerwerkzaamheden. Verzoekster staat echter op het standpunt dat de door een graafmachine verrichte werkzaamheden in aanmerking moeten komen voor de in artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn bepaalde vrijstelling.

3.        In deze conclusie zal ik toelichten om welke redenen ik van mening ben dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de minerale olie die wordt gebruikt door een graafmachine die vast is aangebracht op het schip en, daar zij beschikt over een eigen motor en eigen brandstoftank, onafhankelijk functioneert van de aandrijfmotor van het schip, in aanmerking moet komen voor de in artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn bepaalde accijnsvrijstelling.

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Unierecht

4.        Artikel 8 van de richtlijn luidt als volgt:

„1. Ongeacht de algemene bepalingen inzake vrijgesteld gebruik van accijnsproducten van richtlijn 92/12/EEG[(3)] en onverminderd andere communautaire bepalingen, verlenen de lidstaten vrijstelling van de geharmoniseerde accijns voor de onderstaande producten, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen:

[...]

c)      minerale oliën die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op communautaire wateren (met inbegrip van visserij), en die niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen zijn bestemd.

In deze richtlijn wordt onder ‚particuliere pleziervaartuigen’ verstaan, vaartuigen die worden gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.

[...]

2.      Onverminderd andere communautaire bepalingen mogen de lidstaten geheel of gedeeltelijk vrijstelling of verlaging verlenen van de accijns op minerale oliën of op andere producten die onder belastingcontrole worden gebruikt:

[...]

b)      voor de binnenvaart, met uitzondering van de particuliere pleziervaart;

[...]

g)      bij baggerwerken in bevaarbare waterlopen en in havens.

3.      De lidstaten mogen ook voor alle of bepaalde van de onderstaande industriële en commerciële toepassingen een verlaagd accijnstarief hanteren voor gasolie en/of vloeibaar petroleumgas en/of methaan en/of kerosine die onder belastingcontrole wordt gebruikt, mits het toegepaste tarief niet lager is dan het minimumtarief dat in richtlijn 92/82/EEG [van de Raad van 19 oktober 1992] betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën is bepaald[(4)]:

a)      voor stationaire motoren,

b)      voor installaties en machines die gebruikt worden in de bouw, de weg- en waterbouw en voor openbare werken,

[...]”

B –    Nationaal recht

5.        Artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn is omgezet in Deens recht bij artikel 9, lid 4, van de wet inzake de accijns op minerale oliën (Mineralolieafgiftsloven) en artikel 7, lid 4, van de wet inzake de heffing op kooldioxide (Kuldioxidafgiftsloven), zoals van kracht ten tijde van de feiten in het hoofdgeding.

6.        De Deense wetgever heeft geen gebruik gemaakt van de machtigingsbepaling van artikel 8, lid 2, sub g, van de richtlijn.

7.        Artikel 9, lid 4, punt 1, van de wet inzake de accijns op minerale oliën bepaalt dat de accijns wordt terugbetaald voor producten die worden gebruikt voor de exploitatie van treinen en veerdiensten, alsook voor de commerciële vaart met andere dan de in artikel 9, lid 1, punt 3, van die wet bedoelde schepen, met uitsluiting van pleziervaartuigen.

8.        Artikel 7, lid 4, punt 1, van de wet inzake de heffing op kooldioxide bepaalt met name dat de heffing wordt terugbetaald voor producten die zijn onderworpen aan de heffing en worden gebruikt voor de vaart met schepen en vissersvaartuigen door een onderneming die is geregistreerd krachtens de wet op de belasting over de toegevoegde waarde.

II – Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9.        De M/S Grethe Fighter is een schip dat wordt geëxploiteerd door Partrederiet Sea Fighter (hierna: „Sea Fighter”) en speciaal is ontworpen voor het uitvoeren van baggerwerkzaamheden. Dit schip wordt gebruikt voor baggeractiviteiten op zee, het saneren van vaargeulen in havens en vaarwegen, het inbedden van pijpleidingen en kabels in de zeebodem, het aanbrengen van stenen voor golfbrekers, bodemversterking en andere werkzaamheden op zee.

