CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 4 maart 2010 1(1)
Zaak C‑583/08 P
Christos Gogos
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening – Ambtenarenstatuut – Indeling in rang – Aanvangsrang of hogere rang van loopbaan A 7/A 6 – Verlies van kans om vroeger te worden benoemd – Financiële vergoeding of vergoeding in termen van loopbaan – Voorwaarden voor ambtshalve toekenning van financiële vergoeding – Geschillen van geldelijke aard – Volledige rechtsmacht – Buitensporig lange duur van procedure in eerste aanleg”
I – Inleiding
1. Het onderhavige geval betreft een van de laatste ambtenarenzaken die het Hof als rechter in hogere voorziening zal beslechten. Het werpt principiële vragen op die van groot belang zijn voor de toekomstige rechtspraak op het gebied van het Europese ambtenarenrecht, maar ook buiten dit rechtsgebied. Met name het tweede middel stelt het Hof in de gelegenheid, de volledige rechtsmacht van de rechters van de Unie nader toe te lichten.
2. De onderliggende feiten kunnen als volgt worden samengevat. Gogos, een ambtenaar van de Europese Commissie, heeft deelgenomen aan een intern vergelijkend onderzoek met het oog op de overgang van zijn toenmalige categorie B naar de toenmalige categorie A. Ten gevolge van een procedurefout werd zijn mondeling examen tweemaal herhaald, zodat Gogos pas bij de derde poging voor dit examen slaagde en hij ongeveer vijf jaar later dan de andere geslaagde kandidaten op de lijst van geschikte kandidaten werd geplaatst. Door deze vertraging is Gogos de kans ontnomen om aanzienlijk vroeger dan daadwerkelijk is gebeurd in een ambt van categorie A te worden benoemd en in zijn nieuwe loopbaan te worden bevorderd. Gogos is van mening dat de Commissie hem ter compensatie voor deze vertraging meteen in rang A 6 had moeten indelen. De Commissie heeft hem in werkelijkheid slechts in de lagere aanvangsrang A 7 ingedeeld.
3. Het Gerecht van eerste aanleg heeft bij arrest van 15 oktober 2008(2) (hierna: „bestreden arrest”) het beroep van Gogos tegen het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag waarbij hij in rang A 7 is ingedeeld, verworpen. In zijn hogere voorziening stelt Gogos dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, en laakt hij het feit dat het Gerecht hem niet ambtshalve een financiële vergoeding heeft toegekend. Daarnaast vordert hij een schadevergoeding wegens de – volgens hem buitensporig lange – duur van de procedure in eerste aanleg.
4. Weliswaar is op het onderhavige geval nog het „oude” recht van toepassing dat gold tot 30 april 2004, dat wil zeggen vóór de „grote hervorming” van het Europese ambtenarenrecht bij verordening (EG) nr. 723/2004(3), maar de door het Hof te beantwoorden rechtsvragen in verband met de volledige rechtsmacht en de vergoeding voor het verlies van een kans hebben ook in het kader van het nieuwe, sinds 1 mei 2004 geldende, recht niets aan belang ingeboet.
II – Toepasselijke bepalingen
5. De op het onderhavige geding toepasselijke bepalingen zijn vervat in de tot 30 april 2004 geldende versie van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen („Ambtenarenstatuut”).(4) De loopbaanstructuur van de Europese ambtenaren was in artikel 5, lid 1, van het toenmalige Ambtenarenstatuut geregeld als volgt:
„De ambten die onder dit statuut vallen, zijn, naar aard en niveau van de werkzaamheden waarmee zij overeenkomen, ingedeeld in vier categorieën, die in afdalende hiërarchische volgorde worden aangeduid met de letters A, B, C en D.
Categorie A omvat acht rangen, die in loopbanen zijn gegroepeerd, welke zich in het algemeen over twee rangen uitstrekken en die overeenkomen met hogere leidinggevende en scheppende functies en functies met een studiekarakter, voor welke functies kennis op universitair niveau of een gelijkwaardige beroepservaring vereist is.
Categorie B omvat vijf rangen, die in loopbanen zijn gegroepeerd, welke zich in het algemeen over twee rangen uitstrekken en die overeenkomen met functies met een uitvoerend en leidinggevend karakter, voor welke functies volledige middelbare (hogere middelbare) schoolkennis of een gelijkwaardige beroepservaring vereist is.
[...]”
6. Voorts bepaalde artikel 45, lid 2, van het Ambtenarenstatuut:
„De overgang van een ambtenaar naar een andere groep of een hogere categorie kan alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek.”
7. Artikel 31 van het Ambtenarenstatuut luidde als volgt:
„1. De [...] kandidaten worden aangesteld:
– in de aanvangsrang van hun categorie [...], indien het ambtenaren betreft van categorie A [...];
[...]
(2) Het tot aanstelling bevoegde gezag kan echter van bovenstaande bepalingen binnen de volgende grenzen afwijken:
a) voor de rangen A 1, A 2, A 3 en LA 3:
[...]
b) voor de overige rangen:
– voor een derde van het aantal opengevallen plaatsen,
– voor de helft van het aantal nieuwe plaatsen.
Behoudens voor rang LA 3 geldt deze bepaling per reeks van zes te bezetten ambten in iedere rang.”
8. Verder dient te worden gewezen op artikel 91, lid 1, van het Ambtenarenstatuut, dat – zowel in zijn tot 30 april 2004 als in zijn vanaf 1 mei 2004 geldende versie – luidt als volgt:
„Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschappen en een van de in dit statuut bedoelde personen, dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard acht [...] Bij geschillen van geldelijke aard heeft het Hof van Justitie volledige rechtsmacht.”
III – Feiten en procesverloop
9. Christos Gogos is sinds 1981 in dienst van de Europese Gemeenschappen (thans: Europese Unie) en werd op 1 oktober 1986 door de Commissie benoemd als ambtenaar in rang B 5.
10. In 1997 nam Gogos deel aan het door de Commissie georganiseerde interne vergelijkende onderzoek COM/A/17/96, dat ambtenaren van zijn toenmalige categorie B de mogelijkheid bood over te gaan naar de toenmalige categorie A, meer bepaald naar de loopbaan A 7/A 6. Een van de voorwaarden om te kunnen deelnemen aan het vergelijkend onderzoek was dat de betrokkene minstens zeven jaar anciënniteit in categorie B had. In de aankondiging werd er bovendien op gewezen dat geslaagde kandidaten in de regel in de aanvangsrang van de loopbaan A 7/A 6 zouden worden benoemd.
11. Voor het mondelinge examen van dit vergelijkend onderzoek behaalde Gogos niet het vereiste aantal punten. Hij werd dan ook niet op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst. De jury van het vergelijkend onderzoek deelde hem dit mee bij brief van 15 december 1997.
