Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen
(Art. 267 VWEU)
Het is noodzakelijk dat het Hof over het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding beschikt, want de in verwijzingsbeslissingen verstrekte gegevens dienen niet alleen om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, maar ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbenden de mogelijkheid te bieden om opmerkingen te maken overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie. Het Hof dient erop toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat krachtens die bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de betrokken partijen worden gebracht. Hoewel het Hof in zeer ruime mate moet kunnen afgaan op de beoordeling door de nationale rechter van de noodzaak van de aan het Hof gestelde vragen, moet het in staat worden gesteld zelf alle elementen te beoordelen die verband houden met de vervulling van zijn eigen taak, met name om in voorkomend geval zijn eigen bevoegdheid te toetsen, zoals iedere rechterlijke instantie gehouden is te doen.
Met betrekking tot een prejudiciële vraag om uitlegging van richtlijn 2003/55 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30, die is gesteld in het kader van een geding over de nietigverklaring van een beslissing waarbij de tarieven voor het vervoer van gas in strijd met een nationale wet zijn vastgesteld, kan het Hof niet langer uitspraak doen over de gestelde vraag wanneer die wet na de indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing is vernietigd door het Grondwettelijk hof van de betrokken lidstaat en het nationale rechtskader van het hoofdgeding dus niet langer het door de nationale rechter in zijn verwijzingsbeslissing beschreven kader is, en de verzoeker zijn middelen inzake schending van de omstreden nationale wet heeft ingetrokken.
(cf. punten 30‑31, 33‑34)