Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen

In zaak T‑456/07,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Pasquier en D. Martin als gemachtigden,

verzoekster,

tegen

Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (Centre de traduction des organes de l’Union européenne; hierna: „CdT”), aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Vandersanden, vervolgens door L. Levi, advocaten,

verweerder,

betreffende een vordering tot nietigverklaring van het besluit waarmee het CdT zou hebben geweigerd voor de begrotingsjaren 1998 tot en met 2005 het bedrag van het werkgeversaandeel in de financiering van de communautaire pensioenregeling over te maken aan de algemene begroting,

geeft

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, E. Cremona en S. Frimodt Nielsen (rapporteur), rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest

Toepasselijke bepalingen

Communautaire pensioenregeling

1. Artikel 83 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, zowel in zijn vóór 1 mei 2004 (hierna: „oude Statuut”) als na die datum (hierna: „nieuwe Statuut”) toepasselijke versie, luidt als volgt:

„1. De uitkeringen krachtens de pensioenregeling komen ten laste van de begroting der Gemeenschappen. De lidstaten waarborgen gezamenlijk de uitbetaling van deze uitkeringen volgens de verdeelsleutel voor de financiering van deze uitgaven.

[...]

2. De ambtenaren dragen voor een derde bij in de financiering van de pensioenregeling. [...]”

2. Artikel 83 bis, lid 2, ingevoegd in het nieuwe Statuut, bepaalt:

„De in artikel 1 bis bedoelde organen die geen subsidies uit de algemene begroting van de Europese Unie ontvangen, maken het totaalbedrag van de voor de financiering van de pensioenregeling noodzakelijke bijdragen aan die begroting over.”

Financiële regeling

3. De mogelijkheid voor de instellingen om de schuldvorderingen vast te stellen die zij menen te hebben, is geregeld in artikel 72, lid 2, van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1, met rectificatie in PB 2003, L 25, blz. 43; hierna: „financieel reglement”), toepasselijk vanaf 1 mei 2003. Deze bepaling luidt:

„De instelling kan de vaststelling van een schuldvordering jegens andere personen dan staten formeel neerleggen in een besluit dat een executoriale titel vormt in de zin van artikel 256 [...] EG[...]”

Op het CdT toepasselijke bepalingen

Tijdens de gehele litigieuze periode toepasselijke bepalingen

4. Het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT) is een agentschap dat is ingesteld bij verordening (EG) nr. 2965/94 van de Raad van 28 november 1994 tot oprichting van een Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (PB L 314, blz. 1). Het CdT heeft rechtspersoonlijkheid (artikel 3 van verordening nr. 2965/94) en beschikt over een eigen begroting. Het heeft tot taak het leveren van vertaaldiensten aan de organen bedoeld in artikel 2 van verordening nr. 2965/94 en eventueel aan de instellingen. Het neemt ook deel aan het Interinstitutioneel Vertaalcomité. Het is gevestigd te Luxemburg (Luxemburg).

5. Artikel 9 van verordening nr. 2965/94 luidt:

„1. Het [CdT] staat onder leiding van een directeur, die door de raad van bestuur op voordracht van de Commissie wordt benoemd voor een periode van vijf jaar, welke periode telkens met vijf jaar kan worden verlengd.

2. De directeur vertegenwoordigt het [CdT]. Hij of zij is verantwoordelijk voor:

– de behoorlijke uitwerking en uitvoering van het werkprogramma en van de besluiten van de raad van bestuur,

– het dagelijks bestuur,

– de uitvoering van de aan het [CdT] toevertrouwde taken,

– de uitvoering van de begroting,

– personeelszaken,

– de voorbereiding van de vergaderingen van de raad van bestuur.

3. De directeur legt aan de raad van bestuur verantwoording af.”

6. Artikel 17 van verordening nr. 2965/94 bepaalt dat het personeel van het CdT onderworpen is aan de verordeningen en regelingen die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

7. Verordening nr. 2965/94 is twee keer gewijzigd. De eerste wijziging, toepasselijk vanaf 17 november 1995, is ingevoerd bij verordening (EG) nr. 2610/95 van de Raad van 30 oktober 1995 (PB L 268, blz. 1). De tweede, toepasselijk vanaf 1 oktober 2003, vloeit voort uit verordening (EG) nr. 1645/2003 van de Raad van 18 juni 2003 (PB L 245, blz. 13).

Voor de jaren 1998 tot en met 2002 geldende bepalingen

8. Artikel 10 van verordening nr. 2965/94 in de redactie van verordening nr. 2610/95, geldend voor de begrotingsjaren 1998 tot en met 2002, luidt als volgt:

„1. Voor alle ontvangsten en uitgaven van het [CdT] worden ramingen gemaakt voor elk begrotingsjaar, dat samenvalt met het kalenderjaar; deze ontvangsten en uitgaven worden opgenomen in de begroting van het [CdT].

