16.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 11/14


Hogere voorziening ingesteld op 3 oktober 2009 door Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 2 juli 2009 in zaak T-279/06, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE/Europese Centrale Bank

(Zaak C-401/09 P)

2010/C 11/25

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (vertegenwoordigers: N. Korogiannakis en N. Keramidas, advocaten)

Andere partij in de procedure: Europese Centrale Bank

Conclusies

Rekwirante vordert:

vernietiging van de beschikking van het Gerecht;

nietigverklaring van de beslissing van de Europese Centrale Bank waarbij de offerte van rekwirante is afgewezen en de opdracht aan de gekozen inschrijver is gegund;

verwijzing van de ECB in de door rekwirante in verband met de procedure in eerste aanleg gemaakte kosten in en buiten rechte, ook ingeval deze hogere voorziening wordt afgewezen, alsmede in de kosten van de hogere voorziening indien zij wordt toegewezen.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirante betoogt dat verweerders exceptie van niet-ontvankelijkheid, die tegelijk met het verweerschrift is ingediend, niet-ontvankelijk had moeten verklaard omdat zij niet voldoet aan artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat een dergelijke exceptie bij „een afzonderlijke akte” moet worden ingediend. Rekwirante betoogt ook dat het Gerecht, door de exceptie van niet-ontvankelijkheid te aanvaarden en niet op rekwirantes argumenten met betrekking tot die exceptie in te gaan, artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie heeft geschonden.

Volgens rekwirante heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat European Dynamics geen procesbelang bij de toetsing van de beslissing van de aanbestedende dienst had omdat haar offerte niet kon worden aanvaard. Rekwirante betoogt ook dat het Gerecht blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door te oordelen dat rekwirante over een vergunning voor de terbeschikkingstelling van werknemers diende te beschikken om haar diensten rechtmatig aan te kunnen bieden.

Ten slotte betoogt rekwirante dat het Gerecht heeft verzuimd de relevante rechtsbepalingen over de verplichting van de aanbestedende dienst tot motivering van zijn beslissing toe te passen.