12. Gogos heeft tegen dit besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek beroep ingesteld, waarop het Gerecht bij arrest van 23 maart 2000(5) dit besluit nietig heeft verklaard, met name omdat de jury de gelijke behandeling van alle kandidaten tijdens het mondelinge examen niet had kunnen verzekeren.
13. Daarop nodigde de Commissie Gogos uit voor een tweede mondeling examen op 25 september 2000, waarvoor hij evenwel opnieuw zakte.
14. Ook tegen het tweede besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek heeft Gogos beroep ingesteld bij het Gerecht. In het kader van deze procedure kwamen Gogos en de Commissie tot een minnelijke schikking. Daarbij trok Gogos zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek en tot schadevergoeding in. In ruil hiervoor verbond de Commissie zich ertoe een derde mondeling examen voor Gogos te organiseren en zijn invorderbare kosten te dragen.(6)
15. Gogos slaagde uiteindelijk voor zijn derde mondelinge examen, dat plaatsvond op 8 november 2002. Daarop deelde de Commissie hem bij brief van 15 november 2002 mee dat zijn naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek COM/A/17/96 was opgenomen.
16. Vervolgens werd Gogos per 1 april 2003 benoemd tot ambtenaar in categorie A. Op 31 maart 2003 werd hij in kennis gesteld van het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag om hem in te delen in salaristrap 3 van rang A 7 (hierna: „indelingsbesluit”).
17. Op 30 juni 2003 heeft Gogos overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut een klacht tegen het indelingsbesluit ingediend. Hij voerde aan dat de artikelen 31 en 45 van het Ambtenarenstatuut, artikel 233 EG en de minnelijke schikking die in het kader van de voorafgaande gerechtelijke procedure was gesloten, waren geschonden.(7) Hij stelde in wezen dat hij zo diende te worden ingedeeld als ware hij reeds in december 1997 voor het vergelijkend onderzoek geslaagd. De meeste kandidaten die voor dit vergelijkend onderzoek geslaagd waren, waren reeds tot de hogere rang A 6 bevorderd. Om zijn achterstand ten opzichte van deze collega’s weg te werken, diende het tot aanstelling bevoegde gezag hem meteen in rang A 6 – en niet in rang A 7 – in te delen.
18. Het tot aanstelling bevoegde gezag heeft de klacht van Gogos afgewezen bij besluit van 24 november 2003 (hierna: „afwijzend besluit”). Daarop heeft Gogos op 18 februari 2004 beroep ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg. Meer dan vier jaar later, op 15 oktober 2008, heeft het Gerecht bij het bestreden arrest dit beroep verworpen, maar de Commissie overeenkomstig artikel 87, lid 3, juncto artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht in de kosten verwezen.
19. In het kader van zijn op 22 december 2008(8) ingestelde hogere voorziening verzoekt Gogos het Hof,
– het arrest van het Gerecht van eerste aanleg te vernietigen,
– het besluit waarbij hij in rang A 7 is ingedeeld en het besluit van 24 november 2003 waarbij zijn klacht is afgewezen, nietig te verklaren,
– zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen en hem een financiële vergoeding van in totaal 538 121,79 EUR toe te kennen voor de door het onrechtmatige gedrag van de Commissie, meer bepaald het betrokken onrechtmatige besluit, geleden economische schade, die ten gevolge van de administratieve hervorming tot zijn overlijden zal doorwerken,
– hem een financiële vergoeding van 50 000 EUR toe te kennen wegens de grote vertraging in het vellen van het arrest in eerste aanleg, en
– verweerster te verwijzen in de kosten die hij in eerste aanleg en in hogere voorziening heeft gemaakt.
20. De Commissie verzoekt,
– de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen,
– de op de duur van de procedure gebaseerde vordering tot schadevergoeding van rekwirant te verwerpen, en
– rekwirant te verwijzen in de kosten.
21. Na de schriftelijke procedure vond op 28 januari 2010 de mondelinge behandeling plaats.
IV – Beoordeling
22. Gogos voert twee middelen tegen het bestreden arrest aan (zie punt A). Daarnaast vordert hij schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure voor het Gerecht (zie punt B).
A – Beide middelen
23. Ik zal eerst beide middelen van Gogos tot vernietiging van het bestreden arrest behandelen.
1. Eerste middel: verschillende middelen zijn in het bestreden arrest niet onderzocht
24. Het eerste middel betreft het onderdeel van het arrest waarin wordt onderzocht of Gogos terecht slechts in de lagere aanvangsrang A 7 is ingedeeld dan wel of hij meteen in de hogere rang A 6 had moeten worden ingedeeld. Gogos verwijt het Gerecht dat het vijf van zijn zes middelen niet heeft onderzocht en dienvolgens zijn beroep tegen het indelingsbesluit en het afwijzende besluit zonder toereikende motivering heeft afgewezen.
25. Dit middel is gebaseerd op het feit dat Gogos in de procedure in eerste aanleg de schending van de volgende bepalingen en rechtsbeginselen heeft aangevoerd: artikel 31, lid 2, van het Ambtenarenstatuut, artikel 233 EG, het beginsel van gelijke behandeling, het billijkheidsbeginsel, het beginsel van behoorlijk bestuur en het recht op ontwikkeling van de loopbaan.(9) In het bestreden arrest is het Gerecht evenwel slechts uitdrukkelijk ingegaan op artikel 31, lid 2, van het Ambtenarenstatuut(10), terwijl het aan artikel 233 EG en de overige door rekwirant genoemde rechtsbeginselen slechts drie korte punten heeft gewijd.(11)
a) Ontvankelijkheid
26. De ontvankelijkheid van dit eerste middel lijkt niet echt voor discussie vatbaar.
27. Zoals algemeen is erkend, kan het verwijt dat het Gerecht een middel niet heeft onderzocht, worden opgevat als een grief dat het arrest ontoereikend is gemotiveerd.(12) De motiveringsplicht van het Gerecht vloeit voort uit artikel 36 juncto artikel 53, lid 1, van het Statuut van het Hof. Volgens vaste rechtspraak is de vraag of het arrest in eerste aanleg ontoereikend gemotiveerd is, een rechtsvraag, die als zodanig in hogere voorziening kan worden opgeworpen.(13)
28. Niettemin betwist de Commissie met klem de ontvankelijkheid van het eerste middel. Volgens haar heeft Gogos in eerste aanleg slechts één grond tot nietigverklaring aangevoerd, namelijk schending van artikel 31, lid 2, van het Ambtenarenstatuut. Naar de overige door hem genoemde bepalingen en rechtsbeginselen heeft hij slechts aanvullend verwezen. De poging van Gogos om deze in eerste aanleg aangevoerde aanvullende argumenten thans te verheffen tot zelfstandige gronden tot nietigverklaring, is in tegenspraak met de houding die hij zelf in eerste aanleg heeft aangenomen, en komt er in werkelijkheid op neer dat hij nieuwe middelen aanvoert, wat in hogere voorziening niet is toegestaan.