2. a) De ontvangsten en uitgaven op de begroting van het [CdT] zijn in evenwicht.

b) Onverminderd het bepaalde sub c inzake de aanvangsperiode zijn de inkomsten afkomstig van de betalingen door de organisaties waaraan het [CdT] zijn diensten verleent [...] voor het door het [CdT] verrichte werk.

c) In de aanvangsperiode, die niet langer dan drie begrotingsjaren duurt,

– betalen de organisaties waaraan het [CdT] zijn diensten verleent een forfaitair bedrag dat een percentage is van hun begroting op basis van de best mogelijke informatie en dat wordt aangepast in het licht van het daadwerkelijk verrichte werk,

– kan een bijdrage uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen aan het [CdT] worden verstrekt ten behoeve van zijn werkzaamheden.

3. De uitgaven van het [CdT] omvatten de bezoldiging van het personeel, de uitgaven voor administratie en infrastructuur, alsmede de huishoudelijke kosten.”

9. De voor 1998 tot en met 2002 geldende regels inzake de goedkeuring en de uitvoering van de begroting van het CdT zijn neergelegd in de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 2965/94 in de versie van verordening nr. 2610/95. Volgens die bepalingen is de directeur van het CdT bevoegd voor de opstelling en uitvoering van de begroting, terwijl de goedkeuring van de begroting en de kwijting onder de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur vallen.

Voor de jaren 2003 tot en met 2005 geldende bepalingen

10. Artikel 10 van verordening nr. 2965/94 in de redactie van verordening nr. 1645/2003, geldend voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2005, luidt als volgt:

„1. Voor alle ontvangsten en uitgaven van het [CdT] worden ramingen gemaakt voor elk begrotingsjaar, dat samenvalt met het kalenderjaar; deze ontvangsten en uitgaven worden opgenomen in de begroting van het [CdT].

2. a) De ontvangsten en uitgaven op de begroting van het [CdT] zijn in evenwicht.

b) De ontvangsten van het [CdT] omvatten de betalingen die door de organen waarvoor het [CdT] werkt en door de instellingen en organisaties waarmee het Bureau samenwerkt worden verricht als tegenprestatie voor de door het Bureau verrichte diensten, de interinstitutionele activiteiten daaronder begrepen, en een subsidie van de Gemeenschap.

3. De uitgaven van het [CdT] omvatten de bezoldiging van het personeel, de uitgaven voor administratie en infrastructuur, alsmede de huishoudelijke kosten.”

11. De regels inzake de goedkeuring en de uitvoering van de begroting van het CdT, zoals van toepassing van 2003 tot en met 2005, zijn neergelegd in de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 2965/94 in de redactie van verordening nr. 1645/2003. Laatstgenoemde bepalingen tasten de bevoegdheden van de directeur niet aan. Zij voorzien daarentegen in de betrokkenheid van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie bij de vaststelling van het bedrag van de communautaire subsidie als bedoeld in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2965/94, zoals gewijzigd, en bij de verlening van kwijting aan de directeur voor de uitvoering van de begroting van het CdT. Met dat voorbehoud blijven de bevoegdheden van de raad van bestuur ongewijzigd.

Voorgeschiedenis van het geding

Verzoeken om overmaking aan de algemene begroting van een bijdrage aan de communautaire pensioenregeling voor de begrotingsjaren 1998 tot en met 2005

12. Bij nota van de directeur-generaal van het directoraat-generaal (DG) „Personeelszaken en administratie” van 1 juli 1998 (hierna: „nota van 1 juli 1998”) heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Europees Bureau voor geneesmiddelenbeoordeling (EMEA), het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, ontwerpen en modellen) (BHIM) en het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) verzocht het bedrag van het werkgeversaandeel in de financiering van de communautaire pensioenregeling over te maken aan de gemeenschapsbegroting.

13. De nota van 1 juli 1998 vermeldde het volgende:

„De gedecentraliseerde organen maken de bijdragen van hun personeel aan de communautaire pensioenregeling maandelijks aan de Commissie over. Sommige, waaronder uw CdT, dienen zich geheel of gedeeltelijk zelf te financieren. Teneinde het begrotingsevenwicht te behouden en de logica van de pensioenregeling in acht te nemen [...], dienen die organen derhalve een werkgeversbijdrage over te maken aan de regeling, gelijk aan tweemaal de bijdrage van het personeel, gewogen volgens de zelffinancieringsquote van elk orgaan.

Deze praktijk is impliciet gebaseerd op de oprichtingsverordeningen van de agentschappen [...]

Ik verzoek u derhalve het bedrag dat overeenkomt met de werkgeversbijdrage van uw orgaan aan de financiering van de pensioenregeling, over te maken aan de Commissie volgens de voor de overmaking van de bijdragen van het personeel voorziene procedure, waarna de Commissie dit bedrag volgens de toepasselijke bepalingen zal boeken.

Deze overmakingen dienen met terugwerkende kracht te worden verricht vanaf het jaar waarin uw orgaan is begonnen eigen middelen te innen, verhoogd met een passende rente.”

14. De nota van 1 juli 1998 is op 6 augustus 1998 per fax aan de directeur van het CdT gezonden door het hoofd van de eenheid „Pensioenen en betrekkingen met voormalige ambtenaren” van het DG „Personeelszaken en administratie” van de Commissie. In die fax stond dat de nota van 1 juli 1998 in werkelijkheid ook bestemd was voor het CdT, dat werd „verzocht hem dus in overweging te nemen”.