10.      Op het dek van de M/S Grethe Fighter is een graafmachine vast aangebracht, die over een eigen motor beschikt en dus onafhankelijk functioneert van de aandrijfmotor van het schip. De machine heeft een eigen brandstoftank, die wordt bijgevuld vanuit de hoofdtank van het schip. Wanneer de graafmachine wordt gebruikt om te graven, ligt het schip voor anker.

11.      Op 19 februari 2004 besliste de ToldSkat Østjylland (het regionale douane- en belastingkantoor voor Oost-Jutland) dat Sea Fighter voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 september 2003 geen recht had op terugbetaling van de accijns op minerale oliën en van de kooldioxideheffing op de diesel die werd gebruikt voor de graafmachine. Bijgevolg vorderde het voor de M/S Grethe Fighter betaling van 468 754 DKK aan accijns en 46 012 DKK aan kooldioxideheffing.

12.      De ToldSkat Østjylland was van oordeel dat er geen recht bestond op terugbetaling van accijns voor olie gebruikt om machines, waaronder pompen, te laten werken bij baggerwerkzaamheden. Het hechtte met name belang aan het feit dat de graafmachine onafhankelijk functioneerde van de scheepsmotor.

13.      De Landskatteret (nationale belastingcommissie) bevestigde dit besluit op 4 maart 2005.

14.      Sea Fighter stelde tegen de uitspraak van de Landskatteret hoger beroep in bij het Vestre Landsret (gerechtshof voor West‑Denemarken), dat bij arrest van 29 februari 2008 besliste in het voordeel van Skatteministeriet (ministerie van Financiën).

15.      Tegen dit arrest is cassatie ingesteld bij het Højesteret, dat vervolgens het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld:

„Moet artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn [...] aldus worden uitgelegd dat minerale oliën zijn vrijgesteld van accijns wanneer zij, zoals in het onderhavige geval, worden gebruikt voor een graafmachine die vast is aangebracht op een schip, maar die wel over een eigen motor en brandstoftank beschikt en dus onafhankelijk werkt van de scheepsmotor?”

III – Mijn analyse

16.      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de minerale olie die wordt gebruikt door een graafmachine die vast is aangebracht op een schip en dankzij een eigen motor en een eigen brandstoftank onafhankelijk functioneert van de aandrijfmotor van het schip, moet worden vrijgesteld van accijns.

17.      Deze vraag ligt in het verlengde van de vragen die het Hof heeft beantwoord in ten eerste zijn arrest van 1 april 2004, Deutsche See‑Bestattungs‑Genossenschaft(5), en in ten tweede zijn arrest van 1 maart 2007, Jan de Nul(6). In deze twee arresten heeft het nader invulling gegeven aan het begrip „vaart” in de zin van artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn.

18.      In zijn arrest Deutsche See‑Bestattungs‑Genossenschaft heeft het Hof benadrukt dat deze bepaling één enkele uitzondering bevat. Volgens deze bepaling geldt de vrijstelling namelijk niet voor minerale oliën die zijn bestemd voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen. Het Hof merkte vervolgens op dat in artikel 8, lid 1, sub c, tweede alinea, van richtlijn 92/81 het begrip „particuliere pleziervaartuigen” wordt gedefinieerd als vaartuigen die voor „andere dan commerciële doeleinden” worden gebruikt.(7)

19.      Hieruit volgt volgens het Hof dat „dat alle scheepvaart voor commerciële doeleinden binnen de werkingssfeer van de in artikel 8, lid 1, sub c, eerste alinea, van richtlijn 92/81 bepaalde vrijstelling van de geharmoniseerde accijns valt”(8). Anders geformuleerd, deze bepaling is volgens het Hof van toepassing „op elke vorm van scheepvaart, ongeacht het doel van de tocht, wanneer zij voor commerciële doeleinden plaatsvindt”(9).

