6.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 313/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank 's-Gravenhage (Nederland) op 29 september 2008 — Monsanto Technology LLC tegen 1. Cefetra BV, 2. Cefetra Feed Service BV, 3. Cefetra Futures BV en 4. Staat Argentinië en Miguel Santiago Campos, in hoedanigheid van staatssecretaris van Landbouw, Veeteelt, Visserij en Voedsel, en Monsanto Technology LLC tegen 1. Vopak Agencies Rotterdam BV en 2. Alfred C. Toepfer International GmbH

(Zaak C-428/08)

(2008/C 313/24)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank 's-Gravenhage

Partijen in de hoofdgedingen

Verzoekster: Monsanto Technology LLC

Verweerders:

1.

Cefetra BV

2.

Cefetra Feed Service BV

3.

Cefetra Futures BV

4.

Staat Argentinië, en Miguel Santiago Campos, in hoedanigheid van staatssecretaris van Landbouw, Veeteelt, Visserij en Voedsel

Verzoekster: Monsanto Technology LLC

Verweersters:

1.

Vopak Agencies Rotterdam BV

2.

Alfred C. Toepfer International GmbH

Prejudiciële vragen

1.

Moet artikel 9 van richtlijn 98/44/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de bescherming van biotechnologische uitvindingen aldus worden opgevat dat de in dat artikel geboden bescherming ook dan kan worden ingeroepen in een situatie zoals in deze procedure, waarin het voortbrengsel (de DNA-sequentie) deel uitmaakt van een in de Europese Unie ingevoerd materiaal (sojameel) en zijn junctie op het moment van de gestelde inbreuk niet uitoefent, maar wel heeft uitgeoefend (in de sojaplant) of mogelijk, nadat het uit dat materiaal is geïsoleerd en in de cel van een organisme is ingebracht, opnieuw zijn junctie zou kunnen uitoefenen?

2.

Uitgaande van de aanwezigheid van de in conclusie 6 van het octrooi met nummer EP 0 546 090 beschreven DNA-sequentie in het door Cefetra en ACTI in de Gemeenschap geïmporteerde sojameel en ervan uitgaande dat het DNA in de zin van artikel 9 van richtlijn 98/44 is verwerkt in sojameel en dat het daarin zijn functie niet uitoefent:

staat de door deze richtlijn voorgeschreven bescherming van een octrooi voor biologisch materiaal, in het bijzonder artikel 9, eraan in de weg dat de nationale octrooiwetgeving (daarnaast) absolute bescherming toekent aan het voortbrengsel (het DNA) als zodanig, ongeacht of dat DNA zijn functie uitoefent, en moet de bescherming van artikel 9 van de richtlijn dus geacht worden uitputtend te zijn, in de in dat artikel bedoelde situatie dat het voortbrengsel bestaat uit genetische informatie of zulke informatie bevat, welk voortbrengsel in materiaal is verwerkt en in welk materiaal de genetische informatie is opgenomen?

3.

Maakt het bij de beantwoording van de vorige vraag verschil dat het octrooi met nummer EP 0 546 090 is aangevraagd en verleend (op 19 juni 1996) voordat richtlijn 98/44 was vastgesteld en dat een dergelijk absolute voortbrengsel bescherming volgens de nationale octrooiwetgeving werd verschaft voordat deze richtlijn was vastgesteld?

4.

Kunt u bij de beantwoording van de voorgaande vragen het TRIPs-verdrag betrekken, in het bijzonder de artikelen 27 en 30 daarvan?


(1)  PB L 213, blz. 13.