15. Op 19 augustus 1998 heeft de directeur van het CdT aan het hoofd van de eenheid „Pensioenen en betrekkingen met voormalige ambtenaren” van het DG „Personeelszaken en administratie” van de Commissie geantwoord dat hij bereid was het verzoek in overweging te nemen en dat hij de Commissie verzocht om mededeling van de „rechtsgrondslag van de voorgestelde praktijk wat het [CdT] betreft”.

16. Op 9 februari 2000 heeft het CdT de Commissie gevraagd om haar visie over het standpunt dat de werkgeversbijdrage aan de communautaire pensioenregeling door de algemene begroting van de Gemeenschappen zou moeten worden gedragen.

17. Bij nota van 16 maart 2000 heeft het hoofd van de eenheid „Pensioenen en betrekkingen met voormalige ambtenaren” van het DG „Personeelszaken en administratie” van de Commissie aangegeven dat het CdT sinds zijn oprichting diende te worden aangemerkt als een zelfgefinancierd agentschap en derhalve sindsdien de werkgeversbijdrage aan de communautaire pensioenregeling behoorde over te maken aan de algemene begroting.

18. Bij nota van 11 april 2000 heeft het hoofd van de afdeling „Algemene administratie, financiën en personeel” van het CdT de Commissie meegedeeld dat volgens de raad van bestuur van het CdT het standpunt in de nota van 16 maart 2000 berustte op een onsamenhangende en onvolledige argumentatie en geen rechtsgrondslag had. De Commissie werd opnieuw verzocht de rechtsgrondslag aan te geven waarop haar verzoek was gebaseerd, opdat de raad van bestuur daaraan eventueel een gunstig gevolg kon geven.

19. Bij nota van 16 mei 2000 heeft het hoofd van de eenheid „Pensioenen en betrekkingen met voormalige ambtenaren” van het DG „Personeelszaken en administratie” van de Commissie het eerdere standpunt bevestigd, dat het CdT voor twee derde moest bijdragen in de financiering van de communautaire pensioenregeling. De Commissie was van mening dat het CdT „duidelijk zelfgefinancierd was” vanwege de betaling die het als tegenprestatie voor de verrichte diensten ontving, maar dat erover kon worden gediscussieerd of het CdT het „werkgeversaandeel” moest overmaken in de aanvangsperiode bedoeld in artikel 10, lid 2, sub c, van verordening nr. 2965/94 in de destijds geldende redactie (zie punt 8 hierboven).

20. Bij nota van 21 juni 2000 heeft het hoofd van de afdeling „Algemene administratie, financiën en personeel” van het CdT opnieuw aangegeven dat hij geen werkgeversaandeel kon betalen, tenzij de Commissie de rechtsgrondslag van haar verzoek meedeelde. In die nota stond ook dat het verzoek van de Commissie in strijd leek met artikel 83, lid 1, van het oude Statuut, dat bepaalde: „De uitkeringen krachtens de pensioenregeling komen ten laste van de begroting van de Gemeenschappen.” De vermelding van een duidelijke rechtsgrondslag leek derhalve noodzakelijk „om bezwaren van de zijde van de financiële controle [van het CdT] en van de Rekenkamer [van de Europese Gemeenschappen] te voorkomen”.

21. Op 27 oktober 2000 heeft de raad van bestuur van het CdT besloten in de rekeningen van het agentschap een bedrag te reserveren ter hoogte van de door de Commissie vanaf het jaar 1998 gevraagde bijdrage. Alvorens het corresponderende bedrag te betalen, heeft hij echter opnieuw aan de Commissie gevraagd aan te geven op welke rechtsgrondslag zij die betalingsvordering baseerde.

22. In een nota van 24 oktober 2000 ter voorbereiding van een vergadering van ambtenaren van verschillende diensten, die ter informatie aan het CdT is gezonden, heeft de directeur-generaal van het DG „Personeelszaken en administratie” van de Commissie het volgende aangegeven:

„[Het oude] Statuut voorzag oorspronkelijk in een pensioenregeling voor personeel dat onder het Statuut viel en waarvan de werkgever zijn middelen uitsluitend uit de begroting van de [Gemeenschappen] verkreeg.

[Het oude] Statuut [...] voorzag niet uitdrukkelijk in de financiering van de pensioenregeling door een werkgever die niet werd gefinancierd uit de begroting van de [Gemeenschappen]. Men kan zich evenwel in redelijkheid afvragen of de begroting [van de Gemeenschappen] een deel van de personeelskosten – dus de pensioenen – van een dergelijk orgaan moet financieren.

De verordening betreffende de oprichting van het CdT voorziet niet uitdrukkelijk in de betaling van die pensioenbijdrage, maar bepaalt dat het CdT slechts in de drie eerste jaren van zijn bestaan kan worden gesubsidieerd uit de begroting [van de Gemeenschappen], wat dus impliciet wijst op zelffinanciering daarna.

Het zou dus niet logisch zijn dat een zelfgefinancierd orgaan subsidiëring door de begroting [van de Gemeenschappen] nodig heeft voor het deel van zijn personeelskosten dat precies overeenkomt met de pensioenen, terwijl de overige personeelskosten ten laste van zijn eigen begroting zijn.