20.      Uit dit arrest kan worden afgeleid dat de vaart binnen de werkingssfeer van de in artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn verplichte vrijstelling valt, wanneer deze vaart in de communautaire wateren een commercieel doel heeft, zoals de verrichting van een dienst onder bezwarende titel.

21.      Verder werd het Hof in het kader van de zaak die heeft geleid tot het arrest Jan de Nul, reeds aangehaald, de vraag gesteld of de manoeuvres van een hopperzuiger tijdens het opbaggeren en storten van de specie, met andere woorden de verplaatsingen die inherent zijn aan de uitvoering van baggerwerkzaamheden, al dan niet vallen onder het begrip „vaart” in de zin van artikel 8, lid 1, sub c, eerste alinea, van de richtlijn. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord(10), na te hebben opgemerkt dat de hopperzuiger een aandrijfsysteem had waarmee hij zich zelfstandig kon verplaatsen, en dus beschikte over de nodige technische kenmerken om te varen en aldus een dienst te kunnen verrichten onder bezwarende titel.(11)

22.      Aangezien die zaak geen betrekking had op de accijns over de hoeveelheid minerale olie die werd gebruikt voor het opbaggeren en storten van de specie als zodanig, hoefde het Hof geen standpunt in te nemen over een dergelijke situatie. De vraag of het begrip „vaart” in de zin van artikel 8, lid 1, sub c, eerste alinea, van de richtlijn alleen de verplaatsing op het water betreft of moet worden uitgebreid tot de diensten die door een schip worden verricht, bleef dus nog onbeantwoord.

23.      In mijn conclusie in die zaak heb ik bij wijze van slotopmerking aangetekend dat de vrijstelling van artikel 8, lid 1, sub c, van richtlijn 92/81 ook van toepassing zou moeten zijn op de minerale olie die werd verbruikt voor de eigenlijke uitvoering van de baggerwerkzaamheden alsook voor het storten van het opgebaggerde slib, aangezien voor de toepassing van deze bepaling de door een hopperzuiger tijdens zijn baggerwerkzaamheden verrichte activiteiten één onlosmakelijk geheel vormen, ongeacht of het gaat om vaarten of de daadwerkelijke werkzaamheden.(12)

24.      Nu het Hof wordt verzocht zich op dit punt uit te spreken, blijf ik bij dit standpunt, dat ik zal uitwerken op basis van de bewoordingen van artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn alsook op basis van de doelstellingen van de richtlijn.

25.      Onderzoek van de bewoordingen van deze bepaling wijst er allereerst op dat de wetgever van de Unie, door het gebruik van de algemene term „vaart”, de vrijstelling voor minerale oliën niet uitdrukkelijk heeft beperkt tot de enkele voortstuwing van het schip. Indien hij de vrijstelling had willen beperken tot de minerale oliën waarmee alleen die motoren worden gevoed die dienen tot de voortstuwing van het schip, had hij een meer nauwkeurige term moeten gebruiken dan „vaart” in de communautaire wateren.

26.      Vervolgens moet worden opgemerkt dat artikel 8, lid 1, sub c, tweede alinea, van de richtlijn uitdrukkelijk aangeeft dat het commerciële doel van de vaart niet alleen het vervoer van personen of goederen omvat, maar ook het verrichten van diensten onder bezwarende titel.

27.      Dit brengt mij tot de conclusie dat de vrijstelling geldt voor het gebruik van minerale oliën met een commercieel doel in het kader van de vaart, met name voor de verrichting van diensten onder bezwarende titel.

28.      De vermelding „met inbegrip van visserij” ter illustratie van hetgeen onder „vaart” in de communautaire wateren valt, maakt aannemelijk dat deze uitdrukking doelt op de commerciële activiteit die in deze wateren wordt uitgeoefend, en niet enkel op de verplaatsing van een schip.

