1. Vrij verrichten van diensten – Beperkingen – Kansspelen
(Art. 49 EG)
2. Vrij verrichten van diensten – Beperkingen – Kansspelen
(Art. 49 EG)
1. Artikel 49 EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die verbiedt om bij ingezetenen van die staat reclame te maken voor door particuliere marktdeelnemers in andere lidstaten met winstoogmerk georganiseerde kansspelen.
Overwegingen van culturele, zedelijke of religieuze aard kunnen namelijk beperkingen op de vrijheid van dienstverrichting van gokbedrijven rechtvaardigen, met name voor zover het onaanvaardbaar kan worden geacht dat particulier profijt wordt getrokken uit de exploitatie van een maatschappelijke kwaal of uit de zwakheid van spelers en uit hun tegenslag. Overeenkomstig de eigen waardehiërarchie van de lidstaten en gelet op de beoordelingsvrijheid waarover zij beschikken, mag een lidstaat dus de exploitatie van kansspelen beperken door ze aan openbare of liefdadigheidsinstellingen toe te wijzen. Het verbod om diensten van marktdeelnemers die particuliere ondernemingen met winstoogmerk zijn, bij in de betrokken lidstaat wonende consumenten te promoten beantwoordt dus aan het doel particulier winstbejag in de kansspelsector uit te sluiten en kan ook worden geacht noodzakelijk te zijn om dat doel te bereiken.
(cf. punten 43‑46, dictum 1)
2. Artikel 49 EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die kansspelen aan een stelsel van exclusieve rechten onderwerpt en het promoten van dergelijke in een andere lidstaat georganiseerde spelen strenger bestraft dan het promoten van dergelijke zonder vergunning op het nationale grondgebied georganiseerde spelen.
Het staat aan de nationale rechter na te gaan of dit bij de betrokken nationale regeling het geval is. Hij dient te onderzoeken of de toepasselijke nationale wetgeving de twee overtredingen, hoewel zij onder verschillende regelingen vallen, toch gelijk behandelt. Hij zal in het bijzonder moeten nagaan of de bevoegde autoriteiten deze overtredingen in de praktijk met dezelfde bekwame spoed vervolgen en of de bevoegde rechters gelijkwaardige straffen opleggen.
(cf. punten 55, 57, dictum 2)