Derhalve, en hoewel dit noch in het [oude] Statuut noch in verordening [nr. 2965/94] uitdrukkelijk is vermeld, lijkt het logisch dat het CdT als werkgever een bijdrage betaalt aan de begroting [van de Gemeenschappen] om te voldoen aan zijn verbintenissen op het gebied van pensioenen en die over te dragen naar de begroting [van de Gemeenschappen].

De omstandigheden zijn niet anders dan voor de twee zelfgefinancierde organen (BHIM en CBP), die daarom hebben besloten de werkgeversbijdrage aan de pensioenregeling (tweemaal de werknemersbijdrage) over te maken aan de begroting [van de Gemeenschappen], zodat onder die regeling – op termijn – de corresponderende pensioenuitgaven kunnen worden verricht.

Het probleem vloeit voort uit het feit dat het CdT meent dat de huidige rechtsgrondslag niet bindend is. De juridische dienst van de Commissie heeft bevestigd dat men strikt juridisch moet concluderen dat er geen bepaling bestaat die de agentschappen uitdrukkelijk verplicht hun werkgeversbijdrage over te maken aan de algemene begroting, en dat een enkele vermelding in de ontvangstenpost van de begroting onvoldoende lijkt.

Het overleg zou dus moeten gaan over de invoering van een passende rechtsgrondslag op basis waarvan een dergelijke verplichting kan worden opgelegd, en daarvoor kan slechts het Statuut zelf en/of de oprichtingsverordening van het CdT in aanmerking komen.

Een wijziging van het [oude] Statuut is zeker denkbaar en zou mogelijk zijn in het kader van de reeks in voorbereiding zijnde maatregelen [...] Een wijziging van verordening [nr. 2965/94] is echter ook zeer wenselijk en zou voldoende kunnen zijn om te bevestigen dat dit orgaan volledig zelfgefinancierd is, met inbegrip van zijn personeelskosten, wat een uitdrukkelijke rechtsgrondslag zou geven voor de betaling van de bijdrage van het CdT aan de begroting [van de Gemeenschappen].”

23. Bij nota van 16 maart 2001 heeft de directeur van het CdT de directeur- generaal van het DG „Personeelszaken en administratie” van de Commissie meegedeeld dat hij de twijfels in de nota van 24 oktober 2000 deelde op het punt van het bestaan van een rechtsgrondslag waarop het verzoek van de Commissie kan berusten, en voorgesteld dat de Commissie een conceptovereenkomst zou opstellen.

24. Bij nota van 11 oktober 2001 heeft de directeur-generaal van het DG „Personeelszaken en administratie” van de Commissie een conceptovereenkomst aan het CdT gezonden. Artikel 1 van de conceptovereenkomst bepaalde dat de Commissie zorg draagt voor de betaling van de verschuldigde pensioenen aan de ambtenaren en andere personeelsleden van het CdT. Artikel 2 bepaalde met name dat het CdT maandelijks een bijdrage aan de begroting van de Europese Unie zou overmaken ter hoogte van het volledige bedrag ter financiering van de actuariële waarde van de door zijn personeel verworven pensioenrechten, en wel te rekenen vanaf 1 januari 1998.

25. Op 26 oktober 2001 heeft de raad van bestuur van het CdT besloten geen gevolg te geven aan deze conceptovereenkomst.

26. Bij nota van 17 mei 2005 heeft de directeur-generaal van het DG „Personeelszaken en administratie” van de Commissie op basis van artikel 83 bis, lid 2, van het nieuwe Statuut (zie punt 2 hierboven) het CdT verzocht het bedrag over te maken dat overeenkomt met de werkgeversbijdrage aan de communautaire pensioenregeling voor het jaar 2005, te weten 1,52 miljoen EUR. Het CdT werd voorts verzocht voor de boekjaren 1998 tot en met 2004 het reeds gereserveerde bedrag over te maken, te weten 6 miljoen EUR vóór actualisering. Bijgevolg werd het CdT meegedeeld dat betalingsopdrachten zouden worden opgesteld door de met het beheer en de afwikkeling van individuele rechten belaste diensten van de Commissie.

27. Bij nota van 26 augustus 2005 heeft de directeur ad interim van het CdT betwist dat het CdT een zelfgefinancierd orgaan is. In dit verband heeft het CdT erop gewezen dat artikel 10, lid 2, sub b, van verordening nr. 2965/94 in de vanaf het jaar 2003 geldende redactie bepaalde dat het CdT een subsidie van de Gemeenschap ontvangt (zie punt 10 hierboven) en dat het onderworpen is aan de financiële regeling die van toepassing is op de agentschappen die worden gefinancierd uit de algemene begroting. Voorts wees het CdT erop dat het geen gevolg kon geven aan het verzoek van de Commissie met betrekking tot de boekjaren 1998 tot en met 2004, aangezien de Commissie zelf had erkend dat daarvoor geen rechtsgrondslag bestond. De Commissie werd derhalve verzocht alle procedures voor het innen van de betwiste vorderingen te schorsen.