29. Dit argument kan mij niet overtuigen.
30. Anders dan de Commissie vind ik in de stukken geen aanwijzingen dat het betoog van rekwirant voor het Gerecht noodzakelijkerwijs tot één enkel middel valt te herleiden. Bekijken we namelijk het verzoekschrift dat Gogos in eerste aanleg heeft ingediend, dan stellen we vast dat daarin afzonderlijk wordt ingegaan op artikel 233 EG, het beginsel van gelijke behandeling, het billijkheidsbeginsel, het beginsel van behoorlijk bestuur en het recht op ontwikkeling van de loopbaan. Dit pleit eerder voor dan tegen het bestaan van zelfstandige middelen.
31. Hieraan wordt niet afgedaan door het rapport ter terechtzitting in eerste aanleg en het bestreden arrest, waarop de Commissie zich baseert. Het rapport ter terechtzitting vat de argumenten van rekwirant enkel samen, zonder dat het deze uitdrukkelijk tot één middel herleidt of onder verschillende middelen indeelt.(14) In het bestreden arrest wordt louter vastgesteld dat rekwirant „in de eerste plaats” een schending van artikel 31, lid 2, van het Ambtenarenstatuut en „voor het overige”, „als een gevolg” hiervan, schending van de overige door hem genoemde bepalingen en rechtbeginselen aanvoert(15); ook dit pleit niet noodzakelijkerwijs voor het bestaan van één enkel middel.
32. Afgezien daarvan zou het ook overdreven formalistisch zijn en getuigen van een te enge visie op de rol van het Hof als rechter in hogere voorziening, om louter in het feit dat deze middelen voor het eerst in het verzoekschrift in hogere voorziening "ακυρωτικοί λόγοι"(16) worden genoemd, een aanwijzing te zien dat het geding wordt uitgebreid ten opzichte van de procedure in eerste aanleg.
33. Volgens artikel 42, lid 2, juncto artikel 118 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof mogen weliswaar in hogere voorziening geen nieuwe middelen worden voorgedragen, maar volgens vaste rechtspraak beogen deze bepalingen louter te verhinderen dat het geding hierdoor wordt uitgebreid ten opzichte van de procedure in eerste aanleg.(17) Dit is in casu niet het geval.
34. Het verwijt van Gogos luidt in feite dat in het bestreden arrest niet voldoende is ingegaan op wezenlijke onderdelen van zijn betoog in eerste aanleg.(18) Rekwirant voert dus voor het Hof geen inhoudelijk nieuwe argumenten aan, maar wil louter laten onderzoeken of de wijze waarop het Gerecht de reeds in eerste aanleg aangevoerde rechtsmiddelen heeft behandeld, voldoet aan de juridische eisen die aan de motivering worden gesteld. Het behoort tot de kerntaken van het Hof als rechter in hogere voorziening om deze vraag te beantwoorden.
35. Het eerste middel is dus ontvankelijk.
b) Gegrondheid
36. Het eerste middel dient te worden aanvaard indien het Gerecht in het bestreden arrest de krachtens artikel 36 juncto artikel 53, lid 1, van het Statuut van het Hof op hem rustende motiveringsplicht niet is nagekomen.
37. Volgens vaste rechtspraak moet uit de motivering van een arrest duidelijk en ondubbelzinnig de redenering van het Gerecht blijken, zodat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen.(19)
38. Daarentegen houdt de op het Gerecht rustende verplichting om zijn beslissingen te motiveren niet in dat het in detail moet antwoorden op elk in eerste aanleg aangevoerd argument, met name wanneer het argument niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is.(20) De motivering kan zelfs impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun betoog niet heeft gevolgd en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.(21) Uit de motivering, in haar geheel beschouwd, moet evenwel blijken dat het Gerecht alle in eerste aanleg aangevoerde rechtsschendingen heeft onderzocht.(22)
39. Het bestreden arrest voldoet aan deze vereisten. Na de grief inzake schending van artikel 31, lid 2, van het Ambtenarenstatuut te hebben afgewezen(23), merkt het Gerecht op dat „bijgevolg” ook de andere door Gogos gelaakte onregelmatigheden met betrekking tot artikel 233 EG, het beginsel van gelijke behandeling, het billijkheidsbeginsel, het beginsel van behoorlijk bestuur en het recht op ontwikkeling van de loopbaan „geen gevolgen op de rechtmatigheid van het indelingsbesluit konden hebben”.(24)
40. Daarmee is het Gerecht niet voorbijgegaan aan de overige door Gogos aangevoerde bepalingen en rechtsbeginselen, maar is zij hier – zij het uiterst beknopt – op ingegaan. Uit de aangehaalde overwegingen van het arrest blijkt duidelijk dat het Gerecht de betrokken grieven op dezelfde gronden afwijst als de daarvoor afgewezen grief die is gebaseerd op artikel 31, lid 2, van het Ambtenarenstatuut.
41. Gogos betoogt dat het Gerecht in het bijzonder de grief inzake het beginsel van gelijke behandeling afzonderlijk had moeten beoordelen, en zijn oordeel hierover niet had mogen laten afhangen van zijn oordeel over de grief inzake artikel 31, lid 2, van het Ambtenarenstatuut.
42. Dienaangaande zij vastgesteld dat in het bestreden arrest twee afzonderlijke punten zijn gewijd aan het beginsel van gelijke behandeling.(25) Daarin zet het Gerecht – weliswaar opnieuw uiterst beknopt – de redenen uiteen waarom het van oordeel is dat met name de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling in casu niet tot een indeling van Gogos in een hogere rang kon leiden. Volgens het Gerecht kan rekwirant zich niet op het gelijkheidsbeginsel beroepen, omdat voor elk ambt een individuele beslissing dient te worden genomen op basis van de evaluatie van de kwalificaties van de aan te stellen ambtenaar. Voorts wordt de bijzondere beroepservaring reeds bij de overgang van de betrokken ambtenaar naar de hogere categorie in aanmerking genomen.