29.      Laten we ons eens voorstellen dat het hoofdgeding het verbruik van minerale olie betrof die op een vissersboot is gebruikt als brandstof voor de machines waarmee de visnetten mechanisch worden opgehaald, zoals de lieren op trawlers.(13) Zou dan het verbruik van de brandstof moeten worden gesplitst naargelang de brandstof is gebruikt voor het aandrijfsysteem van de vissersboot dan wel voor het mechanische systeem om de netten op te halen? Naar mijn mening verzet de uitdrukkelijke vermelding van de visserij in artikel 8, lid 1, sub c, eerste alinea, van de richtlijn als voorbeeld van hetgeen valt onder „vaart” in de communautaire wateren, zich ertegen dat de accijnsvrijstelling wordt beperkt tot minerale oliën gebruikt voor de verplaatsing van de vissersboot. De term „visserij” duidt namelijk op een commerciële activiteit en heeft tot doel alle mechanismen te omvatten die in bedrijf moeten worden gesteld om een dergelijke activiteit goed uit te voeren.

30.      Er bestaat geen enkele reden een andere uitlegging te kiezen voor andere soorten commerciële activiteiten, zoals die die worden uitgeoefend door het schip in het hoofdgeding. De diensten die vanaf een schip worden verricht, zoals de exploitatie van een er vast op aangebrachte graafmachine, moeten dan ook vallen onder de vrijstelling van artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn.

31.      Kortom, waar het om gaat, is dat de vaste geïnstalleerde apparatuur van het schip dat minerale oliën verbruikt, nauw verbonden is met het doel van de vaart zelf, zoals de visserij of de uitvoering van baggerwerkzaamheden. Anders gezegd, zonder de werkzaamheden die met behulp van dergelijke apparatuur worden uitgevoerd, zou het soort commerciële vaart dat aan de orde is niet meer kunnen plaatsvinden. Hierin vormen de verplaatsing van het schip en de verrichting door dit schip van diensten zoals werkzaamheden op zee, een ondeelbaar geheel.

32.      In dat opzicht is de uitvoering van baggerwerkzaamheden onlosmakelijk verbonden met de verplaatsing van een schip als de M/S Grethe Fighter in de communautaire wateren.

33.      Hoewel de onderhavige graafmachine, zoals door de verwijzende rechter wordt vermeld, van eenzelfde type is als de machines die op het vasteland worden gebruikt en op lucht- of rupsbanden zijn gemonteerd, heeft zij als bijzonderheid dat zij niet buiten het schip kan worden gebruikt. Zij is geïntegreerd in het schip en kan hiervan niet worden gescheiden. Zonder de graafmachine verliest het schip zijn bestaansreden, het varen om werkzaamheden op zee uit te oefenen. Zonder het schip heeft de graafmachine geen nut meer, aangezien de machine, die vast op het schip is gemonteerd, niet kan worden gebruikt voor werkzaamheden op het vasteland. De uitvoering van werkzaamheden op zee kan niet worden onderscheiden van het doel zelf van de vaart, en vormt hiervan dus het onmisbare accessoire.

34.      De Europese Commissie geeft in haar schriftelijke opmerkingen toe dat een deel van de minerale oliën die voor andere doeleinden worden gebruikt dan de voortstuwing van het schip, niettemin onder het begrip „vaart” valt in de zin van artikel 8, lid 1, sub c, eerste alinea, van de richtlijn. Zij noemt als voorbeeld brandstof die wordt gebruikt om de elektriciteit te produceren die noodzakelijk is voor de verlichting van het schip of voor het functioneren van zijn navigatiesysteem.(14) Ik ben het ermee eens dat een dergelijk brandstofverbruik redelijkerwijze niet kan worden gescheiden van de vaart, maar ik zie niet in waarom een dergelijke redenering dan niet zou moeten worden uitgebreid tot het verbruik van minerale olie die nodig is voor het functioneren van de installaties van het schip die onmisbaar zijn ter vervulling van het doel van de commerciële vaart, namelijk een activiteit als de visserij of baggerwerkzaamheden.