28. Bij nota van 7 maart 2006 heeft de directeur-generaal van het DG „Vertaling” als voorzitter van de raad van bestuur van het CdT zijn standpunt meegedeeld over een voorstel van het CdT om het geschil voor te leggen aan een onafhankelijke deskundige. Volgens die nota, die aan de directeur ad interim van het CdT is gezonden, hadden de diensten van de Commissie geen bezwaar ertegen dat het CdT een onafhankelijk juridisch advies zou inwinnen. Een dergelijk advies kon naar hun mening de Commissie echter niet binden, daar het geschil, indien het zou blijven bestaan, uitsluitend aan de communautaire rechterlijke instanties kon worden voorgelegd.

Bestreden handeling

29. Op 21 maart 2006 heeft de directeur-generaal van het DG „Personeelszaken en administratie” een nota gezonden aan de directeur ad interim van het CdT. In die nota herhaalde de Commissie haar verzoek om overmaking van de werkgeversbijdrage aan de communautaire pensioenregeling voor de jaren 1998 tot en met 2005 en verzocht zij het CdT, haar binnen een maand zijn gemotiveerde standpunt over deze kwestie mee te delen.

30. Bij nota van 7 april 2006 (hierna: „bestreden handeling”) heeft de directeur ad interim van het CdT een op 22 maart 2006 door de raad van bestuur van het CdT goedgekeurd advies (hierna: „advies van het CdT”) aan de directeur-generaal van het DG „Personeelszaken en administratie” gezonden.

31. In dat advies heeft de raad van bestuur van het CdT aangegeven dat hij, na kennisneming van een door de directeur-generaal van het DG „Vertaling” van de Commissie op 10 januari 2006 opgesteld samenvattend document, een op 7 maart 2006 door het hoofd van de afdeling „Juridische zaken” van het CdT opgesteld advies en een nota van een hoogleraar in de rechtsgeleerdheid, van oordeel was dat hij geen werkgeversbijdragen aan de communautaire pensioenregeling was verschuldigd. De raad van bestuur verzocht de Commissie evenwel akkoord te gaan met arbitrage om deze zaak definitief te beslechten.

Procesverloop en conclusies van partijen

32. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 15 juni 2006, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

33. Bij beschikking van 11 december 2007 heeft het Hof de zaak naar het Gerecht verwezen.

34. De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– de bestreden handeling nietig te verklaren;

– het CdT te verwijzen in de kosten.

35. Het CdT concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond te verklaren;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

In rechte

36. Volgens artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.

37. In casu acht het Gerecht zich door de stukken van het dossier voldoende ingelicht om te kunnen beslissen zonder de behandeling voort te zetten.

38. Primair werpt het CdT twee excepties van niet-ontvankelijkheid op tegen het onderhavige beroep. De eerste houdt in dat de bestreden handeling geen maatregel is met bindende rechtsgevolgen die de belangen van de Commissie kunnen aantasten door haar rechtspositie aanmerkelijk te wijzigen. De tweede door het CdT aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid is ontleend aan het feit dat dat orgaan geen deel uitmaakt van de in artikel 230 EG genoemde instellingen waarvan de handelingen aan het rechtmatigheidstoezicht van het Gerecht zijn onderworpen.

39. De eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid zal als eerste worden onderzocht.

Argumenten van partijen

40. Het CdT voert aan dat de bestreden handeling, die bestaat in de toezending van het advies van 22 maart 2006, niet kan worden bestreden met een beroep tot nietigverklaring, daar artikel 230 EG adviezen uitdrukkelijk uitsluit van het daarin voorziene rechtmatigheidstoezicht.

41. Het CdT beroept zich voorts op de rechtspraak op grond waarvan, ten eerste, alleen maatregelen met bindende rechtsgevolgen die de belangen van de verzoekers kunnen aantasten doordat hun rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd, zijn te beschouwen als handelingen die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG, en, ten tweede, naar de wezenlijke inhoud van de handeling moet worden gekeken om te bepalen of zij dergelijke gevolgen heeft.

42. Het CdT stelt dat de bestreden handeling geen besluit is en geen bindende rechtsgevolgen heeft. Het advies van 22 maart 2006 behelst een beoordeling van de vraag of het CdT al dan niet een gesubsidieerd orgaan vormt, en een verzoek aan de Commissie om procedures voor de inning van betwiste vorderingen te schorsen en zich te onderwerpen aan arbitrage, wat de Commissie nooit formeel heeft geweigerd in een brief aan het CdT. Het gaat dus enkel om een standpuntbepaling, die geen besluit vormt, gecombineerd met een uitnodiging om verder te onderhandelen om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen. Het CdT heeft zich overigens nooit formeel verzet tegen het verzoek van de Commissie, maar heeft van deze instelling slechts opheldering willen krijgen.

43. Wat de bestreden handeling betreft, deze bestaat enkel in de toezending van het advies van 22 maart 2006 en bevat geen beoordeling van de draagwijdte ervan.

44. Het enkele feit dat de bestreden handeling een antwoord vormt op een verzoek in de nota van de directeur-generaal van het DG „Personeelszaken en administratie” van 21 maart 2006 aan de directeur ad interim van het CdT, kan niet volstaan om haar als een voor beroep vatbaar besluit in de zin van artikel 230 EG aan te merken.