43. Het is mogelijk dat Gogos deze opvatting van het Gerecht niet deelt. Dit verandert evenwel niets aan de zaak dat het Gerecht is ingegaan op de door hem aangevoerde grieven. Dat het Gerecht ten gronde tot een andere conclusie is gekomen dan rekwirant, betekent op zich niet dat het bestreden arrest gebrekkig is gemotiveerd.(26)
44. Bijgevolg dient het eerste middel te worden verworpen.
2. Tweede middel: omstandigheden waaronder ambtshalve schadevergoeding dient te worden toegekend
45. Het tweede middel betreft de vraag of het Gerecht Gogos ambtshalve een financiële vergoeding had kunnen, en eventueel had moeten, toekennen. Gogos verwijt het Gerecht dat het de volledige rechtsmacht waarover het bij geschillen van geldelijke aard beschikt, niet heeft uitgeoefend. Volgens Gogos had het Gerecht hem krachtens deze bevoegdheid ambtshalve een financiële vergoeding kunnen toekennen.
46. Met dit middel komt rekwirant specifiek op tegen punt 47 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht in wezen het volgende opmerkt: weliswaar is Gogos, doordat hij opnieuw aan het mondelinge examen heeft moeten deelnemen(27), mogelijkerwijs de kans ontnomen om vroeger naar categorie A over te gaan en dienvolgens vroeger in zijn nieuwe loopbaan te worden bevorderd, maar hij heeft daarvoor voor het Gerecht geen schadevergoeding gevorderd.
a) Ontvankelijkheid
47. Volgens de Commissie is dit tweede middel niet-ontvankelijk. Zij stelt dat Gogos gedurende de gehele voorafgaande gerechtelijke procedure slechts nietigverklaring van het indelingsbesluit en het afwijzende besluit heeft gevorderd. Een vordering tot schadevergoeding heeft hij nooit ingediend, en hij kan dit niet voor het eerst in hogere voorziening doen.
48. Het klopt dat Gogos, zoals hij zelf stelt, in de procedure voor het Gerecht geen formele vordering tot schadevergoeding heeft ingediend.
49. Niettemin is de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond. De Commissie gaat voorbij aan het werkelijke doel van het tweede middel van Gogos. De vraag is of het Gerecht rekwirant ambtshalve – dus zonder een daartoe ingestelde vordering – een schadevergoeding had kunnen en moeten toekennen.
50. Of het Gerecht gerechtigd en eventueel zelfs verplicht was, Gogos ambtshalve een financiële vergoeding toe te kennen, is een rechtsvraag, die in hogere voorziening kan worden onderzocht. Voor de behandeling van deze vraag kan niet als voorwaarde worden gesteld dat de betrokkene in eerste aanleg zelf een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend. Integendeel, het is eigen aan deze vraag dat zij met name zal rijzen in gevallen waarin de verzoeker in eerste aanleg geen dergelijke vordering heeft ingesteld.
51. Door dit probleem in hogere voorziening op te werpen, breidt Gogos het geding niet uit, maar verzoekt hij het Hof, na te gaan of het Gerecht het dossier in eerste aanleg rechtens genoegzaam heeft onderzocht en dienaangaande alle juridisch mogelijke en nodige maatregelen heeft getroffen.
52. De rechtsbescherming op dit punt zou worden uitgehold indien de ontvankelijkheid van het middel onderworpen was aan de indiening van een vordering tot schadevergoeding in eerste aanleg. Dit zou onverenigbaar zijn met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming.
53. Het tweede middel is bijgevolg ontvankelijk.
b) Gegrondheid
54. Het tweede middel kan slechts worden aanvaard indien het Gerecht in het onderhavige geval bevoegd was om Gogos ambtshalve een schadevergoeding toe te kennen en zich hier geen rekenschap van heeft gegeven.(28)
i) Volledige rechtsmacht bij geschillen van geldelijke aard zoals bedoeld in het Ambtenarenstatuut
55. Volgens artikel 91, lid 1, tweede volzin, van het Ambtenarenstatuut heeft het Hof van de Europese Unie bij geschillen van geldelijke aard tussen ambtenaren van de Unie en hun werkgever volledige rechtsmacht.
56. Het begrip „geschillen van geldelijke aard” mag niet te eng worden opgevat.
57. Van een geschil van geldelijke aard is in de eerste plaats sprake wanneer de betrokken ambtenaar op grond van artikel 270 VWEU een financiële vergoeding vordert, bijvoorbeeld een schadevergoeding of een bedrag waarvan hij meent dat het hem toekomt op grond van het Ambtenarenstatuut of van een andere handeling die zijn arbeidsverhouding regelt(29); daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om salaris, bepaalde uitkeringen en sociale bijdragen die volgens het Ambtenarenstatuut verschuldigd zijn, of om vertragingsrente.(30)
58. Daarnaast kan evenwel zelfs achter een vordering van een ambtenaar tot nietigverklaring van een besluit dat betrekking heeft op zijn dienstverhouding, een geschil van geldelijke aard schuilgaan.(31) Voor het onderhavige geval is van bijzonder belang dat ook het beroep van een ambtenaar waarbij deze de rechter verzoekt, zijn indeling te beoordelen, een geschil van geldelijke aard betreft.(32) Deze opvatting berust op de overweging dat het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag over de indeling van een ambtenaar niet alleen gevolgen heeft voor de loopbaan van de betrokkene en zijn persoonlijke positie binnen de hiërarchie van de instelling, maar ook directe gevolgen heeft voor zijn vermogensrechtelijke aanspraken, met name voor de hoogte van het salaris dat hem volgens het Ambtenarenstatuut toekomt.
59. In deze omstandigheden was er ook in casu sprake van een geschil van geldelijke aard, in het kader waarvan het Gerecht overeenkomstig artikel 91, lid 1, tweede volzin, van het Ambtenarenstatuut over volledige rechtsmacht beschikte.
60. Op grond van de volledige rechtsmacht die de Unierechter aan artikel 91, lid 1, tweede volzin, van het Statuut ontleent, dient hij bij hem aanhangige gedingen volledig te beslechten.(33) De Unierechter hoeft zich dus voor de louter vermogensrechtelijke aspecten van het geding niet te beperken tot een loutere controle van de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen, de organen of andere instanties van de Unie, maar is bevoegd om ook de doelmatigheid ervan te onderzoeken. Wat de louter vermogensrechtelijke aspecten van het geschil betreft, mag de Unierechter dus zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van die van het tot aanstelling bevoegde gezag en de besluiten daarvan niet alleen nietig verklaren, maar ook inhoudelijk wijzigen.