35.      Volgens mij verzetten de door de richtlijn nagestreefde doelen zich er overigens tegen dat de vrijstelling van artikel 8, lid 1, sub c, ervan wordt beperkt tot minerale oliën die zijn geleverd voor gebruik als brandstof voor enkel de verplaatsing van een schip.

36.      Het Hof heeft erop gewezen dat de verplichte vrijstelling voor minerale oliën die worden gebruikt als brandstof voor de vaart op communautaire wateren, het intracommunautaire handelsverkeer beoogt te vergemakkelijken, met name het goederenverkeer en het vrij verrichten van diensten die op die wateren kunnen plaatsvinden.(15)

37.      Met de betrokken vrijstelling heeft de wetgever van de Unie op een aantal punten meer gelijkheid willen brengen in de fiscale behandeling van vervoers‑ of andere dienstverlenende ondernemingen die van de bedoelde waterwegen gebruikmaken.(16)

38.      De richtlijn heeft eveneens tot doel, het vrije verkeer van minerale oliën binnen de interne markt te verzekeren en verstoringen van de mededinging te voorkomen die kunnen voortvloeien uit het feit dat de structuur van de accijns van de ene tot de andere lidstaat verschilt.(17)

39.      Ik ben van mening dat de uitlegging, dat alle activiteiten die op een schip worden verricht om de commerciële scheepvaart naar behoren uit te voeren, moeten worden beschouwd als deel van de „vaart” in de zin van artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn, niet alleen in overeenstemming is met de doelstelling het vrije verkeer van diensten in de communautaire wateren te vereenvoudigen, maar ook verstoringen van de mededinging op de interne markt kan voorkomen. Indien de brandstof die op een schip wordt gebruikt voor een ander doel dan de voortstuwing ervan, daarentegen werd uitgesloten van de vrijstelling van deze bepaling, zou dit, zoals door de Duitse regering is opgemerkt, noodzakelijkerwijze leiden tot afbakeningsproblemen in concrete gevallen en tot uiteenlopende uitleggingen tussen de lidstaten.

40.      Ik merk op dit punt op, dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de ToldSkat Østjylland bij de weigering van de accijnsvrijstelling voor minerale oliën die worden gebruikt om de graafmachine te laten functioneren, met name belang heeft gehecht aan het feit dat de graafmachine onafhankelijk functioneert van de scheepsmotor.

41.      Dit standpunt van het belastingkantoor toont aan dat, in de restrictieve uitlegging die door de Deense regering en de Commissie wordt verdedigd, de vrijstelling van artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn in feite afhangt van de kenmerken van een schip, met name van het aantal en de plaatsing van de motoren en brandstoftanks. Dat zou leiden tot verschillende behandelingen afhankelijk van de bouwkenmerken van de schepen die op dezelfde markt opereren, zoals de markt van openbare werken op zee, en dus tot verstoringen van de mededinging, die de richtlijn nu juist wil voorkomen.

42.      Anders dan door de Deense regering wordt gesteld, kan een uitlegging die het verbruik van minerale oliën door een op een schip vast aangebrachte graafmachine onder de vrijstelling van artikel 8, lid 1, sub c, van de richtlijn brengt, geen mededingingsvoordeel scheppen voor de scheepsexploitant ten koste van bouwondernemingen die aan land werkzaam zijn.

43.      De werkzaamheden van graafmachines op het vasteland zijn geenszins uitwisselbaar met de werkzaamheden die worden verricht door graafmachines die vast zijn aangebracht op schepen. Zoals terecht wordt opgemerkt door de Duitse regering, is het onmogelijk om voor baggerwerkzaamheden op het vasteland bouwmachines te gebruiken die vast zijn geïnstalleerd op schepen. Omgekeerd kunnen landgraafmachines bij baggerwerkzaamheden op zee vanaf de oever slechts een fractie van het oppervlak bestrijken dat kan worden bestreken door een graafmachine die op een schip is geïnstalleerd. Uit het vermogen zich te kunnen verplaatsen op het water, vloeit een bijzondere productmarkt voort voor bouwmachines die vast zijn aangebracht op zich op eigen kracht voortbewegende schepen, waarmee de bouwmachines voor werkzaamheden op het vasteland niet direct concurreren.