45. Bovendien is het CdT van mening, daar de Commissie erkent dat zij geen bindende rechtsgrondslag kan aanvoeren voor de verplichting van het CdT de werkgeversbijdrage aan de communautaire pensioenregeling over te maken, dat het antwoord op alleen maar een betalingsverzoek van de Commissie nog minder een besluit vormt. De vraag of een meningsuiting van een instelling al dan niet een voor beroep vatbaar besluit vormt, hangt namelijk ervan af of degene die de bestreden handeling heeft verricht, op basis van een wettelijke bepaling heeft gehandeld die hem beslissingsbevoegdheid verleent, en of de betrokken handeling rechtsgevolgen in het leven kan roepen.

46. Voorts kan de enkele stelling dat het CdT een gedeeltelijk gesubsidieerd orgaan is, op zichzelf de belangen van de Commissie niet aantasten doordat haar rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd.

47. Ten slotte is het CdT van mening dat het de handelingen van de Commissie zijn, namelijk de invordering van de betwiste vorderingen door verrekening en de inleiding van een beroep tot nietigverklaring, die zijn belangen kunnen aantasten doordat ze zijn rechtspositie wijzigen. Volgens hem had de Commissie in plaats van een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een handeling zonder juridische betekenis, een besluit met bindende rechtsgevolgen moeten nemen, waarvan het CdT de wettigheid had kunnen betwisten.

48. De Commissie stelt dat, om te bepalen of een handeling met een beroep krachtens artikel 230 EG kan worden bestreden, moet worden aangeknoopt bij de inhoud ervan en bij de bedoeling van degene die de handeling heeft verricht. Volgens vaste rechtspraak is namelijk de vorm waarin een handeling of besluit is ingekleed, in beginsel onverschillig waar het gaat om de mogelijkheid om die handeling of dat besluit aan te vechten door middel van een beroep tot nietigverklaring.

49. De bestreden handeling antwoordt op een verzoek van de directeur- generaal van het DG „Personeelszaken en administratie” om „een formeel en gemotiveerd standpunt van de raad van bestuur van het [CdT] over de overmaking van het werkgeversaandeel van de pensioenbijdrage van het [CdT] aan de algemene begroting vanaf het boekjaar 1998”. Zij moet dus, naar haar inhoud en bedoeling, worden gezien als uitdrukking van het standpunt van het CdT over de overmaking van het werkgeversaandeel aan de algemene begroting.

50. De Commissie stelt dat het om een duidelijke standpuntbepaling gaat en dat de nota van de directeur-generaal ad interim van het CdT die dat advies heeft toegezonden, een voor beroep vatbare handeling vormt krachtens artikel 230 EG.

51. Volgens de Commissie volgt het besluitkarakter van de bestreden handeling ook uit de context waarin zij tot stand is gekomen. Sinds het jaar 2000 heeft het CdT namelijk, anders dan het BHIM en het CBP, voortdurend geweigerd de werkgeversbijdrage aan de communautaire pensioenregeling over te maken. Voorts heeft de Commissie in een nota van 7 maart 2006 elke arbitrage afgewezen (zie punt 28 hierboven). In die omstandigheden is het betoog van het CdT dat de bestreden handeling een uitnodiging voor verder overleg en een arbitragevoorstel bevat, gekunsteld.

Beoordeling door het Gerecht

52. Volgens vaste rechtspraak zijn alleen maatregelen met bindende rechtsgevolgen die de belangen van derden kunnen aantasten doordat hun rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd, te beschouwen als handelingen die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring (zie in die zin arrest Gerecht van 17 april 2008, Cestas/Commissie, T‑260/04, Jurispr. blz. II‑701, punt 67, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53. Voorts moet worden gelet op de inhoud van de maatregel waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, om te bepalen of zij vatbaar is voor beroep tot nietigverklaring, en is de vorm waarin die maatregel is gegoten, hierbij in beginsel zonder belang (zie arrest Cestas/Commissie, aangehaald in punt 52 hierboven, punt 68, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54. Enkel de handeling waarmee degene die haar heeft verricht, zijn standpunt ondubbelzinnig en definitief heeft bepaald in een vorm waaruit duidelijk het rechtskarakter ervan blijkt, vormt een voor beroep tot nietigverklaring vatbaar besluit, mits dat besluit geen bevestiging vormt van een eerdere handeling (zie in die zin arrest Hof van 26 mei 1982, Duitsland en Bundesanstalt für Arbeit/Commissie, 44/81, Jurispr. blz. 1855, punt 12). Wanneer een bestreden handeling slechts een bevestiging is, is het beroep uitsluitend ontvankelijk indien tegen de bevestigde handeling tijdig is opgekomen (zie arrest Gerecht van 10 juli 1997, AssiDomän Kraft Products e.a./Commissie, T‑227/95, Jurispr. blz. II‑1185, punt 29, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een verzoeker dus de termijn heeft laten verstrijken om op te komen tegen een beschikking waarbij onmiskenbaar een maatregel met rechtsgevolgen die zijn belangen aantasten, is vastgesteld en die voor hem bindend is, kan hij deze termijn niet opnieuw laten ingaan door van degene die de handeling heeft verricht, te verlangen dat hij van zijn besluit terugkomt, en door beroep in te stellen tegen de weigeringsbeschikking waarbij de eerdere beschikking wordt bevestigd (zie arrest Gerecht van 15 maart 1995, Cobrecaf e.a./Commissie, T‑514/93, Jurispr. blz. II‑621, punt 44, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55. Een schriftelijke meningsuiting of een eenvoudige intentieverklaring kan echter geen voor beroep tot nietigverklaring vatbare beschikking zijn, wanneer zij geen rechtsgevolgen in het leven kan roepen en dit evenmin beoogt (zie in die zin arresten Hof van 27 maart 1980, Sucrimex en Westzucker/Commissie, 133/79, Jurispr. blz. 1299, punten 15‑19, en 27 september 1988, Verenigd Koninkrijk/Commissie, 114/86, Jurispr. blz. 5289, punten 12‑15).