61. Volgens de rechtspraak omvat de volledige rechtsmacht het recht om de verwerende partij eventueel ambtshalve – dus zelfs wanneer daartoe geen regelmatige vordering is ingesteld – te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de door haar dienstfout veroorzaakte schade en daarbij de schade naar billijkheid vast te stellen, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak.(34)
62. Voor gedingen betreffende indelingsbesluiten betekent dit dat de Unierechter weliswaar de indeling van een ambtenaar als zodanig slechts op haar rechtmatigheid controleert en daarover niet zelf kan beslissen of het betrokken besluit niet kan wijzigen, maar dat hij wel bevoegd is om de betrokken ambtenaar – eventueel ambtshalve – schadevergoeding toe te kennen wegens een eventuele dienstfout die het tot aanstelling bevoegde gezag bij het nemen van zijn besluit over de indeling van de betrokkene heeft gemaakt.
ii) Zin en doel van de ambtshalve toekenning van een schadevergoeding in het kader van de uitoefening van de volledige rechtsmacht
63. In casu is het Gerecht zelfs niet terloops ingegaan op de vraag of de Commissie ambtshalve tot betaling van een schadevergoeding kan worden veroordeeld. Het heeft slechts kort vastgesteld dat Gogos geen financiële vergoeding heeft gevorderd.(35)
64. Dit kan erop wijzen dat het Gerecht zich er geen rekeningschap van heeft gegeven dat het geschil van geldelijke aard is in de zin van artikel 91, lid 1, tweede volzin, van het Ambtenarenstatuut. Misschien besefte het Gerecht niet dat het met betrekking tot de louter vermogensrechtelijke aspecten van dit geschil volledige rechtsmacht had, wat niet in de laatste plaats het recht omvat, ambtshalve schadevergoeding toe te kennen.(36)
65. De vraag of het Gerecht zich daadwerkelijk niet bewust was van de omvang van zijn bevoegdheid en aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, kan evenwel onbeantwoord blijven. In casu is immers niet voldaan aan de voorwaarden om de Commissie ambtshalve tot schadeloosstelling te veroordelen.
66. De bevoegdheid, ambtshalve schadevergoeding aan ambtenaren toe te kennen, dient de Unierechters namelijk in de eerste plaats de mogelijkheid te bieden, de nuttige werking te verzekeren van hun arresten waarbij zij in ambtenarenzaken besluiten nietig verklaren.(37) Indien de (volledige of gedeeltelijke) nietigverklaring van een onrechtmatig besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag niet volstaat om te verzekeren dat de betrokken ambtenaar zijn rechten kan doen gelden of om zijn belangen doeltreffend veilig te stellen, kan de Unierechter hem dus ambtshalve schadevergoeding toekennen.
67. In het onderhavige geval is het Gerecht evenwel tot de conclusie gekomen dat het indelingsbesluit en het afwijzende besluit van de Commissie geen blijk gaven van een onjuiste rechtsopvatting. Aangezien het Gerecht bijgevolg geen van beide besluiten nietig heeft verklaard, had het ook geen redenen om de nuttige werking van zijn arrest te verzekeren door ambtshalve schadevergoeding toe te kennen. Deze aanpak is uit juridisch oogpunt niet voor kritiek vatbaar.
68. Ik wens nog terloops op te merken dat Gogos in casu hoe dan ook evenmin in aanmerking komt voor een vergoeding van de gevolgen van rechtmatige administratieve maatregelen. Los van het feit dat in het kader van het recht van de Europese Unie nog niet definitief is uitgemaakt of en onder welke voorwaarden een dergelijke schadevergoeding moet worden toegekend(38), zijn het door Gogos geleden salarisverlies en de vertraging die zijn loopbaan in de nieuwe categorie A heeft ondergaan, niet veroorzaakt door het indelingsbesluit en het afwijzende besluit, maar door de onjuiste rechtsopvattingen waarvan de Commissie tijdens het vergelijkend onderzoek blijk heeft gegeven.(39)
69. Bijgevolg is het tweede middel ongegrond.
3. Slotopmerkingen
70. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat het besluit tot indeling van een ambtenaar niet het geschikte middel is om eventuele schade te compenseren die deze ambtenaar ten gevolge van onrechtmatigheden bij de uitvoering van een voorafgaand vergelijkend onderzoek heeft geleden.
71. Het is zeer twijfelachtig of het uitgangspunt van het Gerecht, dat artikel 31, lid 2, van het Ambtenarenstatuut hoe dan ook niet van toepassing is op een intern vergelijkend onderzoek, correct is.(40) Deze bepaling dient namelijk een instelling als werkgever de mogelijkheid te bieden, zich te verzekeren van de diensten van een persoon die haar anders zou kunnen ontvallen, omdat hij gewild is op de arbeidsmarkt en mogelijkerwijs vaak door andere potentiële werkgevers wordt benaderd.(41) Anders dan het Gerecht lijkt te denken, is een dergelijke concurrentie tussen de Europese instellingen en private werkgevers om de gunsten van interne kandidaten geenszins uitgesloten. Ook een persoon die reeds voor een instelling van de Unie werkt, kan in de verleiding komen om deze de rug toe te keren en in de privésector of voor een andere internationale instelling te gaan werken, wanneer de aanbiedingen van externe werkgevers hem aantrekkelijker lijken dan zijn positie en promotiekansen als Europees ambtenaar. Dit geldt met name voor vele afgestudeerden van hogescholen of universiteiten die ambten van categorie B of C uitoefenen.
72. De vraag naar de toepasselijkheid van artikel 31, lid 2, van het Ambtenarenstatuut op het onderhavige geding kan evenwel uiteindelijk onbeantwoord blijven. Volgens artikel 31, lid 2, is de aanstelling in een hogere rang in afwijking van het in lid 1 vastgestelde beginsel dat ambtenaren in de aanvangsrang worden aangesteld immers slechts mogelijk bij wijze van uitzondering(42), namelijk wanneer dit voldoet aan specifieke behoeften van de dienst of daadwerkelijk gerechtvaardigd is op grond van de bijzondere kwalificaties of de bijzondere beroepservaring van de betrokkene(43); het moet met andere woorden gaan om een uitzonderlijke kandidaat.(44) De regeling van artikel 31, lid 2, van het Ambtenarenstatuut zou worden misbruikt indien deze bepaling ondanks het ontbreken van bovengenoemde voorwaarden zou worden toegepast als compensatie voor bepaalde nadelen die een ambtenaar op het gebied van zijn loopbaan heeft ondervonden.
73. Ook op basis van het algemene beginsel van gelijke behandeling kan Gogos geen aanspraak maken op een indeling in de hogere rang. Volgens dit beginsel mogen vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.(45) De kenmerken van verschillende situaties en daarmee hun vergelijkbaarheid moeten met name worden bepaald en beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de te treffen maatregel.(46)
74. Een op artikel 31 van het Ambtenarenstatuut gebaseerd indelingsbesluit heeft enkel tot doel, de betrokken ambtenaar in het belang van de dienst en overeenkomstig zijn kwalificaties binnen zijn loopbaan in een rang in te delen. Het Hof beschikt niet over aanwijzingen dat Gogos zich vanuit het oogpunt van deze criteria in een andere situatie bevond dan andere kandidaten die voor het intern vergelijkend onderzoek zijn geslaagd. Bijgevolg kan ook op basis van het gelijkheidsbeginsel niet worden bekritiseerd dat hij in dezelfde rang A 7 is ingedeeld als andere geslaagde kandidaten. Eventuele onregelmatigheden bij de uitvoering van het vergelijkend onderzoek en de daaruit voortvloeiende vertraging bij de aanstelling van een ambtenaar zijn daarentegen bij de vaststelling van het indelingsbesluit geen relevante vergelijkingscriteria.
