10.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 73/2


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 24 januari 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation — Frankrijk) — Maribel Dominguez/Centre informatique du Centre Ouest Atlantique, Préfet de la région Centre

(Zaak C-282/10) (1)

(Sociale politiek - Richtlijn 2003/88/EG - Artikel 7 - Recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon - In nationale bepaling gestelde voorwaarde voor ontstaan van recht - Afwezigheid van werknemer - Duur van recht op vakantie afhankelijk van aard van afwezigheid - Met richtlijn 2003/88 strijdige nationale regeling - Rol van nationale rechter)

2012/C 73/03

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour de cassation

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Maribel Dominguez

Verwerende partijen: Centre informatique du Centre Ouest Atlantique, Préfet de la région Centre

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Cour de cassation (Frankrijk) — Uitlegging van artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299, blz. 9) — Jaarlijkse vakantie met behoud van loon van werknemers — Ontstaan van het recht op vakantie los van de aard en de duur van de afwezigheid van de werknemer — Nationale regeling op grond waarvan aan het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon de voorwaarde is gekoppeld dat de werknemer in het referentiejaar minimaal tien dagen daadwerkelijk heeft gewerkt — Verplichting voor de nationale rechterlijke instantie om met het recht van de Unie strijdige nationale bepalingen buiten toepassing te laten

Dictum

1)

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale bepalingen of praktijken op grond waarvan aan het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon de voorwaarde is gekoppeld dat de werknemer in het referentietijdvak minimaal tien dagen of een maand daadwerkelijk heeft gewerkt.

2)

De verwijzende rechterlijke instantie dient, met inachtneming van het gehele interne recht, inzonderheid artikel L. 223-4 van de Code du travail, en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, ten einde de volle werking van artikel 7 van richtlijn 2003/88 te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling, te onderzoeken of zij tot een uitlegging van dat recht kan komen op grond waarvan de afwezigheid van de werknemer wegens een ongeval op weg naar of van het werk kan worden gelijkgesteld met een van de gevallen bedoeld in voormeld artikel van de Code du travail.

Indien een dergelijke uitlegging niet mogelijk is dient de nationale rechter na te gaan of, gelet op de hoedanigheid rechtens van verweerders in het hoofdgeding, de rechtstreekse werking van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 jegens hen kan worden ingeroepen.

Wanneer de nationale rechter het door artikel 7 van richtlijn 2003/88 voorgeschreven resultaat niet kan bereiken, kan de partij die benadeeld is doordat het nationale recht niet met het recht van de Unie strookt zich niettemin beroepen op de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 19 november 1991, Francovich e.a. (C-6/90 en C-9/90), om in voorkomend geval vergoeding van de geleden schade te verkrijgen.

3)

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan, afhankelijk van de oorzaak van de afwezigheid van de werknemer die met ziekteverlof is, de jaarlijkse vakantie met behoud van loon langer is dan of even lang als de door deze richtlijn gewaarborgde minimumduur van vier weken.


(1)  PB C 234 van 28.8.2010.