56. Overigens is in verband met door particulie ren ingestelde beroepen tot nietigverklaring geoordeeld dat niet elke brief waarmee wordt geantwoord op een verzoek van de adressaat van deze brief, noodzakelijk een beschikking is waartegen voor deze adressaat beroep tot nietigverklaring openstaat (zie in die zin beschikking Hof van 27 januari 1993, Miethke/Parlement, C‑25/92, Jurispr. blz. I‑473, punt 10).

57. In het licht van die beginselen moet worden bepaald of de bestreden handeling vatbaar is voor beroep tot nietigverklaring, wat het CdT betwist op grond dat die handeling geen besluit is en geen bindende rechtsgevolgen in het leven roept.

58. In de eerste plaats is volgens de rechtspraak (zie punt 53 hierboven) enkel de inhoud, en in beginsel niet de vorm van de bestreden handeling van belang. De vorm waarin een handeling is gegoten, kan de aard ervan namelijk niet wijzigen (zie arrest Gerecht van 24 maart 1994, Air France/Commissie, T‑3/93, Jurispr. blz. II‑121, punt 57, en aldaar aangehaalde rechtspraak) en is dus niet bepalend. Er kan echter niet worden uitgesloten dat het Gerecht de vorm van de handeling waartegen beroep is ingesteld, in aanmerking neemt, aangezien de vorm ertoe kan bijdragen het rechtskarakter van de handeling te bepalen (zie in die zin arrest Duitsland en Bundesanstalt für Arbeit/Commissie, aangehaald in punt 54 hierboven, punt 12).

59. Derhalve moet in de eerste plaats worden nagegaan of de bestreden handeling inhoudelijk rechtsgevolgen in het leven kan roepen op grond van de bevoegdheid van degene die haar heeft verricht (zie in die zin beschikking Miethke/Parlement, aangehaald in punt 56 hierboven, punten 15 en 16), en dergelijke gevolgen daadwerkelijk teweegbrengt.

60. Ten eerste vloeit uit de bevoegdheidsverdeling tussen de directeur van het CdT en de raad van bestuur van dat orgaan, neergelegd in de artikelen 9 en 13 tot en met 15 van verordening nr. 2965/94 (zie punten 5, 9 en 11 hierboven), voort dat het principebesluit over de overmaking van de bijdrage van het CdT aan de communautaire pensioenregeling tot de bevoegdheid van de raad van bestuur behoort. Zoals de Commissie terecht stelt, kon deze dus een besluit nemen dat de rechtspositie van derden kan aantasten, namelijk de financiële belangen van de Gemeenschap.

61. Ten tweede bestaat de bestreden handeling in louter een nota van toezending van het advies van 22 maart 2006. Die nota vormt weliswaar een antwoord op een verzoek van de Commissie om een standpunt te bepalen over het principe van de overmaking van een bijdrage aan de financiering van de communautaire pensioenregeling door het CdT, zoals de Commissie aanvoert, maar heeft geen juridische strekking. Toch kan niet worden uitgesloten dat de toegezonden handeling de belangen van de Commissie aantast doordat zij haar rechtspositie wijzigt. Bijgevolg moet de inhoud van het advies van 22 maart 2006 worden onderzocht.

62. Dit document is getiteld „advies”, wat, zoals het CdT stelt, in beginsel impliceert dat een dergelijke handeling niet vatbaar is voor rechtmatigheidstoezicht. Daar echter moet worden aangeknoopt bij de inhoud en niet bij de vorm van de handeling (zie punten 53 en 58 hierboven), kan niet om het enkele feit dat het document „advies” is getiteld, worden geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk is. Daarentegen moet die titel wel in aanmerking worden genomen om in het kader van de uitlegging van de inhoud van de handeling te beoordelen of zij een besluitkarakter heeft, zonder dat hieraan echter een beslissend belang toekomt.

63. In dat advies heeft de raad van bestuur van het CdT met name aangegeven:

„De raad van bestuur van het [CdT] heeft met belangstelling kennis genomen van de verschillende documenten die hem zijn toegezonden met betrekking tot de regels inzake de overmaking van de werkgeversbijdrage aan de communautaire pensioenregeling voor de functionarissen van het [CdT] [...]