75. Vaststaat zonder meer dat Gogos door het feit dat zijn mondelinge examen tweemaal is herhaald en dat het vergelijkend onderzoek daardoor later is afgerond, de kans is ontnomen om vroeger naar categorie A over te gaan en daarmee ook om sneller in zijn nieuwe loopbaan te worden bevorderd.(47) De daarmee samenhangende materiële en immateriële schade is evenwel niet veroorzaakt door het indelingsbesluit en het afwijzende besluit die in de onderhavige procedure aan de orde zijn. Zelfs indien deze beide besluiten onrechtmatig waren, had het Gerecht deze schade dus niet ambtshalve in aanmerking kunnen nemen, zonder het beginsel „ne ultra petita” te schenden.
76. Zoals reeds gezegd(48), is deze schade veeleer toe te schrijven aan de onrechtmatigheden bij de uitvoering van het vergelijkende onderzoek. Gogos had dit in beide voorafgaande gerechtelijke procedures(49) kunnen aanvoeren, met gebruikmaking van alle hem ter beschikking staande procedurele middelen.
77. Met betrekking tot deze gerechtelijke procedures dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat Gogos in het kader van zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek enkel vergoeding van zijn immateriële schade heeft gevorderd. Het Gerecht heeft deze vordering evenwel afgewezen op grond dat de nietigverklaring van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek een voldoende vergoeding vormde voor de door rekwirant geleden schade.(50) Dat arrest is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan.
78. Wat de tweede gerechtelijke procedure betreft, heeft Gogos in het kader van de minnelijke schikking die hij met de Commissie heeft gesloten, afstand gedaan van alle vorderingen tot schadevergoeding die hij destijds heeft ingediend.(51) Aangezien er geen aanwijzingen zijn dat de buitengerechtelijke overeenkomst tussen Gogos en de Commissie ongeldig is of kan worden betwist, kan rekwirant thans geen vergoeding meer vorderen voor schade waarop deze schikking betrekking heeft.
79. Slechts voor zover zou blijken dat er nog noemenswaardige schadeaanspraken bestaan waarvan Gogos in het verleden niet geldig afstand heeft gedaan, zou een vergoeding voor het verlies van de kans op een vroegere promotie thans nog mogelijk zijn. Voor zover is voldaan aan de overige voorwaarden om een vordering wegens ambtelijke aansprakelijkheid te kunnen instellen(52) en er nog geen verjaring is ingetreden, staat het Gogos vrij, alsnog afzonderlijk vergoeding te vorderen voor dergelijke mogelijke schade.
4. Tussentijdse conclusie
80. Aangezien geen van beide middelen van Gogos kan worden aanvaard, dient zijn hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.
81. Daarmee worden zijn vorderingen tot nietigverklaring van het indelingsbesluit en het afwijzende besluit en tot toekenning van een schadevergoeding van 538 121,79 EUR zonder voorwerp, aangezien al deze vorderingen de voorafgaande vernietiging van het bestreden arrest vereisen.
B – Afzonderlijke vordering tot schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure in eerste aanleg
82. Ten slotte verzoekt Gogos het Hof om hem een passende schadevergoeding toe te kennen wegens de – volgens hem buitensporig lange – duur van de procedure voor het Gerecht. Onder verwijzing naar het arrest Baustahlgewebe(53) raamt hij de schade op 50 000 EUR.
83. Zoals het Hof in het arrest IAMM(54) heeft vastgesteld, is een dergelijke afzonderlijke vordering tot schadevergoeding evenwel niet-ontvankelijk in het kader van een hogere voorziening. Blijkens artikel 113, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof mag de hogere voorziening namelijk enkel strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht en, in voorkomend geval, tot gehele of gedeeltelijke toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde. Er kunnen geen nieuwe vorderingen worden ingesteld.
84. De buitensporig lange duur van de procedure in eerste aanleg kan in hogere voorziening slechts worden aangevoerd, wanneer hij volgens een van de partijen een inhoudelijke weerslag heeft gehad op het arrest in eerste aanleg en bijgevolg een grond voor de vernietiging van dit arrest kan opleveren.(55) Gogos heeft dit evenwel in casu niet aangevoerd.
85. Zijn vordering tot schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.
86. Slechts volledigheidshalve wil ik er nog op wijzen dat het Gogos vanzelfsprekend vrijstaat, krachtens artikel 268 VWEU juncto artikel 340, lid 2, VWEU(56) een vordering tot schadevergoeding tegen de Europese Unie in te stellen wegens de lange duur van de procedure voor het Gerecht.(57) Een eventuele schadevergoeding zou evenwel niet ten laste vallen van de Europese Commissie, maar van het Hof van de Europese Unie als instelling.
87. In het kader van een dergelijk beroep zou dan onder meer moeten worden onderzocht of de duur van de procedure in eerste aanleg in casu buitensporig lang was, zodat het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn is geschonden.(58) Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van de zaak, zoals de complexiteit ervan en het gedrag van de partijen.(59)
88. In casu bedroeg de totale duur van de procedure voor het Gerecht ongeveer vier jaar en acht maanden.(60) Bijzondere aandacht dient te worden gevestigd op het feit dat tussen het einde van de schriftelijke procedure en de mondelinge behandeling in eerste aanleg meer dan drie jaar is verstreken.(61) Onder voorbehoud van een diepgaander onderzoek in het kader van een eventuele aansprakelijkheidsprocedure lijkt deze duur van de procedure noch door de bijzondere complexiteit van de materie of de opgeworpen feitelijke en rechtsvragen, noch door het gedrag van de partijen gerechtvaardigd te zijn. Het spreekt voor zich dat problemen in verband met de interne organisatie van het Gerecht, bijvoorbeeld die welke met de regelmatige vervanging van rechters samenhangen, niet in het nadeel van de justitiabele mogen spelen. De Commissie merkt weliswaar op dat het Gerecht in de betrokken periode duidelijk meer zaken diende te behandelen dan ten tijde van het arrest Baustahlgewebe, maar zij vermeldt niet dat het Gerecht vandaag de dag duidelijk meer rechters telt en over meer personeel beschikt dan toen.
