1. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Relatieve weigeringsgronden – Oppositie door houder van gelijk of overeenstemmend ouder merk dat is ingeschreven voor zelfde of soortgelijke waren of diensten – Overeenstemming van betrokken merken – Beoordelingscriteria – Samengesteld merk
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 8, lid 1, sub b)
2. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Relatieve weigeringsgronden – Oppositie door houder van gelijk of overeenstemmend ouder merk dat is ingeschreven voor zelfde of soortgelijke waren of diensten – Overeenstemming van betrokken merken – Beoordelingscriteria
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 8 en 51, lid 1, sub b)
1. Bij het onderzoek of er sprake is van gevaar voor verwarring in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk, veronderstelt het feit dat twee merken overeenstemmen, niet dat het gemeenschappelijke bestanddeel ervan het dominerende element in de door het aangevraagde merk opgeroepen totaalindruk vormt. Bij de beoordeling of twee merken overeenstemmen, moet immers elk merk, in zijn geheel beschouwd, worden bekeken, hetgeen niet uitsluit dat de totaalindruk die bij het relevante publiek door een samengesteld merk wordt opgeroepen, in bepaalde omstandigheden door een of meerdere bestanddelen ervan kan worden gedomineerd. Alleen wanneer alle andere bestanddelen van het merk te verwaarlozen zijn, kan de overeenstemming uitsluitend op basis van het dominerende bestanddeel worden beoordeeld.
(cf. punt 56)
2. In het kader van een oppositieprocedure op grond van artikel 8 van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk moet de overeenstemming van de conflicterende merken uit het oogpunt van de gemiddelde consument worden beoordeeld op basis van de intrinsieke kenmerken van deze merken en niet op basis van omstandigheden die verband houden met de handelwijze van de aanvrager van het gemeenschapsmerk. Derhalve behoeft geen rekening te worden gehouden met de als misbruik aangeduide handelwijze van de merkaanvrager. Hoewel een dergelijke handelwijze een uitermate relevante factor is in de context van een procedure krachtens artikel 51, lid 1, sub b, van deze verordening, moet daarmee immers geen rekening worden gehouden in de context van een oppositieprocedure.
(cf. punten 46‑47)