Vrij verkeer van kapitaal – Beperkingen – Belastingwetgeving
(Art. 56 EG)
Artikel 56 EG verzet zich tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke ingezeten belastingplichtigen van deze lidstaat die interesten of dividenden uit beleggingen of investeringen in een andere lidstaat ontvangen, onderworpen zijn aan een aanvullende gemeentebelasting wanneer zij er niet voor hebben geopteerd zich deze roerende inkomsten te laten uitbetalen door een in hun woonstaat gevestigde tussenpersoon, terwijl soortgelijke inkomsten die voortvloeien uit beleggingen of investeringen in hun woonstaat, niet hoeven te worden aangegeven aangezien zij reeds aan een bronheffing zijn onderworpen, en in dat geval ook niet onderworpen zijn aan de aanvullende gemeentebelasting.
De invoering door een lidstaat van een dergelijk verschil in behandeling naargelang van de plaats waar het kapitaal wordt geïnvesteerd, heeft immers tot gevolg dat de ingezetenen van die lidstaat ervan worden afgeschrikt om kapitaal te investeren of te beleggen in een vennootschap die gevestigd is in een andere lidstaat. Bovendien heeft een dergelijk verschil in behandeling een restrictief gevolg voor in andere lidstaten gevestigde vennootschappen aangezien dit voor hen een belemmering vormt bij het bijeenbrengen van kapitaal in de eerste lidstaat. In dit verband bevindt een belastingplichtige die beleggingen of investeringen in de lidstaat verricht, zich niet in een andere situatie dan een belastingplichtige die beleggingen of investeringen verricht in een andere lidstaat. Een ingezeten belastingplichtige die inkomsten uit investeringen of beleggingen in een andere lidstaat heeft ontvangen, is in het kader van een dergelijke wettelijke regeling immers evenzeer aan een belasting op deze inkomsten in zijn woonstaat onderworpen als een ingezeten belastingplichtige die inkomsten uit investeringen of beleggingen in deze laatste lidstaat heeft ontvangen. In een dergelijke context ligt het feit dat deze inkomsten op verschillende wijze worden belast, net aan de oorsprong van het verschil in behandeling dat ertoe leidt dat enkel de inkomsten uit investeringen of beleggingen in een andere lidstaat noodzakelijkerwijze onderworpen zijn aan de aanvullende gemeentebelasting. Dit betekent echter niet dat de belastingplichtigen zich ten aanzien van deze belasting in een verschillende situatie bevinden. Ten opzichte van een dergelijke belasting, die gevestigd wordt door de agglomeraties en de gemeenten en van toepassing is op alle belastingplichtigen van dezelfde agglomeratie of dezelfde gemeente en waarvan de grondslag wordt gevormd door de belasting op de inkomsten van fysieke personen, bevindt een ingezeten belastingplichtige die inkomsten ontvangt uit investeringen of beleggingen in een andere lidstaat, zich immers niet in een objectief andere situatie dan een ingezeten belastingplichtige die inkomsten ontvangt uit investeringen of beleggingen in zijn woonstaat. In die omstandigheden houdt een dergelijke wettelijke regeling een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in.
Een dergelijke beperking wordt niet gerechtvaardigd door de noodzaak om de samenhang van het nationale belastingstelsel te bewaren, aangezien niet is verwezen naar een bepaalde belastingheffing die het voordeel compenseert van de vrijstelling van aanvullende gemeentebelasting van inkomsten uit een belegging of investering in de woonstaat van de belastingplichtige. Bovendien kan de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen weliswaar steun bieden aan de stelling dat enkel op het nationale grondgebied gevestigde tussenpersonen de bronheffing kunnen inhouden, maar zij kan niet rechtvaardigen dat inkomsten die wel aan deze inhouding onderworpen zijn en inkomsten die er niet aan onderworpen zijn, verschillend worden behandeld op het gebied van de aanvullende gemeentebelasting.
(cf. punten 31, 45‑48, 57, 59, 62 en dictum)