V – Kosten
89. Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Deze beslissing omtrent de kosten is in het onderhavige geval bijzonder belangrijk, aangezien de Commissie als partij door een advocaat wordt vertegenwoordigd.
90. Volgens artikel 69, lid 2, juncto artikel 118 van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in beginsel in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Blijkens artikel 122, tweede alinea, eerste streepje, van het Reglement voor de procesvoering geldt deze regel ook voor een hogere voorziening die door een ambtenaar of een ander personeelslid van een instelling van de Unie in ambtenarenzaken is ingesteld. Dienvolgens zou Gogos, die volledig in het ongelijk dient te worden gesteld, in zijn eigen kosten en in die van de Commissie moeten worden verwezen, zoals de Commissie heeft gevorderd.
91. Krachtens artikel 122, tweede alinea, tweede streepje, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof evenwel in geval van hogere voorziening ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling afwijken van deze in artikel 69, lid 2, van dit Reglement neergelegde algemene kostenregel en de kosten over de partijen verdelen indien de billijkheid dit vergt.
92. In casu dient zonder twijfel rekening te worden gehouden met het feit dat de middelen en de vorderingen van Gogos dienen te worden afgewezen, aangezien zij op onjuiste juridische premissen berusten.
93. Anderzijds dient ook te worden overwogen dat de Commissie door haar houding in beslissende mate heeft bijgedragen tot het ontstaan van het onderhavige geschil. Dit geschil had kunnen worden vermeden indien de Commissie bij de uitvoering van het interne vergelijkende onderzoek geen drie pogingen nodig had gehad om een regelmatig mondeling examen voor Gogos te organiseren.(62)
94. Bovendien is het gerechtvaardigd dat rekwirant een passende compensatie wil krijgen voor het feit dat hem de kans is ontnomen om vroeger naar categorie A over te gaan. Dat hij zijn vordering in de onderhavige hogere voorziening heeft gebaseerd op de mogelijkheid om ambtshalve een financiële vergoeding toe te kennen, kan hem slechts tot op zekere hoogte worden verweten, aangezien er weinig rechtspraak bestaat op dit gebied.
95. Alles samen beschouwd acht ik het derhalve om redenen van billijkheid aangewezen om de uitzonderingsregeling van artikel 122, tweede alinea, tweede streepje, van het Reglement voor de procesvoering toe te passen en de kosten van de onderhavige hogere voorziening in afwijking van de algemene kostenregel van artikel 69, lid 2, van dit Reglement tussen de partijen te verdelen. Het lijkt mij dan ook gerechtvaardigd om elke partij in haar eigen kosten te verwijzen.
VI – Conclusie
96. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, uitspraak te doen als volgt:
„1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De vordering van Gogos tot betaling van schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure in eerste aanleg wordt afgewezen.
3) Elke partij draagt haar eigen kosten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Arrest Gerecht van 15 oktober 2008, Gogos/Commissie (T‑66/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
3 – Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124, blz. 1).
4 – Zie het op 5 maart 1968 in werking getreden Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, vastgesteld bij de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 (PB L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 1473/72 van de Raad van 30 juni 1972 (PB L 160, blz. 1).
5 – Arrest Gerecht van 23 maart 2000, Gogos/Commissie (T‑95/98, JurAmbt. blz. I‑A‑51 en II‑219).
6 – Zie beschikking Gerecht van 21 oktober 2002, Gogos/Commissie (T‑97/01, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
7 – Arrest Gogos/Commissie (T‑97/01).
8 – Het origineel van het eerst bij fax ingediende verzoekschrift in hogere voorziening is op 24 december 2008 ter griffie van het Hof neergelegd.
9 – Zie de samenvatting in punt 18 van het bestreden arrest.
10 – Punten 27‑43 van het bestreden arrest.
11 – Punten 44‑46 van het bestreden arrest.
12 – Arresten Hof van 1 oktober 1991, Vidrányi/Commissie (C‑283/90 P, Jurispr. blz. I‑4339, punt 29), en 11 september 2003, België/Commissie („Forges de Clabecq”, C‑197/99 P, Jurispr. blz. I‑8461, punten 80‑83); zie in dezelfde zin arrest Gerecht van 8 juni 2009, Krcova/Hof van Justitie (T‑498/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 34); zie ook conclusie van advocaat-generaal Lenz van 10 februari 1994 in zaak SFEI e.a./Commissie (C‑39/93 P, Jurispr. blz. I‑2681, punt 36).
13 – Arresten van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie („Baustahlgewebe”, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 25); 7 mei 1998, Somaco/Commissie (C‑401/96 P, Jurispr. blz. I‑2587, punt 53); 16 december 2008, Masdar (UK)/Commissie (C‑47/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 76), en 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie („Der Grüne Punkt”, C‑385/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 71).
14 – Punten 25‑31 van het rapport ter terechtzitting in eerste aanleg.
15 – Punt 18 van het bestreden arrest.
16 – „Middelen tot nietigverklaring”.
17 – Arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punten 57‑59); 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 165); 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, Jurispr. blz. I‑439, punt 66), en 2 april 2009, France Télécom/Commissie (C‑202/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 60).
18 – Bekijken we het door Gogos bij het Gerecht ingediende verzoekschrift (zie aldaar, punten 27‑41), dan blijkt dat ongeveer de helft van zijn schriftelijke betoog in eerste aanleg is gewijd aan artikel 233 EG en de beginselen van gelijke behandeling, billijkheid en behoorlijk bestuur en het recht op ontwikkeling van de loopbaan.
19 – Arrest van 14 mei 1998, Raad/de Nil en Impens (C‑259/96 P, Jurispr. blz. I‑2915, punten 32 en 33), en arrest France Télécom/Commissie (aangehaald in voetnoot 17, punt 29).
20 – Arresten van 6 maart 2001, Connolly/Commissie (C‑274/99 P, Jurispr. blz. I‑1611, punt 121), en 9 september 2008, FIAMM en FIAMM Technologies/Raad en Commissie („FIAMM”, C‑120/06 P en C‑121/06 P, Jurispr. blz. I‑6513, punt 91), alsook arrest France Télécom/Commissie (aangehaald in voetnoot 17, punt 30).
21 – Arresten van 2 april 2009, Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie (C‑431/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 42), en 16 juli 2009, Commissie/Schneider Electric (C‑440/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 135).
22 – Arrest van 25 oktober 2007, Komninou e.a./Commissie (C‑167/06 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 22).
23 – Punten 27‑43 van het bestreden arrest.
24 – Punt 44 van het bestreden arrest.
25 – Punten 45 en 46 van het bestreden arrest.
26 – Arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, Jurispr. blz. I‑4333, punt 80).