Volgens [twee] adviezen is het [CdT], waarvan een van de taken deelneming aan het Interinstitutioneel Comité voor vertaling en vertolking is en dat een subsidie uit de algemene begroting van de [Unie] ontvangt, een gesubsidieerd agentschap, waar de Commissie het niet mee eens is. Derhalve is de raad van bestuur van het [CdT] van mening dat het [CdT] geen werkgeversbijdrage aan de communautaire pensioenregeling hoeft over te maken.”

64. In de omstandigheden van de onderhavige zaak vormt de laatste zin van de aanhaling in punt 63 hierboven geen definitief standpunt met een besluitkarakter in de zin van de in punt 54 hierboven aangehaalde rechtspraak.

65. Hoewel de Commissie op grond van artikel 72, lid 2, van verordening nr. 1605/2002 een besluit had kunnen nemen dat het CdT verplichtte de haars inziens door dat orgaan verschuldigde bedragen over te maken, hebben de Commissiediensten het CdT enkel meerdere malen verzocht uit eigen beweging een bijdrage over te maken voor de financiering van de communautaire pensioenregeling voor de boekjaren 1998 tot en met 2005. Als reactie op die verzoeken heeft het CdT de diensten van de Commissie herhaaldelijk gevraagd naar de rechtsgrondslag voor de overmaking van de betrokken bijdrage (zie punten 15, 18, 20, 23 en 27 hierboven).

66. In die context moet in aanmerking worden genomen dat de raad van bestuur van het CdT in het advies van 22 maart 2006 de Commissie enkel heeft meegedeeld dat zij geen afdoende antwoord had gegeven op zijn herhaaldelijke verzoeken om de rechtsgrondslag te vermelden waarop zij de geëiste overmaking baseerde. Bovendien eindigt het advies van 22 maart 2006 met een uitnodiging tot verder overleg en met een voorstel ter regeling van het geschil. In die omstandigheden is de standpuntbepaling van de raad van bestuur van het CdT niet definitief en geen bindende rechtsgevolgen in het leven kunnen roepen die de belangen van derden konden aantasten door hun rechtspositie aanmerkelijk te wijzigen.

67. Overigens moet wordt opgemerkt dat, al kon de standpuntbepaling in het advies van 22 maart 2006 worden geacht wel dergelijke rechtsgevolgen mee te brengen, de raad van bestuur van het CdT reeds op 11 april 2000 (zie punt 18 hierboven), en vervolgens op 27 oktober 2000 (zie punt 21 hierboven) en 26 oktober 2001 (zie punt 25 hierboven) de verschuldigdheid van de werkgeversbijdrage aan de communautaire pensioenregeling in gelijksoortige en niet mis te verstane bewoordingen had betwist. In die omstandigheden zou het advies van 22 maart 2006 enkel een bevestiging zijn van de vroegere standpuntbepalingen van de raad van bestuur van het CdT. Omdat daartegen evenwel niet is opgekomen binnen de bepaalde termijn voor de instelling van beroep tot nietigverklaring, zou dit beroep niet-ontvankelijk zijn volgens de in punt 54 hierboven genoemde rechtspraak.

68. In de tweede plaats kunnen de argumenten van de Commissie de ontvankelijkheid van het beroep niet dragen.

69. Ten eerste is het weliswaar juist dat de bestreden handeling een antwoord vormt op een verzoek van de directeur-generaal van het DG „Personeel en administratie” (zie punt 29 hierboven) om een „formeel en gemotiveerd standpunt” van de raad van bestuur van het CdT over de overmaking van de werkgeversbijdrage aan de communautaire pensioenregeling voor de boekjaren 1998 tot en met 2005. Niet elke mededeling van een communautair orgaan waarmee wordt geantwoord op een verzoek van de adressaat ervan, is echter noodzakelijk een beschikking die vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring (zie in die zin beschikking Miethke/Parlement, aangehaald in punt 56 hierboven, punt 10).

70. Ten tweede moge de uitnodiging in het advies van 22 maart 2006 om de onderhandelingen met de Commissie voort te zetten en om zich gezamenlijk aan arbitrage te onderwerpen, in de context waarin zij plaatsvond volgens de Commissie gekunsteld zijn geweest, dit voorstel kan echter niet als louter dilatoir worden beschouwd. Zoals in punt 65 hierboven is opgemerkt, stond het de Commissie namelijk vrij om een besluit vast te stellen dat het CdT verplichtte de haars inziens door dat orgaan verschuldigde bijdragen over te maken. In dat geval zou het CdT adressaat zijn geweest van een besluit dat zijn rechtspositie wijzigde en waartegen het beroep tot nietigverklaring had kunnen instellen, indien het meende daartoe goede gronden te hebben.

71. Uit het voorgaande volgt dat de eerste door het CdT opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet slagen. Zonder dat de tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid van het CdT hoeft te worden onderzocht, moet het onderhavige beroep derhalve kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.

Kosten

72. Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het CdT te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Derde kamer)

Dictum

beschikt:

1) Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2) De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.

Luxemburg, 12 februari 2010.