|
30.7.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 226/2 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 16 juni 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof en het Amtsgericht Schorndorf — Duitsland) — Gebr. Weber GmbH/Jürgen Wittmer (C-65/09), Ingrid Putz/Medianess Electronics GmbH (C-87/09)
(Gevoegde zaken C-65/09 en C-87/09) (1)
(Consumentenbescherming - Verkoop van en garanties voor consumptiegoederen - Richtlijn 1999/44/EG - Artikel 3, leden 2 en 3 - Vervanging van gebrekkig goed als enige vorm van genoegdoening - Door consument reeds geïnstalleerd gebrekkig goed - Verplichting voor verkoper om gebrekkig goed te verwijderen en vervangingsgoed te installeren - Absolute onevenredigheid - Gevolgen)
2011/C 226/02
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof, Amtsgericht Schorndorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Gebr. Weber GmbH (C-65/09), Ingrid Putz (C-87/09)
Verwerende partijen: Jürgen Wittmer (C-65/09), Medianess Electronics (C-87/09)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesgerichtshof, Amtsgericht Schorndorf — Uitlegging van artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171, blz. 12) — Verkoop aan een consument van een niet-conform goed, waarbij geen sprake is van schuld van de verkoper — Correcte installatie van het goed door de consument — Nationale regeling volgens welke, bij gebreke van een andere vorm van genoegdoening, de verkoper een niet-conform goed niet hoeft te vervangen ingeval de kosten onredelijk zijn — Verenigbaarheid van deze regeling met de bovenvermelde communautaire bepalingen — In geval van onverenigbaarheid, uitlegging van het begrip „kosteloze vervanging” in artikel 3, lid 3, van bovengenoemde richtlijn — Toerekening aan de verkoper van de kosten van demontage van een niet-conform goed dat de consument correct heeft geïnstalleerd
Dictum
|
1) |
Artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer een niet-conform consumptiegoed dat de consument vóór de ontdekking van het gebrek overeenkomstig de aard en het gewenste gebruik ervan te goeder trouw had geïnstalleerd door de verkoper door vervanging in overeenstemming wordt gebracht, de verkoper verplicht is dit goed zelf te verwijderen van de plaats waar het is geïnstalleerd en er een vervangingsgoed te installeren, dan wel de kosten voor deze verwijdering en installatie van het vervangingsgoed te vergoeden. Of de verkoper zich in de verkoopovereenkomst al dan niet ertoe had verbonden het aanvankelijk aangekochte consumptiegoed te installeren, speelt hierbij geen rol. |
|
2) |
Artikel 3, lid 3, van richtlijn 1999/44 moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale wettelijke regeling aan de verkoper het recht verleent om de enig mogelijke vorm van genoegdoening, namelijk de vervanging van het niet-conforme goed, te weigeren op grond dat deze vervanging hem, gelet op de ernst van het gebrek aan overeenstemming en de waarde die het goed zonder gebreken zou hebben, onevenredig veel zou kosten, doordat hij zou verplicht zijn dit goed te verwijderen van de plaats waar het is geïnstalleerd en er een vervangingsgoed te installeren. Deze bepaling verzet zich er evenwel niet tegen dat het recht van de consument op vergoeding van de kosten voor verwijdering van het gebrekkige goed en installatie van een vervangingsgoed in een dergelijk geval in die mate wordt beperkt dat de verkoper slechts een evenredig gedeelte van de kosten moet dragen. |