27 – Ik merk louter terzijde op dat het Gerecht ten onrechte gewaagt van een mondelinge behandeling „in september 2002”, die „als gevolg van het arrest Gogos/Commissie” zou hebben plaatsgevonden. Zoals Gogos terecht opmerkt, vond deze mondelinge behandeling namelijk niet in september 2002, maar in november 2002 plaats, en betrof zij ook niet een eerder arrest Gogos/Commissie, maar de minnelijke schikking die de partijen in zaak T‑97/01 hadden gesloten.
28 – Zie in die zin ook arrest van 18 december 2007, Weißenfels/Parlement (C‑135/06 P, Jurispr. blz. I‑12041, punt 69).
29 – Arrest Weißenfels/Parlement (aangehaald in voetnoot 28, punt 65).
30 – Arrest Weißenfels/Parlement (aangehaald in voetnoot 28, met name punten 62 en 66) en arrest van 17 april 1997, de Compte/Parlement (C‑90/95 P, Jurispr. blz. I‑1999, punt 45).
31 – Arresten Hof van 5 juni 1980, Oberthür/Commissie (24/79, Jurispr. blz. 1743, punt 14), en 27 oktober 1987, Houyoux en Guery/Commissie (176/86 en 177/86, Jurispr. blz. 1987, 4333, punt 16, gelezen in samenhang met punt 1); zie ook arresten Gerecht van 12 mei 1998, Wenk/Commissie (T‑159/96, JurAmbt. blz. I‑A‑193 en II‑593, punt 122); 31 maart 2004, Girardot/Commissie (T‑10/02, JurAmbt. blz. I‑A‑109 en II‑483, punt 89), en 8 september 2009, ETF/Landgren (T‑404/06 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 233).
32 – Arrest van 8 juli 1965, Krawczynski/Commissie (83/63, Jurispr. blz. 828, meer bepaald blz. 841).
33 – Arrest Weißenfels/Parlement (aangehaald in voetnoot 28, punt 67) en arrest van 17 december 2009, M/EMEA (C‑197/09 RX‑II, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 56).
34 – Arresten Oberthür/Commissie (aangehaald in voetnoot 31, punt 14) en Houyoux en Guery/Commissie (aangehaald in voetnoot 31, punt 16), alsook arrest van 21 februari 2008, Commissie/Girardot (C‑348/06 P, Jurispr. blz. I‑833, punt 58), en arresten M/EMEA (aangehaald in voetnoot 33, punt 56) en Wenk/Commissie (aangehaald in voetnoot 31, punt 122); ook in het arrest van 16 december 1960, Fiddelaar/Commissie (44/59, Jurispr. blz. 1960, 1117, 1140), wordt reeds deze benadering gevolgd.
35 – Punt 47 van het bestreden arrest.
36 – Zie punten 60 en 61 hierboven.
37 – Arrest Girardot/Commissie (aangehaald in voetnoot 31, punt 26).
38 – Volgens het arrest FIAMM (aangehaald in voetnoot 20, met name punten 174‑179) is in de huidige stand van het recht van de Unie een schadevergoeding voor de gevolgen van rechtmatige wetgevende handelingen van de instellingen van de Unie in de regel uitgesloten. De vraag of schadevergoeding kan worden betaald voor de gevolgen van rechtmatige administratieve handelingen is daarentegen nog niet beantwoord.
39 – Zie dienaangaande punten 70‑79 hierboven.
40 – Punten 30‑35 van het bestreden arrest.
41 – Arrest van 1 juli 1999, Alexopoulou/Commissie (C‑155/98 P, Jurispr. blz. I‑4069, punten 34‑36).
42 – Arrest Hof van 6 juni 1985, De Santis/Rekenkamer (146/84, Jurispr. blz. 1723, punt 9), en arrest Alexopoulou/Commissie (aangehaald in voetnoot 41, punten 32, 33 en 36), alsook arresten Gerecht van 17 december 2003, Chawdhry/Commissie (T‑133/02, JurAmbt. blz. I‑A-329 en II-1617, punt 36), en 11 december 2009, Giannopoulos/Raad (T‑436/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 34 en 52).
43 – Arrest De Santis/Rekenkamer (aangehaald in voetnoot 42, punt 9).
44 – Arrest Alexopoulou/Commissie (aangehaald in voetnoot 41, punten 31, 34 en 36).
45 – Arresten van 10 januari 2006, IATA en ELFAA (C‑344/04, Jurispr. blz. I‑403, punt 95); 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld (C‑303/05, Jurispr. blz. I‑3633, punt 56); 16 december 2008, Arcelor Atlantique en Lorraine e.a. („Arcelor”, C‑127/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 23), en 7 juli 2009, S.P.C.M. e.a. (C‑558/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 74).
46 – Arrest Arcelor (aangehaald in voetnoot 45, punt 26).
47 – Dit stelt ook het Gerecht in punt 47 van het bestreden arrest vast. Zie in het algemeen met betrekking tot het verlies van een kans als vergoedbare schade, arrest Commissie/Girardot (aangehaald in voetnoot 34, punten 54 en 55); zie ook arrest Gerecht van 26 juni 1996, De Nil en Impens/Raad (T‑91/95, JurAmbt. blz. I‑A-327 en II-959, punt 38), dat op dit punt niet is bekritiseerd door het arrest Hof Raad/de Nil en Impens (aangehaald in voetnoot 19).
48 – Zie punt 68 van deze conclusie.
49 – T‑95/98 en T‑97/01 (zie punten 11‑14 hierboven).
50 – Arrest Gogos/Commissie (T‑95/98, aangehaald in voetnoot 5, punten 60‑62).
51 – Beschikking Gogos/Commissie (T‑97/01, aangehaald in voetnoot 6, punt 2).
52 – Zie onder meer arrest Commissie/Girardot (aangehaald in voetnoot 34, punt 52).
53 – Arrest Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 13, punt 141).
54 – Arrest FIAMM (aangehaald in voetnoot 20, met name punten 205 en 211).
55 – Arresten Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 13, punt 49), FIAMM (aangehaald in voetnoot 20, punt 203) en Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 13, punten 190‑193).
56 – Voorheen artikel 235 EG juncto artikel 288, lid 2, EG.
57 – Arrest Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 13, punt 195).
58 – Arresten Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 13, punt 21) en Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 13, punten 177‑179).
59 – Arrest Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 13, punt 181).
60 – Het beroep in eerste aanleg is ingesteld op 18 februari 2004, het bestreden arrest is gewezen op 15 februari 2008.
61 – De schriftelijke procedure in eerste aanleg is geëindigd met de indiening van de memorie van dupliek op 17 november 2004; de mondelinge behandeling vond plaats op 15 februari 2008.
62 – Vgl. dienaangaande de uiteenzetting van het Gerecht in punt 51 van het bestreden arrest.