44.      Overigens deel ik de mening van de Duitse regering, dat een verschillende fiscale behandeling van brandstoffen die worden gebruikt voor de aandrijfmotor van het schip en voor arbeidswerktuigen die vast zijn geïnstalleerd op het schip, moeilijk valt te controleren en een verzwaring van de controletaak van de autoriteiten meebrengt. Belastingfraude is niet uitgesloten wanneer, zoals in de onderhavige zaak, de brandstof uit de hoofdtank van het schip wordt gehaald.

45.      Ik wil nog twee opmerkingen maken over de invloed van artikel 8, lid 2, sub g, en lid 3, sub a en b, van de richtlijn op de uitlegging die ik in overweging geef aan het Hof.

46.      In de eerste plaats stel ik vast dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Jan de Nul inzake de regeling van artikel 8, lid 2, sub g, van de richtlijn, namelijk de mogelijkheid voor lidstaten geheel of gedeeltelijk vrijstelling of verlaging te verlenen van de accijns op minerale oliën die worden verbruikt bij baggerwerkzaamheden in bevaarbare waterlopen en in havens, heeft overwogen dat deze mogelijkheid geen invloed mag hebben op de uitlegging die moet worden gegeven aan lid 1 van dat artikel.(18)

47.      In de tweede plaats behoudt het bepaalde in artikel 8, lid 3, sub a en b, van de richtlijn in mijn uitlegging van artikel 8, lid 1, sub c, zijn nuttige werking voor vaste motoren alsook voor het materieel en de machines die worden gebruikt bij de bouw, civiele techniek en openbare werken, indien het geen machine betreft die vast is aangebracht op een schip dat een commerciële activiteit uitoefent in de communautaire wateren.

IV – Conclusie

48.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Højesteret te beantwoorden als volgt:

„Artikel 8, lid 1, sub c, van richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994, moet aldus worden uitgelegd dat de minerale olie die wordt gebruikt door een op een schip vast aangebrachte graafmachine die, doordat zij over een eigen motor en brandstoftank beschikt, onafhankelijk van de aandrijfmotor van dit schip functioneert, moet worden vrijgesteld van accijns.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 – PB L 316, blz. 12. Richtlijn zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994 (PB L 365, blz. 46; hierna: „richtlijn”). De richtlijn is ingetrokken bij richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz. 51).


3 – Richtlijn van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB L 76, blz. 1).


4 – PB L 316, bl. 19.


5 – C‑389/02, Jurispr. blz. I‑3537.


6 – C‑391/05, Jurispr. blz. I‑1793.


7 – Arrest Deutsche See‑Bestattungs‑Genossenschaft, reeds aangehaald (punt 22).


8 – Ibidem (punt 23).


9 – Ibidem (punt 29).


10 – Arrest Jan de Nul, reeds aangehaald (punt 40).


11 – Ibidem (punt 38).


12 – Punt 104 van die conclusie.


13 – Ik kan ook andere voorbeelden aanhalen, zoals een vrachtschip dat beschikt over een installatie waarmee het de goederen geheel zelfstandig kan laden en lossen zonder havenkranen te hoeven gebruiken.


14 – Ik merk op dit punt op dat artikel 14, lid 1, sub c, eerste alinea, van richtlijn 2003/96 tegenwoordig nadrukkelijk bepaalt dat de vrijstelling geldt voor „aan boord van een vaartuig opgewekte elektriciteit”.


15 – Arrest Jan de Nul, reeds aangehaald (punt 24).


16 – Ibidem (punt 25).


17 – Ibidem (punt 28 en aangehaalde rechtspraak).


18 – Arrest Jan de Nul, reeds aangehaald (punt 39).